Parakleet

Robert Kruzdlo 1956

De Parakleet.

Ik ga opnieuw de bijkeuken, met vier afgebladderde muren en een zwartgeblakerd plafond, binnen. In de hoeken hangen loom stoffige spinnenwebben. De gootsteen boordevol met vuile vaat. Een dode witte hoen haan ligt op de rand van het aanrecht, met zijn kop naar beneden. Tussen de muren gespannen waslijnen zijn afgeladen met wasgoed. Van de ruiten stroomt condens. Op de rotte vensterbank liggen plassen water die ‘s nachts opvriezen. De zon kan niet binnendringen. In de bijkeuken schemert de dag en er brandt altijd een peertje licht. Een magere vrouw, mijn moeder, zit ineengedoken voor de kachel. Het vuur danst in haar ogen. Moeder staart onzalig, licht voorovergebogen naar de brandende kolenkachel. In haar ene hand een koperen pook en in de andere een peuk. De ellebogen rusten op haar knieën. Op haar witte handen en gezicht flakkeren de schaduwen van het vuur. Haar handen hebben veel doorstaan. Achter haar rijen wasgoed: handdoeken, washandjes, hemden, onderbroeken, badstof maandverbanden, nylonkousen en de trouwjurk. Vanuit de keuken, de enige verwarmde ruimte van de villa, zijn door het met ijsbloemen begroeide raam vaag de besneeuwde tuin en het hellingbos te zien. Zacht als een verbleekte foto. Gister heeft moeder ook niets gezegd. Ze spuugt op de kachel voor ze er kolen in schept.

Om haar schouders heeft moeder een deken geslagen. Ze heeft het altijd koud. Het liefst zit ze op de kachel, zo kouwelijk zijn haar blik en handen. Onafgebroken rookt ze met de hand gerolde sigaretten, die bij het inhaleren fel oplichten. Een paar seconden later verlaat de sigarettenrook tegelijk neus en mond. 

…in een flits, komt uit moeders oren rook.

Moeder wil niet weten hoeveel ik van haar houd. 

‘Liefde moet ergens zijn, maar waar, in het mortuarium?’ heeft ze ooit gezegd. Ze zou in razernij ontsteken als ik toch zal zeggen: ‘Moeder ik houd van u.’ 

Nu weet ik het niet meer. Wat betekent liefde en wat kunnen woorden zoals liefde nog zeggen? Liefde eindigt in pijn en verdriet. Ik kan mij geen moment herinneren dat liefde iets was dat je kunt voelen. Warmte zou ik willen. Maar wat is de wil waard? 

‘Het is hier koud,’ zegt ze steeds, ‘verdorie wat is het hier koud. Ik voorspel jullie, mijn leven zal nog een tijdje duren, met of zonder liefde.’

…moeder is een stofnest.

Ze kamt haar haar niet meer. Het elastiek dat haar haar in een knot bijeen houdt, zit vergroeid. Uit haar afgedragen sloffen steken haar tenen. Met een snedige stem: ‘Wat sta je daar nu weer?’

Ik schrik, moeder in haar zelfkastijdenkooi met onzichtbare tralies, die alles smoort en verteert in stilte heeft iets gevraagd. Ik weet dat ik niet moet antwoorden. Alleen het geroezemoes van de brandende eierkolen is te horen, vuur is haar enige troost. Er is niets te redden dan wat blijft. Het nu. Ik weifel, wat zal ik doen? 

De stilte maakt me gek. Woorden die geen vlees meer worden. Ik durf haar niet aan te raken en het over mijn ziekelijke heimwee te hebben. ‘s Nacht huil ik. 

…wat sta je daar nu? Straks schiet je wortels.

Hitte en kou. Wij beoordelen elkaar onophoudelijk verkeerd. Het bewustzijn, de geest en de taal hebben zich verstopt. Metafysisch hebben de woorden geen enkele nut. Haar schaduw, de schaduw van de was op de met ijsbloemen begroeide ramen gaat boven de metafysica uit. Daarom kijkt moeder geobsedeerd naar de vlammenzee. Haar onsterfelijkheid is dat je van haar geen beeld of afschaduwing kunt maken. 

Mentaal heeft zij zich afgekeerd van de wereld, de werkelijkheid en de feiten. De wereld om haar heen stelt niets voor. Ze is klaar. Vandaag is het mijn laatste dag. Vandaag vertrek ik met overgrootmoeder Pointilleux of Pieter en oma An naar Domburg, Zeeland. Naar een villa aan de voet van de hoogste duin van Nederland. Er zijn ook een bos, tuin en een aparte lagere school voor katholieken en protestanten en niet-gelovigen, heeft oma gezegd. Moeder, die wil blijven.

…sta daar nou niet zo, wil je onkruid.

Op de door de houtworm aangevreten poten van de keukentafel staat op het plastic tafelkleed bezaaid met brandplekken, kratertjes als ogen, een pot zelfgemaakte pruimenjam met schimmel. Er ligt een rond witbrood van twintig cent dat stinkt, een mes met een bakelieten heft steekt in een homp donkergele boter. Een verbrande snee brood op een Verkade theelichthouder. Een gedeukte aluminium koffiepot. Het is negen uur in de ochtend. Ik sta in de deuropening en wacht op een commando. 

Moeder heeft de sigaret tot een stompje gerookt. Als ze bijna haar lippen of vingers verbrandt, opent ze nonchalant, met haar pantoffel, de klep van de kachel en schiet ze met duim en wijsvinger het stompje sigaret tussen de heten kolen. Onmiddellijk rolt ze een nieuwe. Met haar witte tong likt ze vanuit het midden van het vloeitje naar rechts, dan naar links, drukt de plakkant aan en steekt de sigaret met een opgerolde krantensnipper aan. Ze kreunt en hoest nooit.

…godganselijke dag en blijf daar niet zo staan.

Geruisloos loop ik naar het aanrecht vol vuile vaat. Uit de kraan druppelt cijferloos per seconde water. Het maakt dat alles tijdloos is. Een teiltje is tot de rand gevuld met ongeschilde aardappelen vol kiemende scheuten, een pier kruipt over de rand, een lange regenworm. Hij valt kronkelig op de granieten vloer. De paarse kop van de dode witte haan die over de granieten aanrecht hangt, was gister nog rood. Nu zwart en met uitpuilende ogen, hard als steen.

…zijn dode hersencellen weten dat we hem hebben vermoord.

De besmeurde hakbijl ligt naast hem. In een aardappel steekt een mes zonder heft. Op de kachel kookt het water. Straks gaat overgrootmoeder de haan kaalplukken. Ik draai de kraan dicht. Ik wil op de pier gaan staan.

…kijk niet zo, zegt moeder zonder mij aan te kijken.

