Vrouwen, ze tetteren nog in mijn oren.

Ik hoor hier niet thuis, ik ben geen antroposoof.

Ik ben Manon Uphoff niet.

Uit het boek de Kolonel:

Antroposofie, zeg ik luid, de Kolonel schrikt. U gebruikt wetenschap om het “onzichtbare zichtbaar en het onhoorbare hoorbaar” te maken? U bent op zoek naar het etherlichaam, maar dat heeft de wetenschap al opgelost.

Ik heb, zegt de Kolonel, ergens onder de schedel een plekje gevonden waar nieuwe neuronen worden aangemaakt. Hij zucht. Nieuwe neuronen om herinneringen vast te houden en elke seconde opnieuw. Nee, het heeft niets met een zelf, een geest of-zo-iets te maken: het gaat vooraf aan een zelf, een geest of een ik. De anatomie vóór een zelf bestaat. Je kunt er met taal niet komen. (De Kolonel is neurowetenschapper en kan door een plakje hersens met een computer te verbinden stemmen horen die in dat deel ooit zijn opgeslagen.) 

Waarom geloven mensen dat ze zich kunnen redden door taal?

De Kolonel kijkt mij vragend aan: Niet jij komt als eerste iets meer te weten van jezelf, maar de hersenen met de stille stem. Meer dan jij ooit zou kunnen beschrijven en beschouwen. Je blijft dat kind van veertien maar als een volwassen. Je ‘was’ en je bent ‘nu’… Nu en toen…hier en nu, hechtend aan het verleden.

Dus wat je denkt te weten over die zogeheten zelf is allemaal fictie?

Ja, ja en nog eens ja. Schrijvers zijn “destroyers of worlds” want in die werelden kun je niet leven. Die, hoe heet ze ook alweer…, ik ben haar naam vergeten, waar zitten die neuronen in mijn kop, die vrouw die nog altijd veertien blijft én volwassen, godnogaantoe, nee…nee…ik kom er niet op, die zei: Door te zijn wie je bent, door je eigen wereld onder ogen te zien, je eigen verhaal en geschiedenis onder woorden te brengen vernietig je een geschiedenis. Maar dan op een manier die moet helen, zegt ze? Ik kan het niet meer volgen. Jij?

Ja. De hersenen, het lichaam wil in balans zijn, helen zich als dat moet. De geest, of noem iets anders, wordt ertoe aangezet om mee te werken. Het lichaam, de hersenen doen het voorwerk. We hebben een herstellend vermogen op basis van de natuur, de biologie. Misschien moeten we het lichaam bevrijden van de literatuur en de kunst. We moeten een nieuw naturalisme bedenken. Nietzsche schreef: Het geloof in het lichaam is fundamenteler – dat heb ik liever – dan het geloof aan de ziel. Het lichaam is de bron van de ideeën. Als de mens denkt is hij een leugenaar. Is hij fictie. Het lichaam vindt het oeuvre van de schrijver uit. Een geduldig aanzwellen van stille stemmen onder het schedeldak die het lichaam oproepen tot schrijven en het ondraaglijk wordt als de schrijver er geen gehoor aangeeft. 

De Kolonel loenst. Knijpt zijn ogen dicht en drinkt zijn glas leeg. Hoe vergroot ik mijn vrijheid, zoals de stille stem van mij wil?

Aj…ha, nu weet ik het weer “Manon Uphoff” proost.

Mijn schedeldak.

Robert Kruzdlo Kathedraal Sevilla Spanje. 2022 juli

Getingel van onverschilligheid.

Samuel Beckett kom, kom…

er 

hangt een sluier over de taal

wil

ik gaten schieten

de 

vorm van de taal aantasten

dan

komen en gaan scheuren

de

woorden verbreken de stilte

en

het niets komt dichterbij

de 

woorden maken geluid

het

pronken met hun taalpriëlen

likwideren

.

.

‘Waarheen zou ik gaan, als ik gaan kon, wie zou ik zijn, als ik zijn kon, wat zou ik zeggen, als ik een stem had, wie praat er zo, bewerend dat ik het ben?’ Samuel Beckett.

Vader en moeder konden elkaar, op de gang, uitkotsen met woorden. Dat wisten de woorden. Wat de woorden niet wisten was, dat zij in het labyrint opgesloten zaten: De Gang. De werkelijke werkelijkheid was het fysieke, de gang, de ‘oorlogsgang’. Hun dood. Op gang komen, dat betekende elkaar uitschelden met onsamenhangende woorden. Vlammend. De oorlogsgang, had in de lengterichting, breedte en hoogte, geen uitweg. Je kon de trap op, die naar de bovengang leidde, om naar je eigen kamer te gaan. De bovengang leidde naar de wijkplaatsen: de slaapkamers. Die van mij, moeder en vader. Vaders kamer was boven de keuken, zo ver mogelijk van het gepingel van de moeders piano. Moeders kamer was boven de vestibule, aan de straatkant en mijn kamer tussen hen in, en, tussen de logeerkamer en de badkamer in.