Moeder kijkt naar het gebroken mica glas waarachter vlammen dansen, in kleuren, rood, geelblauw, oranjezwart en soms paarsrood. Naast de kachel staat een onopgemaakt bed. Een kolenkit met eierkolen uit de staatsmijn Emma. Plotseling draait moeder zich om.

…waar kijk je nu naar, nu ja zeg?

Ik schrik. Ze richt zich eindelijk op. Ik vrees haar, maar gelukkig beweegt ze. Ik kijk naar haar stoffige, uitgedroogde gelaat, dat door de vuurgloed in haar gelaat getrokken is. Ik zeg: ‘De haan bloedt niet meer, er ligt bloed op de vloer.’ 

‘Het moet ergens heen,’ zegt ze en staat op. Eindelijk.

…ga eens opzij wil je.

Overgrootmoeder en grootmoeder komen bonkend van de houten trap. Ze hebben boven alle kamers van de villa geïnspecteerd en keren teleurgesteld terug de bijkeuken in: ‘We hebben niets meer,’ met een zucht, ‘alles hebben die kerels weggehaald, zelfs het slaapkamerzeil hebben ze meegenomen. Moeder graait in haar schortzak.

…een stapel post, zegt moeder en sta daar niet zo, ga sneeuw scheppen.

‘Hoe kom je aan die post?’ vraagt grootmoeder en zet grote ogen op. Ze gaat zitten met haar boezem op de keukentafel.

…wat maakt dat nu uit?

Het hellingbos ligt verscholen in een doffe witte mist. De ijzel die uit de kruinen van de bomen valt, ploft op de sneeuw en boort gaatjes in het tapijt. Op de sneeuw ligt een zilver laagje ijs waarin mijn voetstappen van gister nog te zien zijn. Het enige wat ik kan, is kijken, zonder een woord zien. Door het raam, tussen de was door, kijk ik naar moeder. Haar rug heeft mimiek. Haar rug hoort in een andere ruimte en nu niet hier, bij haar. Ze heeft veel meegemaakt.

Overgrootmoeder zoekt in haar tasje naar haar bril en zakdoek. In het geval dat ze de post moet doornemen en moet huilen. Getergd kijkt ze tussen de onderbroeken met veters naar buiten. Ze kijkt met een blik van een blinde en denkt: gaat hij nu sneeuwscheppen? Ze ziet iets anders dan er is. Misschien alleen de ijsbloemen? Mij ziet ze niet staan.

Krakend verdwijnen mijn schoenen in de verse sneeuw. Dan draai ik mij om en kijk naar de villa. De villa die, behalve de bijkeuken, leeg is gehaald, verbeurd verklaard is en elk moment kan moeder uit huis geplaatst worden. De villa lijkt op een oude foto. Korrelig en rafelig. Wij, overgrootmoeder, oma en ik hebben onze koffers veilig in de kelder verstopt. De autoriteiten kunnen mij verder geen pijn meer doen, heeft moeder gezegd, en dat lucht op.

…pijn dat doe ik mezelf wel aan.

Voor de mannen het huis kwamen leegruimen, heeft moeder met hulp van klissende crapuul uit de Stokstraat, een hoerenbuurt, waardevolle dingen verpatst. Daarmee heeft ze de rekeningen van de kroeg betaald en wat over was in een oude sok onder het aanrecht verstopt. Je zou in het centrum van de stad, de kroeg, in het tweedehandswinkeltje De Traan, antiekwinkel Koperpoets en misschien in cafés naar de spullen kunnen zoeken. Die gedachten doet pijn. Onderwijl schep ik sneeuw, een pad van de voordeur naar de straat. Dat heeft moeder gezegd, nu weet ik het weer.

…een vrouw is met haar geslacht betrokken bij alle dingen van het leven, maar dan heeft ze wel een kerel nodig, een vent om haar recht te halen.

Bezweet slenter ik door het besneeuwde verwilderde. De sneeuw kraakt en knerpt. Ik luister aandachtig naar mijn voetstappen. Vroeger bloeiden de seringen, wit en paars en de kersenbomen, nu staan er alleen zwarte stompjes, die boven de sneeuw uitkomen. De zaadbollen van de uienbloemen op paarsachtige stengels zijn bevroren. De twijgen van de bessenstruiken staan roerloos diepzwart axonaal. De pruimenboom is er ook niet meer. De wortels onder de sneeuw, de zelfdenkende zeefcellen, de zelfdenkende wortels zullen nieuwe zelfdenkende twijgen maken. Er komt geen mens aan te pas. De laatste zomer heb ik met een huisschaar het gras stukje bij beetje geknipt. Blaren op mijn vingers. De geur zal ik nooit vergeten. Sinds moeder raar doet, wil geen kind met mij spelen en als dat toch gebeurde, wist ik in paniek niet wat te doen. Dat heb ik nog steeds. Ik sla alle uitnodigingen af. 

Kan de definitieve verlossing, het einde van deze situatie nu eindelijk beginnen? Immers, in de villa zal er nooit meer een bed voor mij staan. Met een vertrokken mond maak ik krakend een sneeuwbal en gooi die zo hard ik kan tegen de ruit van mijn slaapkamer. In de ruit komen barsten, gooi harder sukkel! De sneeuw plakt aan het gebroken glas, maar de ruiten breken niet. Nog harder. Wie zal de ruit vernieuwen? Een wak komt in de ruit, dan splijt het in stukjes. Mijn leven, stukjes glas die tussen de besneeuwde pioenstruik vallen. Oma’s lievelingsplant. 

‘Waarom, weet ik niet, met moeder gaat het steeds slechter, waarschijnlijk heeft ze nog een kans, als ze de poot van de haan opeet’, heeft grootmoeder gezegd.

De woordloze stilte in de tuin, de villa, het bos, maakt dat de wereld, de werkelijkheid simpel in elkaar zit. Ik voel geen woede, machteloosheid noch haat, nee, eerder opluchting dat het verleden geen recht meer heeft van spreken. Heimwee zit niet in de dingen. Het zit in ruimtes, tussen mijn hersenweefsels en windsels, in het geluid van een uilenroep, tussen de sterren en… Verder kom ik niet.  

Er sneuvelt nog een ruit. Ik hoor gevloek. Ineens is alles anders. Ik zie niemand, schreeuw terug. Van de dakgoot vallen geen mussen van de kou. 

De definitieve heimwee achter mijn ogen zeurt onafgebroken aan mijn kop, liever had ik dat gevoel nooit toegelaten, nu is het te laat. Mijn tranen blijven droog. Ik zal de herinneringen naar elders meenemen en als je het met je meedraagt, gaat het nooit meer weg. In stilte blijft het bij je, diep begraven in je hoofd. Daar gaat het een eigen leven lijden. Ik moet denken aan de kop van de witte haan. 

Als het stil is, zoals nu, is de tijd er niet. In de villa mag geen klok de tijd aangeven, had moeder gezegd. Overgrootmoeder heeft haar wekker verstopt. Oma heeft gelukkig haar Swiss reiswekkertje nog. Tik, tak, tik komt vaak ongevraagd in mijn hoofd terug. De wereld bestaat niet uit dingen, hij bestaat uit zelfdenkende hersencellen.

…ben je NU al terug?

Met tintelende vingers klop ik de sneeuw van mijn broekspijpen. Mijn vingers doen pijn. Schoenen heb ik in de gang achtergelaten en nu sta ik op mijn sokken te verkleumen met mijn schouder tegen de deurpost van de bijkeuken. Hoe moeder de ruimte inneemt, is verstikkend. Ik kan niet in dezelfde ruimte erbij. Toch is er genoeg ruimte voor een olifant, haar lievelingsdier. In deze verstikkende vochtige ruimte heeft iedereen net genoeg ruimte om te ademen. Zelfs dan nog weet ik de weg niet. Op het aanrecht ligt nog steeds de bijl, besmeurd met zwart hanenbloed. De bijl rust uit, denk ik. Op de brandende kachel staat een pan water waarin de geplukte haan drijft. Altijd staat er een pan met borrelend water op de brandende kachel. Zo wordt de was nooit droog. Onder mijn voeten ligt een plas.

…heb je nu de sneeuw bij de voordeur weggeschopt?

Ik knik. Ze denkt dat ik lieg. Moeder weet dat wat zij denkt, dat ik dat denk. Ik denk, wat zij denkt dat ik denk. Als ik iets heel anders denk, denkt zij het ook te weten, dat ik weet dat zij dat weet. Dit leidt ertoe, zo las ik later, dat we zo verstrikt raken in deze situatie waaruit je bijna onmogelijk lijkt te kunnen ontsnappen aan de regels die wij hebben gemaakt en dat is wat ik wil begrijpen. Ik doe mijn jas uit en hang die aan de deurpost. Mijn sokken ruiken naar frisse modder.    

…de bomen, het bos, die moeten ook afscheid nemen van ons, vraag niet hoe, dat weten alleen de bomen, die weten alles.

Ze haalt diep adem en begint te hoesten. Ik ga geruisloos zitten, de geur van de bouillon zit in mijn buik te roeren, terwijl dat helemaal niet kan.

De pier kronkelt onder de kachel. Overgrootmoeder heeft de veren in een papieren zak gedaan, maakt het bebloede mes schoon en kijkt mij aan zonder dat ze mij ziet. Ik schrik en zwaai met mijn hand. Ze schrikt. Op haar voorhoofd parelt zweet. Wat vraagt zij zich af? De pier kronkelt om moeders vinger. Ze legt het met een glimlach op de kachel. Ik knik en bijt op mijn tong. Overgrootmoeder laat pruttelend scheten. In haar onderbroekspijpen verzamelen zich de drollen. Ze loopt vloekend naar het toilet. De pier sist.

…de nachten zijn helder genoeg, de zon hoeft niet meer op te gaan.

‘De zon,’ zegt grootmoeder, ‘is een wereld in brand.’

Ik hoor de wind in de kachel meerstemmig rochelen. Moeder opent het deurtje van de kachel en stookt het vuurtje op. De vuurtongen schieten naar buiten. Verduisterd vlamlicht

…er komt een moment dat de wereld niet meer bestaat.

Ze loert tussen haar oogharen naar mij. 

…ga jij nu eens ergens anders zitten alsjeblief, wil je.

Op een stoel voor het raam probeer ik naar buiten te kijken. Ik blaas tegen de ruit en krab met mijn duimnagel de blaadjes van de ijsbloemen weg. Tussen de zwarte boomstammen dwaal ik af. Elke opening tussen de bomen ken ik. Het licht kraakt. Een windje is komen aanwaaien. Poedersneeuw stuift tegen het raam. Sneeuw dwarrelt hier en daar van de bomen. De kruinen trillen, barsten in de granieten lucht. Met een korrelig zonnetje op het innerlijk behang vraag ik mij af: hoe vaak zat ik hier?  

Boomwortels. Wortels die de kelder zijn binnen gegroeid. Boomwortels die onder de aarde verbonden zijn. Alle bomen van het bos hebben contact met elkaar, mensen niet. Mensen verplaatsten alleen lucht. In de omgeving van de villa hebben alle bomen van het hellingbos, dat in Limburg staat, Nederland, Europa, over de hele wereld contact met elkaar en berichten elkaar over elk ongeval, rottende, vermolmde, stervende en de dode bomen. Droom ik? Natuurlijk droom ik, ook ik mag een woordje meespreken. De wortelberichten zijn alleen binnen in de boom te horen en als je hoog in de kruin van de boom klimt en je laat vallen, hoort de boom de val. Ik droomde eens in de kruin van een boom dat ik in de lucht kon fietsen of wilde ik toen dood? Ik ben toen uit de boom gevallen. Lees het volgende verhaal maar eens.  

Boomwortels groeien door mergelsteen keldermuren. Eerst onzichtbaar komen ze cel voor cel, millimeter na millimeter, de vochtige kelderruimtes binnen. Als het regent, voeren de wortels cel voor cel een riviertje hemelwater de kelder binnen. De mens is ook van cellen gemaakt. Die cellen weten precies wat ze moeten doen. Je hoort ze niet denken, toch doen ze wat ze moeten doen. Ze bouwen ons op als levende wezens met een geest. Dat weet elke boom in ons hoofd.

…blijf met je vingers van de knoppen van de radio.

De bomen in het bos huilen niet, alleen als de sneeuw smelt of de wind huilt door de takken. Onze ogen kunnen verteren en smelten, huilen doen ze niet. Er is iets anders dat huilt. Of toch, maar dit komt pas later, nu niet. Als moeder mij recht in de ogen kijkt, smelt ik. Ik los op. Ben er niet. 

Onderwijl heeft overgrootmoeder de haan in stukjes gesneden en terug in de pan gedaan. Oma was ik vergeten, die maakt de ingewanden schoon. 

‘Kom snij jij de uien eens,’ zegt oma. Ik moet huilen omdat ik de uien moet snijden. Onderwijl het snijden huil ik ook echt. Ik smelt. Oma zegt dat dat door de uien komt.

…ik heb geen honger.

Moeder beweegt heen en weer op haar stoel. 

Als…, moeder beweegt, ze komt nauwelijks van haar plaats. Ze rilt. Als ze nu opstaat, zal iedereen schrikken.