Vader heeft gister de badkuip uit de badkamer gesloopt. Om moeder te pesten. Ze kan douchen. Wij douchen ook. Het is hygiënischer dan in je eigen sop gaar te koken, had vader geroepen toen hij de badkuip uit het raam kieperde.

Zoeken om een uitweg, een uitgang uit deze eindeloze ‘gangbare’ ruzies, had geen zin. Als het vuur op de wangen schroeit kun je beter binnen blijven. Ze sloegen elkaar gelukkig niet. Uit hun grove bekken vol stekelige vooruitstekende tanden, die pijnlijke waren dan een slag met de hand in het gezicht, golfde gifgroene scheldwoorden. Nooit dachten zij, hoe is het met de jongen, hij, mij, ik die daar op zijn kamer, ik die in elkaar kromp en het hoofd tegen de lambrisering met briefpanelen knalde: in de hoop dat ze zouden ophouden.

‘Er is een tijd geweest dat ik verlichting zocht door mijn hoofd ergens tegen aan te beuken, maar ik heb het opgegeven. Het beste was snel weg te gaan,’ las ik later, veel later, zestig jaar later. Beckett schreef dit.

Ik wil dood, riep moeder, ik verbrand me in de oven, in het vuur, ik verdrink me in het vuur, brandend als een fakkel. IK, ik, ik,… Ze bedoelde de manshoge kachel in de keuken waar ze, zo beweerde ze, haar hoofd in wilde steken om de woorden die haar tong vermaalde, te verbranden. Ik ben toch maar een tussenmens, een incarnatie van de aapmens. Als Empedocles in een krater kan springen, kan ik dit ook.

Een buiten, even frisse lucht happen, bestond niet als zij zich scheldend naar hun kamer begaven. Op zulke momenten ga je natuurlijk niet naar buiten, dacht hij, ik dus. Want het is nu meer dan zestig jaar geleden. Het kon dagen duren voor een van hen de villa verliet. Door honger gekweld. Via de spiegel waarin gemopperd werd ging moeder naar de Klimop winkel. Opgelucht ademhalend. Eindelijk frisse lucht. Een slof sigaretten halen, sigaren, boter, eieren, kaas, brood, maandverband, nylonkousen, en honderd dingen meer die door haar hoofd schoten. 

Ook vader ging wel eens boodschappen doen, dan nam hij een bosje bloemen mee.

.

Uit boek: De gang. Robert Kruzdlo 2022 Spanje

.

Beste Smierdijk,

Robert Kruzdlo 1987 Alice.

Dank voor je brief. Ik ben de laatste dagen opzoek naar de zin van het leven. Alles is lelijk, de wereld schudt in zijn voegen. Een poging van een groep Zuid-Molukkers om koningin Juliana te gijzelen is verijdeld. Mijn vader zit nog in Cambodja. Autogordel wordt verplicht en ik denk dat de derde wereldoorlog ophanden is.

Als ik over mijn leven, de ellendige maanden op de kermis wil gaan schrijven, dan zou je denken dat de herinneringen echt zijn. Maar val dood…, dat zijn herinneringen niet. Als ik achter de computer ga zitten en alles wat ik mij herinner wil opschrijven, — komt wat komt — ga ik vol goede moed aan de slag. Mijn brein, afzonderlijk van mijn ik, geeft wat het wil geven en van het ene op het andere moment gaan we weer uit elkaar. Opflakkerend in een flow, dwalend, afdwalend komen de herinneringen en verdwijnen ze ook weer als sneeuw voor de zon.

‘Kan ik dit verhaal chronologisch vertellen’, zo vraag ik mij steeds af. De herinneringen gaan van de hak op de tak.

Terugdenkend naar juli 1962 hoor ik nog altijd de regen tikken op het dak van de oude brandweerauto, de geur van ozon, de aarde met zijn sappige bladeren: ik deed mijn behoeften tussen de bosjes. Ook deze stad, een grijze stad en straten, en mensen hun bleke gezichten, stemden mij droevig.

Alles wat op en rond de kermis gebeurde, viel te beurt aan een nu. Nooit had ik heimwee naar huis, naar mijn moeder. Moeder, die mij aan een wildvreemde man met scheve mond overgedragen had, heeft nooit spijt getoond en ik kon er met haar niet over praten. Deze geschiedenis overrompelt mij steeds weer.

En toen kwam Alice, met de rode wangen, glinsterende ogen, het jonge meisje met glinsterende ogen, krullippen; kermis actrice. Ze trad op in de kermis attractie ‘Wonderland’: het meisje dat van klein, groter wordt en van groot, kleiner wordt. Een ingenieuze gelijktijdigheid, een kermistruc die ik nooit begrepen heb. Haar ogen hadden veel weg van mijn moeders ogen: doordringend als het oog van de vlinder Hipparchia. Alice, een intelligente veertienjarig meisje, ‘vrouwkind’, zat op de ‘rijdende kermisschool.