De klok boven de deur van de wasruimte heeft een witte plek achtergelaten. De wijzers zijn onzichtbaar achtergebleven. De wijzers van de klok draaien langzaam naar boven en dan weer naar beneden, Sisyphus arbeid. Er zijn hooguit een paar uur opgegaan op de plek waar de klok heeft gehangen, een eeuwigheid. De eeuwigheid duurt nu langer, hoelang nog weet ik niet. Dat komt omdat nu alles in de breedte gaat. Onbeweeglijk staat beweeglijk de tijd weg te tikken. Overgrootmoeder gelooft in het Hiernamaals. Oma in de eeuwige wederkeer. Met alles drop en draan. Ik geloof alleen in het nu. Dus…

…wanneer vertrekken jullie? vraagt moeder stram aan overgrootmoeder.

Overgrootmoeder en grootmoeder zeggen tegelijk dat ze nog niet willen vertrekken. Toch moet het nu eenmaal. Eenmaal is bijna onverstaanbaar ‘Einmahl’, mompelt moeder. Na een lange stilte, terwijl ze naar haar handen kijkt.

…kom, jullie moeten toch maar eens gaan.

De soep staat op de kachel te pruttelen. De bouillondruppels spatten uit de pan en rollen sissend over de hete plaat van de kachel. Moeders omfloerste stem:

…wanneer vertrekken jullie verdorie nu?

Het was misschien haar stem, maar lang niet meer dan een aflatende zucht. Ze zucht woorden, al hoor je ze nauwelijks. Wij horen de woorden, kuch en zucht en daarbij rookt ze als een schoorsteen. Als ze slikt, heeft ze een adamsappel.

…laat mij maar in rook opgaan.

Iedere keer als ik dromerig naar de lege plek, waar de klok heeft gehangen, kijk en luister naar het druppelen van de kraan, die elke seconde aangeeft, wordt het kijken steeds dromeriger, waardoor de werkelijkheid steeds verder vervaagt. De ingewanden van de haan komen boven drijven. De vrouwen. Overgrootmoeder haalt de vochtige was van de lijn. Grootmoeder veegt de vloer. Moeder stookt de kachel op. Een wervelwind van stof en geuren verbindt ons en ook weer niet.

…haal jij eens een kit eierkolen uit de kelder.

Ik had het niet gehoord, ik droomde het en dus reageerde ik niet. 

…jij luistert niet.

Moeder kijkt mij met grote ogen aan. Haar lippen zijn gespannen, strak en opgerekt. Van haar wijd opengesperde ogen weerkaatst een vreemd licht, leeg en kristalhelder boos. In de pupillen zitten barstjes, scheurtjes. Haar woede is een uitbarsting van oud zeer, dat weet ze, maar ze kan er niets tegen doen. Ik ben hét. Ik, de dromer die langzaam verdwijnt, verdwijnen zal, moet. Op zulke momenten lukt het haar een lava van oud zeer, gloeiende modder, als een vulkaan, over mij te spugen. Misschien heeft ze het gezien, ik krimp ineen. Alles doet ze met een blik.

…jullie luisteren niet.

Ik laat moeder nu even spreken: Tussen de rookflarden kijk ik naar Ans’ treurig gezicht en haar haarknot. Snik. Grijs, alles bij haar is grijs. Overgrootmoeder kijkt naar de keukenvloer, haalt de bezem en begint de keukenvloer te vegen. Stof dwarrelt op. Ze heeft eerst het hanenbloed van de keukenvloer verwijderd. Ze zucht, zet de bezem in de hoek, veegt het hoopje stof op en loopt de gang op. Ik hoor de gangdeur, die met een knal opengaat. Vastgevroren. Ze klopt het blik uit. Ze komt terug en samen met overgrootmoeder lopen ze de gang op omdat zij mij geen blik gunnen. Zoonlief volgt. Je kunt van hen op dit moment geen greintje liefde verwachten. Wat anders dan? Geld is er niet. Ze denken dat ik dood wil. Natuurlijk ga ik liever dood dan dat ik dit allemaal nog langer moet meemaken. Die nuduurt mij té lang. Met die smoelwerken om mij heen, afhangende mondhoeken, driftige ogen, zo flets als spoelwater, daar heb ik geen zin in. Ze gunnen me het vuur, de slagader, de aorta van het leven niet. Luisteren, dat doen die vrouwen… toch niet. Zoonlief, hoort alles. 

Mijn dromen hebben heel veel geld gekost en we zijn nu blut. Kijk toch, die An, ze heeft mij altijd geholpen, toch ging het iedere keer weer mis. 

…gaan jullie even op de trap uitrusten, zeg ik opgewekt, de mensen van de gemeente komen mij zo halen.

Ik zeg het niet hardop: Fallilp, jongen, het heeft geen zin om daar als een gespannen boog in de deurpost te blijven hangen. Waarom toch? Mijn tijd komt heus wel, wees maar niet bang mensen. De geschiedenis van mij is niet te beschrijven, door te vertellen vertel je niets. Wie kan nu in mijn brein kijken? Alleen ik kan dingen zien in mijn brein, zonder ogen. Wacht, luister:

Ik wil hier niet langer blijven, zegt grootmoeder tegen overgrootmoeder, laten we nu gaan.

…jullie kunnen voor mij de hort op en neem de pan bouillon maar mee.

 Ik sta weer in de deuropening. Uit de kookpan met de kip komt aangebrande ranzige bouillonlucht. Afscheid is niet mogelijk. Weggaan wel. Nu moeder weet dat iedereen weg wil. In een beweging kan ik moeder tegen de kachel drukken. Haar hoofd op de kachel duwen en tegen oma roepen: Alice, moeder is voorovergevallen. Overgrootmoeder en oma staan, met hun koffers, in de hal te wachten. Ze geloven het wel.

‘Wat ruikt het hier ineens naar verbrand varkenshaar,’ roept oma amechtig vanuit de hal. Een kreet van bevrijding is te horen. De bomen weten er alles van. De schaduw van het hellingbos licht op. Het wordt verschrikkelijk stil. Tot oma haar koffer optilt. Ze mompelt: ‘Wat zal ze blij zijn als we opgehoepeld zijn.’

Ze is eindelijk in de hel, lieg ik, en loop naar de hal. 

An, dik ingepakt, stapt richting de keuken en staat stil op de drempel. Ze kijkt onthutst naar de omgevallen aangebrande hanensoeppan. Ze doet haar ogen dicht en perst tussen haar gesloten ogen zwarte tranen. Overgrootmoeder staat achter haar en heeft in haar broek geplast. Haar gelaat heeft de kleur van witlof. Ze moet het warm hebben. Ze zegt: ‘Het is al verleden, over, wat kunnen we doen?’ 

De bomen in het bos weten het allang: dat. Ik heb haar nog nooit zo gelukkig gezien. Ze slaapt. Ik had gelijk, uit haar oren komt rook.

Ik heb altijd tegen moeder gezegd, ik help u niet. ‘Blijf maar in de buurt’, had ze gezegd, had ze weken geleden al gezegd. ‘Dan kun je het aan iedereen vertellen.’

Een onzichtbare hand zal het werk doen.  

Overgrootmoeder en oma staan als twee kleine kinderen in de hal te snikken. De houten vloer kraakt onder hun voeten. De geuren, via de keuken, naar de kelder, via de wortelgaten in de keldermuur naar het bos, van het hellingbos naar provinciale domeinen, Europese natuurparken, werelddomeinen en naar alle werelddelen van Noord- tot de Zuidpool vertellen het verhaal. Moeder haar blik, houtskool verkleurde ogen, zwart, handpalmen paars, bewoog ze? Wil zij mij aanraken. Dat is niet beloofd, toch?  Alle bomen in het bos weten ervan, tot aan de andere kant van de oceaan.

Dat vinden overgrootmoeder en oma ook, want die hebben dit allemaal min of meer voorspelt, ze kan me wat! Vreemd dat mensen tegelijk aan hetzelfde kunnen denken en niets ondernemen. Nee, ik doe het niet, zeg ik tegen mijzelf op de gang. Zoals beloofd − ik kijk naar de twee vrouwen − ik ben in haar buurt gebleven. Punt. Niemand heeft de geschiedenis een andere wending willen gegeven. Daarom zijn we hier. We gaan ervoor, heeft moeder gedacht. De lucht in de gang is kil en smerig. Ik ril. Hard trek ik de keukendeur achter mij dicht. Wij schuifelen met onze koffers uit de vestibule, via het bordes de trappen af, de straat op. De sneeuw blijft gevaarlijk aan onze schoenen vastzitten, de lucht is fris. In de verte ploegt een auto door de sneeuw en komt onze kant op.

Niets vermoedend zegt de chauffeur, die in de auto blijft zitten: ‘Ben ik op tijd?’

Tot onze enkels staan we in de sneeuw. ‘Alice, we gaan’, zegt oma en kijkt naar het bordes. 

‘Nu kan alles nog meer stuk’, zeg ik hardop. Niemand luistert. 

Ik weet niet of die zin klopt. Toch heb ik me uitgedrukt als een dwaas die de waarheid kent. Achter de villa stijgt zwarte rook op. Ik ren naar boven en trek de voordeur hard dicht. 

‘We hebben de open haard geblust,’ zegt oma tegen de chauffeur en stapt met tegenzin in de auto.

De chauffeur opent de achterklep en doet de koffers in de achterbak. 

Even is het zo stil, waardoor er niets gebeurt. Kan gebeuren. We kijken elkaar aan. Overgrootmoeder zegt dat ze ijskoude billen heeft. Ik ruik niets.

We zien het nu, we kijken ernaar, als naar een film. Wat we moeten doen? Vertrekken.

‘U weet waar u heen moet?’ zegt An. 

Ik verzin de antwoorden op de vragen die niemand mij stelt. Moeder is door het vuur gegaan, moeder werd langzaam as. Of moet ik zeggen, vooral met minder bijvoeglijke naamwoorden, die het erger maken dan het al is, dat de geluiden van de kachel anders waren. De vuurhitte brulde, vuurtonen als tonen uit orgelpijpen, een requiem. De stank, hoe leg ik de stank uit? En dan moeder, hoe vertel ik ooit iemand hoe u veranderde en verkleurde, als een houtskooltekening. Over haar gezicht trok het vuur, uit haar gelaat haar ogen en uit haar oren kwam rook, denk ik op de achterbank. En haar zenuwen komen tot bedaren, zwart als verbrand papier stijgt moeder op naar de hemel. Water. Moeder haatte water. Niemand zal mij geloven. Bomen houden van water, niet van vuur.

Het is wel iets anders dan je jaszakken volstouwen met stenen en de rivier inlopen. Gas, een oven hadden we niet.

Als de auto slingerend wegrijdt, kijkt niemand om. In de zijspiegel zie ik de villa kleiner worden, tot een punt en dat was het dan. Iedereen weet wat het einde betekent van een verhaal, net bij een film, Fine, het doek wordt sneeuwwit.

We zijn − als de wortels van de bomen − op weg naar ons nieuwe huis in Domburg Zeeland. Een villa in de duinen. Mijn brein heeft geen enkel belang bij de herinneringen. De herinneringen vechten het zelf maar uit. Wie ben ik om daar iets aan te veranderen. De natuur overleeft alles. Hoe wreed iets ook is. Tot de laatste boom, op aarde. Zo is de natuur, water, aarde, lucht, vuur. De zon. 

Ik zal altijd volhouden dat het de vrije wil van het noodlot was.

Het is vreemd dat wij het kleinste van een atoom en tegelijk het einde van de oneindigheid niet kunnen zien. Oneindigheid heeft geen einde? Het kleinste van het kleinste is misschien het niets, dat wij nooit zullen zien. Precies tussen het kleinste en het grootste in staan wij. Dit heeft moeder gezegd: ‘Omdat wij niet alles weten, weten we niets.’ 

Niet alles kan precies gezegd worden. Een klein deel misschien.

.

Hoofdstuk uit het korte verhaal De Parakleet uit de bundel Sneeuwpoeierke.

Robert Kruzdlo New Jersey USA 2022

Neerlandistiek: Dit is mijn lichaam dit is mijn mijn woord.

Een nieuwe tekening op Neerlandistiek. Klik hier. Er is veel meer op de website Neerlandistiek te vinden. Soms reageer ik op een collum: ‘IK’ is een spinachtige die een web maakt tussen de (werkelijke) werkelijkheid en het breingebeuren. (Tussenmens.) Je kunt ook, in plaats van ik, het woordje ‘HET’ gebruiken. Het denkt, het voelt etc. Het doet het etc. Misschien lees je nu een comateuze situatie: Een comateuze patiënt ligt met de ogen gesloten en kan grimasseren of terugtrekken op een pijnprikkel, maar lokaliseert niet, maar een schrijver doet niet anders. Als kunstenaar doe je niets anders dan uit de gevangenis van taal te ontsnappen en erin terugkeren. Manon heeft als kind dit snel doorgehad.

Interessant is de serie over Manon Uphoff

..

La Morales

Tapasbar Casa La Morales Sevilla Spanje 7 mei 2022 Robert Kruzdlo

Ieder die verslaafd is zit diep in een knoopverslaving.

Stel…, dat uit de leegte iets verschijnt, plotseling een gewelddadigste herinnering, iemand, iets, een handeling en je in diepe schaamte onderdompelt?