Op een avond kwam ze onuitgenodigd bij mij in bed liggen. Vurig duwde zij haar tong in mijn mond en zonder iets te zeggen, ritste zij tegelijk mijn gulp open en bond haar meisjesmond om mijn piemel. Ik kwam meteen klaar; maakte zich los en spreidde haar benen. Alsof ik naar een kruin van haar keek, opende zich een roze gat, bedekt met een laagje witsel en druppelde witte tranen naar haar anus; een gat met rullige bladeren van vlees, met in het midden boven, een tuitje dat op een piemel leek. Vochtig, maanlicht achtige glans. Hét donkere gat rook naar zuurvlees. Diskreet draaide ik mij om. Ik schrok hevig toen Alice, mijn hoofd met beide handen omklemde. Misschien verpestte ik alles als ik niet meewerkte? Maar de geur en het idee dat ik uit zoiets geboren ben, maakte het niet biologisch aantrekkelijk dat zij, mijn neus krachtig tegen hét gat duwde: ‘Tongzoen mij hier, in mijn gat’, klonk het sonoor.

Ik kon niets terugzeggen en besloot kokhalzend mijn tong in hét gat te steken. De fysieke kwelling van een ‘vrouwkind’, bracht naast het genot wat zij bood, bij mij later een castratie angst teweeg: sindsdien droom ik als slachtoffer, vaak dat ik mijn piemel verlies, opraap en weer aansluit aan mijn scrotum. 

Alice, gaf mij, nog een paar avonden ellendig genot. En boeken. In die tijd las ik Darwin en een boekje over het Oog; hoe werkt het oog fysisch-neuraal. En dat in 1962? Alice, gaf mij De Vreemdeling van Camus, De jongeling van Dostojevski, De liefde van Bob en Daphne van Aalberse en nog een paar boeken waarvan ik de titel vergeten ben. Ik herinner mij: ‘Hij streelde haar gezicht en hals met zijn vingertoppen en zei met een zucht: ‘Domme gedachten warrelen door mijn hoofd….’ 

Ook oude schoolboeken Nederlandse taal. 

Mijn leven was toen alleen maar warrelen, wegdromen, lezen en in de schiettent werken, gerund door een man met een scheve mond. Al begreep ik niet alles, er was een nu en dat was genoeg. Deze herinnering helpt mij om de geschiedenis van KERMIS te schrijven.

Natuurlijk, zoals je ergens schrijft, begrijp ik dat het leven uit ‘lust en onlust’ bestaat. Tussen herkennen van lust en onlust, gevoelens die ik zelf niet gekozen heb, daartussen moet ik zoeken wie ik was, ben en wordt. Toch mislukt dit zoeken, het zelf vind ik niet. Eigenlijk vind ik het nu allemaal onzin. Zinvolle onzin. Herinneringen, nooit zijn wat ze waren. 

Het nu van toen, en, 

het nu; dat wat was en is,

is de vraag.

Het bestaan,

het nobele om te lijden,

tussen lust en onlust,

tussen

daar en hier zal ik nooit

mijzelf vinden.

Het echte zoeken kwam maar niet,

het smoorde steeds.

Wanhopig werd ik nooit.

Ik ben nog steeds in leven,

op de baren van wilde zeeën,

het schuim van het gevoel.

Het nu van toen, het nu, dat

is de vraag

Wat toen gebeurde, blijft alleen een fond, een bouillon van getrokken gebeurtenissen over. De lust en onlust, waarmee het brein het hele leven mee speelt. De enige plaats waar de mens zich herkent en nooit een balans in zal vinden.

‘Ik’ herinner niets, maar mijn ‘brein’ herinnert; het dwarrelt als briesje tussen de jonge twijgen van nu, en fluit nieuwe herinneringen over toen. Woorden vol onlust en lust. 

Ik moet niets hebben van gereformeerde taalkunst. Daarin heb je mij altijd in gesteund. 

’Een ander was ik, noch ken ik mij’, schreef Fernando Pessoa.

Altijd een nu. Een nu van toen.

Babel Stad

Spaans jongetje Palmzondag in babel stad Jerez de la Frontera Cádiz Andalusia

Ik woon in babel stad. 