Pau Austess

‘Ik ben een voorstander van ‘postkritiek’ de poging om nieuwe vormen van lezen en interpreteren te vinden die verder gaan dan de huidige methoden van kritiek, kritische theorie en ideologische kritiek. Maar, ik ben géén voorstander van de huidige postkritiek, die in allerlei schakeringen het voetlicht hebben gehaald. Ik ben voor postkritiek als, …als diegeen die kritiek geeft ook de regels van zijn eigen kritiek ondermijnt. Met het beeld van ‘Tussenmens’ in je gedachten kan dat.’ 

Toen ik dit gezegd had, keek ze mij aan: Als God, heet ze, Misja dus, kijkt mij met grote ogen aan. Haar lippen strak en opgerekt. Van haar wijd opengesperde ogen weerkaatst een vreemd licht, leeg, kristalhelderboos en ze voelt zich ineens ongemakkelijk; de nekspieren gespannen, komen haar lippen even van elkaar. In de pupillen zitten barstjes, trauma scheurtjes, woede van oud zeer, dat weet ze, maar ze kan er niets tegen doen. Het komt door mij, ík ben hét. Ik de dromer die langzaam achter het behang moet verdwijnen. Op zulke momenten lukt het haar niet de lava van oud zeer, gloeiende modder, als een vulkaan, niet over mij heen te spugen. Misschien heeft ze het gezien: ik krimp ineen. Ik maak mij zo klein mogelijk. Ik doe het voor haar…

In een interview zegt Misja, dat er een leegte in haar is. Door de leegte waarschijnlijk, koopt ze kleren en heeft ze inmiddels een halfton schuld. Ze draagt de kleren niet, ze stapelt ze op, op zolder bij papa en mama. Haar ex had eerst nog begrip voor haar en hoopte dat ze ‘de leegte’ met iets anders zou vullen. Kleptomanie neen…, en ook niet door weer een kapstok aan nieuwe kleren te kopen. Echtscheiding. Psychologen, filosofieën, helder verstand, het kon niet baten.  

‘Misja, zeg ik, je bent ‘KNOOPVERSLAAFD”.

Ik heb al beschreven hoe ze mij dan aankijkt.

Knoopverslaving is iemand die een vak heeft geleerd en desondanks niet weet hoe een mensenleven in elkaar zit. Elk boek is daar getuige van: je raakt verknoopt met wat in het boek staat. Je kunt als taalkundige proberen uit te leggen wat het boek te vertellen heeft, maar het blijft projectie, je getuigt van een zelfopvatting. En dat kun je vakmatig doen. Welke wetenschapper dan ook, je bent de klos van je eigen vak.

‘Misja,’ probeer ik weer, ‘geef eens kritiek op je zelf, vertel mij datgeen wat je aan niemand ooit verteld hebt.’

Zo waar komt er een glimlach.

‘Als ik het je vertel dan krijg ik mijn erven niet…,’ ze huilt.

‘Ik vertel het aan niemand, niet aan jouw, ook niet aan de psycholoog, nee ik lieg, wel dus, maar de psycholoog heeft mij beloofd…,’ door haar snikken kan ik niet verstaan wat ze zegt.

De zon is inmiddels achter de daken verdwenen. Het terras loopt vol. De plakkerige hitte wordt overschaduwd door een lange stilte. Schuldgevoel? Misja drinkt snel. Ik houd mijn mond en ik zie het weer voor mij, hoe ze loslippig dronken haar verhaal vertelt over haar jeugd. Mijn vriend en ik luisteren ingetogen, en kijken haar betekenisvol aan. Ze is dronken en dus hoeven we het niet te menen en dus, dus…, dus zus en zo.

‘Hij, in pyjama, pakte mijn hand die ik op iets hard moest leggen. Een bult. Niet dat ik hierdoor ben beschadigd, nee hoor… .’ 

Maar zei ik, vertel je nu niet letterlijk wat Marguerite Yourcenar heeft beschreven? Oom en het kleine meisje? Incest dat alleen in een puur particulier moment geen schade aanricht.*

‘Nee,’ zei mijn vriend die literatuur studeert, ‘ze verwijst naar Don Miguel en Anna die geen enkele spijt hebben als broer en zus met hun liefdes relatie, maar ze zijn bang, eeuwig in de verdoemenis te geraken, leeg te worden, dus kiezen ze voor boetedoening… .

Op het terras heerst een monotoon geroezemoes. 

’Ik ben knoopverslaafd, zegt Misja. 

Ze staat op om naar de toilet te gaan. Daar kan ze nadenken en als ze terug, met een plof, op haar oude plek gaat zitten zegt ze: ‘Ik dacht dat je alles zat in te vullen, maar nu begrijp ik pas dat het te maken heeft met dat je de leegte wil oplossen en daarmee het probleem.’

Ze omhels me.

La Morales, mijn favorieten tapas bar in Sevilla, we worden dronken. Ik verzin dit natuurlijk allemaal. Maar het helpt. Wie als God wil leven hoeft nergens bang voor te zijn.

Het is allemaal liefde wat hier kraait.

.

De schrijver postkritikaster aan tafel. Schilderij Robert Kruzdlo 1996

Robert Kruzdlo Sevilla Spanje 8 Juni 2022

*Yourcenar, An Obscure Man, heeft het jonge meisje Nathanaël een intieme, fysieke relatie met een man, oom, waarvan ze geniet. Zij weet dat de wereld hem zou veroordelen voor zijn deelname aan wat als onnatuurlijke handelingen worden beschouwd, maar zij weigert te geloven dat haar/zijn oprechte genegenheid voor een andere als verkeerd moet worden beschouwd.  

Zo kan de nieuwe literatuur literatuur zijn…

Wat als de begeerten vat op je krijgt, je je niet kan weren tegenover het brein-gebeuren, de fysische, biologische en neurale inwerkingen dacht ik als ‘flitsmijmeraar’, dat zij dat meisje in de koeien stal, tussen strostof en melkroom, vetgemeste koeien, daar in die vreselijke lucht, dacht ik als ‘flitsmijmeraar’ zij, achter de kruiwagen vol koeienstront zeulend, door 80 millioen neuronen als klein meisje op ‘begeerten’ getrakteerd wordt?, of je nu wil of niet dacht ik toen ik haar boek las, die begeerten wil wat het wil, dat doet de wil toch wel, maar…., zo flitsmijmer ik, maar dan moet je toch als schrijver het wél op deze manier vertellen, dacht ik toen en nog steeds, gewoon eerlijk zijn tegen over je machtige brein.

Tekening Robert Kruzdlo 2020

Babel Stad

Spaans jongetje Palmzondag in babel stad Jerez de la Frontera Cádiz Andalusia

Ik woon in babel stad. 

Alles is nieuw en ik zal verdwalen. Ik zal nooit de dingen twee keer hetzelfde zien. Het duurt een tijdje voor ik weet wat ik gezien heb. Het is april en zomers. Straten en pleinen reutelen van mensen, terrassen zoemen van mensenstemmen. Goed opletten iedereen zit en loopt anders. Geen stel benen is gelijk aan die van een ander behalve de dochter en zoon van moeder en vader. Vaders houden hun vingers stevig rond de hand van hun dochters gekneld. Platte tienerbuiken, pubers met teveel vet, adolescenten met zwembandjes, lichamen nerveus giechelend en kletsend, ongeduldig wachten op een terrastafel. Ik sla een smalle straat in. Bovenaan de straat roept een visser of ik verse vis wil kopen. Ik schud van nee. Hij sukkelt met zijn plastic tassen verder de heuvel op. De zon schijnt vel tussen de sinaasappelbloesem. De geur is niet te beschrijven. Bedelaars houden mij tegen. Ik geef ze niets. Moeilijk de blikken te ontwijken. Ik verdwaal in deze stad met haar indrukken. Onderweg denk ik aan hen die het moeilijk hebben elders in vreemde steden en landen, nergens thuis, ontheemd en met heimwee en ongekende driften bezwaren ze het idee ergens toch een thuis te hebben. Zelfs al komen ze uit dezelfde stad. Als tranen woorden waren schreef men niet zoveel. Er valt niet te concurreren met het ‘leven zelf’ schreef Saul Bellow. Ik mijmer, langs eeuwenoude paleiselijke gevels, dat de kunstenaar van de natuur ‘kunst’ maken wil. Schrijven, dat kunnen de meesten, maar literatuur schrijven? Voor alles heb je een gereedschapskist nodig. Heb je die niet? Na een tijdje weet ik wat ik bedoel: Je volgt een cursus creative writing, houd je strikt aande regels en je levert het manuscript in. Waarom zou ik mezelf dwingen om op die manier te schrijven? Ben je jong, gender, zojuist uit de kast gekomen, een blauwe maandag bewusteloos geweest omdat je agressieve moeder een pan spaghetti boven papa’s krant leeg kieperde; vader een dweil van een man is en de adolescent uit een huis vol crisissen vlucht. Als het maar schokkend is. Of neem het geloof dat je onderdrukt en niemand meer goed kan doen; je hormonen slikt omdat je een tussenmens bent, ex-vluchteling, een nymfomane moeder hebt, pedofiele ouders, buiten je moedertaal een andere taal hebt geleerd, kortom als je maar trauma’s hebt opgelopen, de gebeurtenissen het bloed onder je nagels halen, door elkaar geschud. Trauma’s en nog eens trauma’s. Dit denk ik als ik langs het oude Moorse kasteel loop en opkijk naar de hoge muren, de pluimen van ranke palmbomen wuivend in de wind. Mijn vriend vertelde ooit hoe na de oorlog al zijn vriendjes uit de klas niet waren teruggekeerd. Waar is kunst dan voor nodig als de wereld naar de kloten gaat? En dat kunst niet in een museum thuis hoort, het museum zijn fantomen heeft, hoe tegendraads de kunstenaar ook is, hij haalt nooit het niveau van de abjecte werkelijkheid. Iets schokkends zien kan elk moment als je maar de krant openslaat en je ogen openhoudt. Is kunst een troost tegen al dit geweld? Nee, er is geen bescherming meer ook niet in de kunst. Dat is wat kunst doet. Pijn.

Palacio del Virrey Laserna? Pijn. Vanaf de achttiende eeuw. Pijn. 

@robert kruzdlo 2021 april 5

…Kunst,

Literatuur is Kwantummechanica

Tekening Robert Kruzdlo van Maxim Februari 2020 Andalucía Spanje

Maxim Februari winnaar P.C.Hoofd-prijs 2020 voor Letterkunde.

Het beeld kijkt naar u. Hij ziet u omdat u hem ziet.

Niets is waar of onwaar. Ze zijn alle twee waar. 

Het gebladerte zegt alles; alle boeken zijn gelezen

en vallen in de herfst.

In een lange gerekte stilte komt

alles tot stilstand.

Het ritselt nooit meer, alleen de hemel

zal beslissen waar…

De werkelijkheid kan je beschrijven, de werkelijke werkelijkheid niet.

Elke waarneming verandert de werkelijke werkelijkheid.

Er blijft maar een ding over voor de literatuur

dat is de werkelijkheid.

Impulsmomenten, drift, verstand

zijn twee dingen waartussen de mens staat: Tussenmens.

*

@robert kruzdlo 2020

Pau: waarom bouwen de Catalanen een muur om zich heen? Is een bunker niet genoeg?

Because my mouth is wide of laughter

You do not hear my inner cry.

Hughes Langston

De jonge Spanjaard-Catalaan Pau Marti ontmoette ik jaren geleden tijdens de vlucht van New York naar Barcelona. Hij muzikant-schrijver keerde na vijf jaar Amerika terug naar zijn Spanje, Catalonië. Amerika is nog steeds zijn grote inspiratiebron, als schrijver wil hij in Spanje beroemd worden. Genoeg ervaringen opgedaan in Amerika vond hij het is tijd om in zijn geboortestreek de provincie Gerona Catalonië zijn verhalen te vervolmaken. Alleen, hij had één probleem, een vervelend drukkend probleem…, hij wist niet in welke taal hij verder zou gaan schrijven, in het Spaans of Catalaans en bij welke uitgeverij hij zijn boek zal uitgeven: Catalaanse of Spaanse uitgeverij? (Hij is tweetalig opgevoed.) We spraken geregeld af in cafés in Barcelona, Gerona en jaren later in St. Feliu de Pallerols en steeds ging het over hoe netelig zijn probleem was: de tweetaligheid.  

In Barcelona, de tweetalige hoofdstad van Catalonië (Estat Català) dat in het noordoosten van Spanje ligt, is een meerderheid van de bevolking tegen onafhankelijkheid. In de stad wonen relatief veel niet-Catalanen: Spanjaarden uit andere delen van het land, maar ook veel buitenlanders. Vaak zijn zij helemaal niet voor afscheiding van Catalonië. Tegenstanders worden door ‘independentistas’ veelal afgedaan als fascisten.

Ik heb vaak geschreven over Catalonië en de tweetaligheid, objectiever dan ik geregeld lees in bijvoorbeeld de bijdragen van Lex Rietman in de De Groene Amsterdammer: ik ken alle lagen van de bevolking en als kunstenaar, schrijver, exposant weet ik dat niet iedereen koffie drinkt.  