Alles is nieuw en ik zal verdwalen. Ik zal nooit de dingen twee keer hetzelfde zien. Het duurt een tijdje voor ik weet wat ik gezien heb. Het is april en zomers. Straten en pleinen reutelen van mensen, terrassen zoemen van mensenstemmen. Goed opletten iedereen zit en loopt anders. Geen stel benen is gelijk aan die van een ander behalve de dochter en zoon van moeder en vader. Vaders houden hun vingers stevig rond de hand van hun dochters gekneld. Platte tienerbuiken, pubers met teveel vet, adolescenten met zwembandjes, lichamen nerveus giechelend en kletsend, ongeduldig wachten op een terrastafel. Ik sla een smalle straat in. Bovenaan de straat roept een visser of ik verse vis wil kopen. Ik schud van nee. Hij sukkelt met zijn plastic tassen verder de heuvel op. De zon schijnt vel tussen de sinaasappelbloesem. De geur is niet te beschrijven. Bedelaars houden mij tegen. Ik geef ze niets. Moeilijk de blikken te ontwijken. Ik verdwaal in deze stad met haar indrukken. Onderweg denk ik aan hen die het moeilijk hebben elders in vreemde steden en landen, nergens thuis, ontheemd en met heimwee en ongekende driften bezwaren ze het idee ergens toch een thuis te hebben. Zelfs al komen ze uit dezelfde stad. Als tranen woorden waren schreef men niet zoveel. Er valt niet te concurreren met het ‘leven zelf’ schreef Saul Bellow. Ik mijmer, langs eeuwenoude paleiselijke gevels, dat de kunstenaar van de natuur ‘kunst’ maken wil. Schrijven, dat kunnen de meesten, maar literatuur schrijven? Voor alles heb je een gereedschapskist nodig. Heb je die niet? Na een tijdje weet ik wat ik bedoel: Je volgt een cursus creative writing, houd je strikt aande regels en je levert het manuscript in. Waarom zou ik mezelf dwingen om op die manier te schrijven? Ben je jong, gender, zojuist uit de kast gekomen, een blauwe maandag bewusteloos geweest omdat je agressieve moeder een pan spaghetti boven papa’s krant leeg kieperde; vader een dweil van een man is en de adolescent uit een huis vol crisissen vlucht. Als het maar schokkend is. Of neem het geloof dat je onderdrukt en niemand meer goed kan doen; je hormonen slikt omdat je een tussenmens bent, ex-vluchteling, een nymfomane moeder hebt, pedofiele ouders, buiten je moedertaal een andere taal hebt geleerd, kortom als je maar trauma’s hebt opgelopen, de gebeurtenissen het bloed onder je nagels halen, door elkaar geschud. Trauma’s en nog eens trauma’s. Dit denk ik als ik langs het oude Moorse kasteel loop en opkijk naar de hoge muren, de pluimen van ranke palmbomen wuivend in de wind. Mijn vriend vertelde ooit hoe na de oorlog al zijn vriendjes uit de klas niet waren teruggekeerd. Waar is kunst dan voor nodig als de wereld naar de kloten gaat? En dat kunst niet in een museum thuis hoort, het museum zijn fantomen heeft, hoe tegendraads de kunstenaar ook is, hij haalt nooit het niveau van de abjecte werkelijkheid. Iets schokkends zien kan elk moment als je maar de krant openslaat en je ogen openhoudt. Is kunst een troost tegen al dit geweld? Nee, er is geen bescherming meer ook niet in de kunst. Dat is wat kunst doet. Pijn.

Palacio del Virrey Laserna? Pijn. Vanaf de achttiende eeuw. Pijn. 

@robert kruzdlo 2021 april 5

…Kunst,

Pau: waarom bouwen de Catalanen een muur om zich heen? Is een bunker niet genoeg?

Because my mouth is wide of laughter

You do not hear my inner cry.

Hughes Langston

De jonge Spanjaard-Catalaan Pau Marti ontmoette ik jaren geleden tijdens de vlucht van New York naar Barcelona. Hij muzikant-schrijver keerde na vijf jaar Amerika terug naar zijn Spanje, Catalonië. Amerika is nog steeds zijn grote inspiratiebron, als schrijver wil hij in Spanje beroemd worden. Genoeg ervaringen opgedaan in Amerika vond hij het is tijd om in zijn geboortestreek de provincie Gerona Catalonië zijn verhalen te vervolmaken. Alleen, hij had één probleem, een vervelend drukkend probleem…, hij wist niet in welke taal hij verder zou gaan schrijven, in het Spaans of Catalaans en bij welke uitgeverij hij zijn boek zal uitgeven: Catalaanse of Spaanse uitgeverij? (Hij is tweetalig opgevoed.) We spraken geregeld af in cafés in Barcelona, Gerona en jaren later in St. Feliu de Pallerols en steeds ging het over hoe netelig zijn probleem was: de tweetaligheid.  

In Barcelona, de tweetalige hoofdstad van Catalonië (Estat Català) dat in het noordoosten van Spanje ligt, is een meerderheid van de bevolking tegen onafhankelijkheid. In de stad wonen relatief veel niet-Catalanen: Spanjaarden uit andere delen van het land, maar ook veel buitenlanders. Vaak zijn zij helemaal niet voor afscheiding van Catalonië. Tegenstanders worden door ‘independentistas’ veelal afgedaan als fascisten.

Ik heb vaak geschreven over Catalonië en de tweetaligheid, objectiever dan ik geregeld lees in bijvoorbeeld de bijdragen van Lex Rietman in de De Groene Amsterdammer: ik ken alle lagen van de bevolking en als kunstenaar, schrijver, exposant weet ik dat niet iedereen koffie drinkt.  

De ‘independentistas’ , die alleen Catalaans willen spreken, zullen het nooit opgeven -zelfs al moeten ze droog brood eten, zeggen ze- en de voorstanders zijn inmiddels bewust dat de helft of een nipte meerderheid van de Catalaanse bevolking niet voldoende draagvlak heeft voor een onafhankelijke staat: toch noemen zij Catalonië een republiek.*

Al eerder werden pogingen ondernomen om Catalonië los te maken van Spanje. In 1641 riep Pau Claris i Casademunt de republiek uit, toen onder controle van Frankrijk; 1873 door Baldomer Lostau i Prats een proclamatie voor een Catalaanse staat, in 1931 door Francesc Macià i Llussà, in 1934 door Lluis Companys i Jover. In de Catalaanse taal. In 1975 werd Catalonië een autonome regio.

Eeuwen werd in alle kerken in Catalonië de mis in het Catalaans opgedragen. Dat was niet verboden. Eigenlijk werd overal, waar men wilde, het Catalaanse gesproken. Het Spaans, de officiële taal, spraken de meeste Catalanen thuis Catalaans. 42 jaar en sinds 1978 is het Catalaans op basis van artikel 3.2 van de Spaanse grondwet een officiële taal en gelijkwaardig aan het Spaans. Tweetaligheid Spaans en Catalaans, was heel normaal. (Vergelijk dit met het Fries en het Nederlands.)

In 1975 werd Catalonië een autonome regio, maar dat was voor vele Catalanen niet genoeg. Die onvrede uitte zich op 27 oktober 2017. Het Catalaanse Parlement riep Catalonië eenzijdig als een onafhankelijke, democratische en soevereine Catalaanse Republiek uit. De muur werd hoger opgetrokken. Een groep intelligenten en onverzettelijke Spaans-haters met een flinke dosis onderbuikgevoelens, zoals ik vaak heb geschreven, dat een genetische basis heeft, haalde alles uit de kast: zelfs Anna Frank werd er bijgehaald.

Na een onmogelijk referendum 27 oktober 2017, het eenzijdig uitroepen van de republiek Catalonië heeft tot nu toe niemand in Europa of daarbuiten de republiek Catalonië officieel erkend. Spanje, in de greep van de Catalaanse fantasme republiek kijkt toe, hoe de Catalaanse muur, het idee, het fantoom republiek Catalonië, standhoudt en verder wordt verstevigt. Ondanks de minderheid. 

Ik kan het weten.Sinds 1975 kwam ik geregeld in Catalonië. Later ging ik er wonen: Gerona, Salt, Portbou, Selva de Mar, Olot, maar nooit kon ik echt sympathie opbrengen voor de eenzijdige onafhankelijkheidsverklaring die op 27 oktober 2017 plaats vond. Overal werd overheersend Catalaans gesproken maar iedere Catalaan is en bleef/blijft tweetalig: Spaans en Catalaans. Toch werd mij opgedragen vooral Catalaans te spreken, want ik was in Catalonië en niet in Spanje. Dit voelde vaak als repressie. Stel je eens voor dat je in Friesland niet geholpen wordt omdat je geen Fries spreekt. 

De Catalanen hebben een hoge muur om hun fantoomgebied opgetrokken, rond een niet bestaande republiek, en vervolgens beweren zij dat de Spanjaarden een Chinese muur hebben gebouwd rond hun gebied: Spaanse repressie? (Repressie noemt men de matiging van de agressie ten gunste van de socialisatie.) Vanmorgen las ik hoe slecht Catalonië, economisch, onderwijs, zorg en sinds 2008 niet instaat om binnen hun fantoomrepubliek de gezondheidszorg te verbeteren, ervoor staat. (El Pais, La Vanguardia.) Ik zal het niet over de epidemie hebben.  

Een minderheid van de Catalanen hebben genen, hormonen en neurotransmitters die hun politieke wil sterk beïnvloedt en bepaalt. Sinds 1640 toen de Fransen onder Lodewijk de XIII uit Catalonië verdwenen waren, stond het genetisch vast dat de Catalaan een eigen gebied wilde, liefst met een denkbeeldige muur, om indringers te beletten hun akkers, havens en nijverheid te bezetten. De Catalaanse identiteit een sterk onderbuik verlangen, werd keer op keer de Catalaanse staat uitgeroepen, hun erfelijke, sterk emotionele aanleg, hield de illusie levend, zo is uitgekomen en bestaat het fantoomrepubliek Catalonië uit emoties. Tenminste dit zijn mijn gedachten, ik spreek hier voor mijzelf. En ik weet dat ik geen gelijk heb, mits straks de uitslag van een nieuwe stemming in Catalonië laat zien dat ik wel degelijk gelijk had: meerderheid voor samenwerking met Spanje is. Intelligentie moet het winnen van teveel aan emotie?        

Schrijvers hebben het er maar moeilijk mee.

Catalonië heeft zeven en een half miljoen inwoners, waarvan er, zoals gezegd, maar twee en een half miljoen zijn die het Catalaans als moedertaal spreken en schrijven. Volgens de statistieken, beheerste eind twintigste eeuw, zestig procent van hen het Catalaans redelijk tot goed. En vrijwel alle moedertaalsprekers van het Catalaans spreken ook uitstekend Spaans. De meeste Catalanen zijn, genetisch tweetalig. Dit zal nooit veranderen zegt Pau.

Het Catalaans is welbeschouwd maar een kleine taal. Het heeft vier miljoen moedertaalsprekers, waarvan er twee en een half miljoen in Catalonië rondlopen. Dat zo’n kleine taal een uitstekende literatuur met internationaal bekende kunstenaars heeft voortgebracht, zoals Joseph Pla, Salvador Dali, Antoni Gaudi, Joan Miró, Antoni Tàpies, Pablo Casals en ga zo maar door: allemaal wereldburgers.

Jaren later, sprak ik met Pau weer over zijn heikel probleem, de tweetaligheid. Hij weet het nog steeds niet of hij zijn boek in het Spaans of Catalaans zal publiceren. Spaans vindt hij vaak mooier, rijker, meer mogelijkheden om zijn gevoel te uiten dan het Catalaans en dat wreekt hem, omdat zijn familie, vrienden willen dat hij solidair moet zijn met de Catalaanse taal en ideologie. Tegenover mij heeft hij het over literatuur die geen land hoeft te vertegenwoordigen: de wereld liever. Hij voelt zich een wereldburger, houdt niet van opgesloten te worden door eisen van zijn moedertaal. Hij lijdt daaronder. En niet alleen Pau. 

Pau is geboren in een klein Spaans-Catalaans dorp. Op jonge leeftijd pleegde zijn vader zelfmoord. Op zijn twintigste vertrok hij als muzikant naar Hollywood, en obsessief dacht hij bekend te worden: welk teenager denkt dit niet. Hij dacht zijn vader te kunnen vergeven en het drama definitief achter zich te kunnen laten. Hij trouwde. Na vijf jaar keerde hij terug naar Spanje. Inmiddels schreef hij verhalen over Amerika, zijn mislukte huwelijk, depressies, de zelfmoord van zijn vader, zijn familie en cultuur, en, de wereld waarin hij leeft.

Zijn verhaal klinkt door op de literaire pagina’s van de Spaanse kranten. Hoe hij als Catalaan de wereldliteratuur leest, waardeert en bekritiseert en vooral hoe het op zijn Catalaans moet, hoe je het een Catalanen moet uitleggen en hoe de wereldliteratuur invloed heeft op het Catalaans: hoe hij en al die andere Catalaanse schrijvers beïnvloed zijn door de wereldliteratuur. Vooral niet als Spanjaard. Pau, leest de wereldliteratuur, in het Spaans: er is meer te vinden in het Spaans dan in het Catalaans, zegt hij. Boeken van de schrijvers als Doaa Al Zamel, Marx Communist Manifest, verdiept zich in het kinder-vluchtelingenprobleem en de verschillen tussen oost west, noord en zuid. Black and White. Leest de bijbel, Gita, Quran en Flaubert, Proust, Beauvoir, Sagan allemaal in de Spáánse vertalingen. Pau ervaart dat er een hek, een muur geplaatst is tussen het Catalaanse en het Spaanse literatuur. Hij zegt dat hij twee zielen in een zijn borst heeft: moedertaal Catalaans en het Spaans. Een Catalaan moet Catalaans denken en vooral dromen dat de taal, het Catalaans net zo rijk is als het Spaans of welke andere taal dan ook. Niet, …vindt hij. Hij wil geen repressie en onderdrukt worden door de eisen van de Catalaanse taal: weg van al de Catalaanse decadente repressies, zo noemt hij het. Wordt nu eens wakker intellectueel Catalonië!

Dus Pau blijft in beide talen zijn verhalen schrijven en als hij opzoek gaat naar een uitgever, dan blijft het een groot dilemma, wroeging als hij toch in zee gaat met een Spaanse uitgeverij. Zijn  familie vindt dat hij zich moet opofferen voor de familie-eer: heb je moedertaal lief en niet het Spaans. Catalonië is en blijft tweetalige provincie. Het heeft een unieke tweetalige literatuur. Of, zoals iemand schreef in El Pais en het probleem op typisch Spaanse wijze formuleerde: Zij lezen, schrijven en neuken in twee talen.

Het Catalaans en het Spaans heeft altijd onder spanning gestaan. Zo ken ik oudere mensen in Catalonië die nog steeds geen Catalaans kunnen lezen en schrijven: allemaal de schuld van Spanje, zeggen ze? ** Dat zij het zichzelf nooit hebben eigengemaakt geeft te denken als je weet -ik zeg nog maar een keer- dat in de rooms-katholieke kerkdienst en thuis altijd Catalaans gesproken werd, ook in de periode van Franco: de kerk had zieltjes nodig en het werd door Spanje nooit verboden. Tussen 1983 en 1993 werd het Catalaans ingevoerd op de scholen. Nu zijn er berichten dat het Spaans taalonderwijs langzaam aan het verdwijnen is en verhuizen families naar elders of het buitenland omdat hun kinderen geen goed Spaans onderwijs krijgen. 

Limburgers hebben zichzelf op een natuurlijke manier Limburgs geleerd, dat nog steeds niet op school gesproken mag worden, zelfs verboden op het schoolplein, maar…, vraagt Pau zich af, waarom hebben Catalanen zich met een beetje doorzettingsvermogen hun moedertaal in schrijven en lezen nooit eigen gemaakt? Zoals zij beweren: dat het verboden was en het de schuld van Spanje is? Ik begrijp Pau zijn schizoïde gevoel en denken. Hoe kan een intelligent iemand hiermee omgaan, vraag ik hem. Mijn voorbeeld, zegt Pau, is Thomas Bernhard en William Faulkner, daar vind je weinig geluk, gekanker, geen gemaaktheid, zonder compromissen en vooral…, zonder walging. De Catalanen zoeken in het genetische ongeluk hun intelligentie. 

Pau: maar thuis spraken we Catalaans en overal waar dat kon, alleen het werd vroeger niet onderwezen op school, zegt hij. Literatuur is altijd gebonden aan een dorp, vrienden en familie, maar echte literatuur heeft géén vaderland, literatuur gaat over de wereld, over alle mensen en niet over een genetische aanleg. Schrijven heeft niets met een land te maken, het land heeft met dubieus schrijven te maken. Wie vrij is heeft geen muur om zich heen nodig.

Waarom bouwen de Catalanen een muur om zich heen?

Pau, laat zich, ondanks de druk van zijn Catalaanse familie, vrienden en kennissen om vooral Catalaans te schrijven, lezen en denken, inspireren door de wereldliteratuur Frans Kafka, Fjodor Michajlovitsj Dostojevski, Gustave Flaubert, de Amerikaan William Faulkner, Nathalie Serraute, Lydie Salvayre enzovoorts.

Pau, is als tweetalige schrijver, verscheurd door de huidige politiek en culturele situatie en hij weet nog steeds niet hoe hij zijn familie moet uitleggen dat hij vooral kiest voor het Spaans. Er zijn bijvoorbeeld twee toonaangevende dichters, Pere Gimferrer en Joan Margarit, die zowel in het Catalaans als in het Spaans publiceren. Margarit heeft zelfs tweetalige bundels uitgegeven, waarin elk gedicht twee versies heeft: een in het Catalaans en een in het Spaans. Och er zijn meer voorbeelden te vinden: in het Catalaans voor de familie, vrienden en voor de centen in het Spaans, zegt Paul.

Ik zeg: Eduardo Mendoza is bekend geworden met zijn Catalaanse romans die zich zeer tastbaar in Barcelona afspelen, maar even gemakkelijk en virtuoos weet hij in ‘De neergang van Madrid de sfeer van schijnbaar iedere straatsteen en ieder café in Madrid op te roepen in het Spaans. ***

Het pijnlijk verschil tussen het Catalaans en het Spaans, moet je niet alleen voelen, zegt Pau. Het is een genetisch probleem, vertel ik hij, daardoor is het verwarrend en vooral de druk die hij vooral nu voelt, de sociale en politieke druk van de fantoom republiek der letteren, en, dat niet zo lang geleden verwoord werd door de gevluchte voormalige Catalaanse ex-president Puigdemont die in ballingschap in België leeft -in een artikel in El Pais- pleit voor een ‘intelligente’ democratische confrontatie met Spanje? Door de Spaanse repressie, zegt hij, heeft Spanje een muur gebouwd tussen Catalonië en Spanje, maar die heeft scheuren gekregen…, en omdat wij die muur gaan slechten, houdt dat het proces tot een erkenning en onafhankelijk vrij Catalonië levend. Wij zullen nooit buigen. (El Pais 22 augustus 2020.) En zo gaat het verhaal over de muur heen-en-weer. 

Paul: als Catalonië werkelijk onafhankelijk wordt blijf ik ook in het Spaans schrijven, want wie heeft hier nu een muur gebouwd? De muur aan beide zijden is misschien even sterk, dat is het dilemma van de genetische aanleg van de Catalaan: hij zal het nooit opgeven al loopt Catalonië zichzelf in de weg en tegen een muur op.

Ik moet denken aan Paulus die de dienstbaarheid der verderfenis, waaronder de ganse schepping zucht. Fantomen van het leven, hoe groot, sterk, schoonst en het edelst is gedoemd tot verdwijnen. Literatuur is de kracht die dit kan laten zien zonder muren op te trekken en er is er maar een stad, land en natuur, dat is de wereld en niet Catalonië of welk ommuurd land dan ook.

@Robert Kruzdlo 2020 Spanje.

Reageren: Walter.joseph.zlo@gmail.com

*Dank aan Annebeth Vis Barcelona Tips.

**Volgens gegevens uit 2001 van de statistische afdeling van de gemeente Barcelona begrijpt 95% van de bevolking in Barcelona het Catalaans, kan 74,6% het spreken, kan 75% het lezen en kan 47,1% het schrijven. 

***Mendoza brak internationaal door met De stad der wonderen (1985), dat wat mij betreft nog altijd dé roman over Barcelona is. De romans die de Barcelonese auteur daarna schreef, zijn ongelijk van kwaliteit. Nu eens trakteerde Mendoza op een verhaal waarvan je opveerde of zelfs een goed humeur kreeg, dan weer stelde hij teleur met een nogal bloedeloos boek. De neergang van Madrid (2010) is weer een hoogtepunt. Het oogt minder spectaculair dan De stad der wonderen maar doet daar nauwelijks voor onder. Het verhaal speelt zich af in de eerste helft van 1936, toen de politieke geschillen in de Spaanse hoofdstad Madrid steeds hoger opliepen en ten slotte helemaal uit de hand liepen en tot de Burgeroorlog leidden. Zoals gebruikelijk bij Mendoza is het verhaal doorspekt met ironie en slapstick, maar het gevoel dat je uiteindelijk bijblijft, is het treurigstemmende besef dat de mens een deerniswekkende stumper is die een potje maakt van de kleine geschiedenis van zijn eigen leven en van de grote geschiedenis van zijn land.

Catalanen: https://nl.wikipedia.org/wiki/Catalanen

Expositie Spanje Robert Kruzdlo

Negen kinderportretten vanaf 1975 tot heden Robert Kruzdlo

Er zijn volgens mijn intuïtie vier bronnen waar een kunstenaar uit kan putten. Maakt niet uit hoe diep de put is. Hoe langer de ketting hoe mysterieuzer de vier heilsleren zijn, de werking van het brein is. De bron van het ego kan behoorlijk schreeuwen, echoën en razen, de ziel fantaseren en het brein goochelt zich een tussenweg: hij is oppermachtig.

De meeste kunstenaars geloven alleen in de drie-eenheid: ego, hart en ziel. Ik geloof in een ‘état mixte’ het brein en het beleven. Het bubbelen bewustzijn. De beleving staat niets in de weg, het gaat zijn weg. Tussen beleving en het brein speelt zich het mensenleven af. Tussen buiten- en binnenwereld. Dit Tussenmens is in staat te overleven. Niet-lineair en niet chronologisch, voortdurend zijstappen, verleden en toekomst door elkaar gehusseld, elke betekenis krijgt weer een andere betekenis. Door miljoenen-, miljardenbeelden op te slaan in het brein krijgt ieder zijn eigen plek als tussenmens. Niemand heeft hetzelfde breinarchief, daardoor is ieder mens uniek en vrij. Vrij?

Niet over mekkeren, wees trots. Vrijheid is het beste idee en geloof, sterker dan wat en welke cultuur dan ook. Wie vertelt de waarheid? De schrijver of het brein met zijn gigantisch depot. Zelfs meer als je alle computers van de wereld met elkaar verbind. Blijf geloven.

Ik verzamel een serie kinderportretten. Vanaf 1975 schilder en teken ik kinderen. November exposeer ik deze kinderportretten in Gerona Spanje. Nu ik die gezichtjes zie, denk ik aan het bovenstaande: ze zijn nog niet verpest.

Wie steekt het licht in de duisternis van ons brein aan? Ik niet, ook een zelf, ziel of geest niet. Dan doen neuronen.

W.F. Hermans schreef: “De werkelijkheid zwijgt. Zij toont alleen wat wij zien, en spreken doet zij helemaal niet. Zij geeft op onze vragen alleen antwoorden die we zelf onder woorden brengen – en ook die grotendeels niet overeenkomstig de waarheid.”

..

 

@robertkruzdlo