De ‘independentistas’ , die alleen Catalaans willen spreken, zullen het nooit opgeven -zelfs al moeten ze droog brood eten, zeggen ze- en de voorstanders zijn inmiddels bewust dat de helft of een nipte meerderheid van de Catalaanse bevolking niet voldoende draagvlak heeft voor een onafhankelijke staat: toch noemen zij Catalonië een republiek.*

Al eerder werden pogingen ondernomen om Catalonië los te maken van Spanje. In 1641 riep Pau Claris i Casademunt de republiek uit, toen onder controle van Frankrijk; 1873 door Baldomer Lostau i Prats een proclamatie voor een Catalaanse staat, in 1931 door Francesc Macià i Llussà, in 1934 door Lluis Companys i Jover. In de Catalaanse taal. In 1975 werd Catalonië een autonome regio.

Eeuwen werd in alle kerken in Catalonië de mis in het Catalaans opgedragen. Dat was niet verboden. Eigenlijk werd overal, waar men wilde, het Catalaanse gesproken. Het Spaans, de officiële taal, spraken de meeste Catalanen thuis Catalaans. 42 jaar en sinds 1978 is het Catalaans op basis van artikel 3.2 van de Spaanse grondwet een officiële taal en gelijkwaardig aan het Spaans. Tweetaligheid Spaans en Catalaans, was heel normaal. (Vergelijk dit met het Fries en het Nederlands.)

In 1975 werd Catalonië een autonome regio, maar dat was voor vele Catalanen niet genoeg. Die onvrede uitte zich op 27 oktober 2017. Het Catalaanse Parlement riep Catalonië eenzijdig als een onafhankelijke, democratische en soevereine Catalaanse Republiek uit. De muur werd hoger opgetrokken. Een groep intelligenten en onverzettelijke Spaans-haters met een flinke dosis onderbuikgevoelens, zoals ik vaak heb geschreven, dat een genetische basis heeft, haalde alles uit de kast: zelfs Anna Frank werd er bijgehaald.

Na een onmogelijk referendum 27 oktober 2017, het eenzijdig uitroepen van de republiek Catalonië heeft tot nu toe niemand in Europa of daarbuiten de republiek Catalonië officieel erkend. Spanje, in de greep van de Catalaanse fantasme republiek kijkt toe, hoe de Catalaanse muur, het idee, het fantoom republiek Catalonië, standhoudt en verder wordt verstevigt. Ondanks de minderheid. 

Ik kan het weten.Sinds 1975 kwam ik geregeld in Catalonië. Later ging ik er wonen: Gerona, Salt, Portbou, Selva de Mar, Olot, maar nooit kon ik echt sympathie opbrengen voor de eenzijdige onafhankelijkheidsverklaring die op 27 oktober 2017 plaats vond. Overal werd overheersend Catalaans gesproken maar iedere Catalaan is en bleef/blijft tweetalig: Spaans en Catalaans. Toch werd mij opgedragen vooral Catalaans te spreken, want ik was in Catalonië en niet in Spanje. Dit voelde vaak als repressie. Stel je eens voor dat je in Friesland niet geholpen wordt omdat je geen Fries spreekt. 

De Catalanen hebben een hoge muur om hun fantoomgebied opgetrokken, rond een niet bestaande republiek, en vervolgens beweren zij dat de Spanjaarden een Chinese muur hebben gebouwd rond hun gebied: Spaanse repressie? (Repressie noemt men de matiging van de agressie ten gunste van de socialisatie.) Vanmorgen las ik hoe slecht Catalonië, economisch, onderwijs, zorg en sinds 2008 niet instaat om binnen hun fantoomrepubliek de gezondheidszorg te verbeteren, ervoor staat. (El Pais, La Vanguardia.) Ik zal het niet over de epidemie hebben.  

Een minderheid van de Catalanen hebben genen, hormonen en neurotransmitters die hun politieke wil sterk beïnvloedt en bepaalt. Sinds 1640 toen de Fransen onder Lodewijk de XIII uit Catalonië verdwenen waren, stond het genetisch vast dat de Catalaan een eigen gebied wilde, liefst met een denkbeeldige muur, om indringers te beletten hun akkers, havens en nijverheid te bezetten. De Catalaanse identiteit een sterk onderbuik verlangen, werd keer op keer de Catalaanse staat uitgeroepen, hun erfelijke, sterk emotionele aanleg, hield de illusie levend, zo is uitgekomen en bestaat het fantoomrepubliek Catalonië uit emoties. Tenminste dit zijn mijn gedachten, ik spreek hier voor mijzelf. En ik weet dat ik geen gelijk heb, mits straks de uitslag van een nieuwe stemming in Catalonië laat zien dat ik wel degelijk gelijk had: meerderheid voor samenwerking met Spanje is. Intelligentie moet het winnen van teveel aan emotie?        

Schrijvers hebben het er maar moeilijk mee.

Catalonië heeft zeven en een half miljoen inwoners, waarvan er, zoals gezegd, maar twee en een half miljoen zijn die het Catalaans als moedertaal spreken en schrijven. Volgens de statistieken, beheerste eind twintigste eeuw, zestig procent van hen het Catalaans redelijk tot goed. En vrijwel alle moedertaalsprekers van het Catalaans spreken ook uitstekend Spaans. De meeste Catalanen zijn, genetisch tweetalig. Dit zal nooit veranderen zegt Pau.

Het Catalaans is welbeschouwd maar een kleine taal. Het heeft vier miljoen moedertaalsprekers, waarvan er twee en een half miljoen in Catalonië rondlopen. Dat zo’n kleine taal een uitstekende literatuur met internationaal bekende kunstenaars heeft voortgebracht, zoals Joseph Pla, Salvador Dali, Antoni Gaudi, Joan Miró, Antoni Tàpies, Pablo Casals en ga zo maar door: allemaal wereldburgers.

Jaren later, sprak ik met Pau weer over zijn heikel probleem, de tweetaligheid. Hij weet het nog steeds niet of hij zijn boek in het Spaans of Catalaans zal publiceren. Spaans vindt hij vaak mooier, rijker, meer mogelijkheden om zijn gevoel te uiten dan het Catalaans en dat wreekt hem, omdat zijn familie, vrienden willen dat hij solidair moet zijn met de Catalaanse taal en ideologie. Tegenover mij heeft hij het over literatuur die geen land hoeft te vertegenwoordigen: de wereld liever. Hij voelt zich een wereldburger, houdt niet van opgesloten te worden door eisen van zijn moedertaal. Hij lijdt daaronder. En niet alleen Pau. 

Pau is geboren in een klein Spaans-Catalaans dorp. Op jonge leeftijd pleegde zijn vader zelfmoord. Op zijn twintigste vertrok hij als muzikant naar Hollywood, en obsessief dacht hij bekend te worden: welk teenager denkt dit niet. Hij dacht zijn vader te kunnen vergeven en het drama definitief achter zich te kunnen laten. Hij trouwde. Na vijf jaar keerde hij terug naar Spanje. Inmiddels schreef hij verhalen over Amerika, zijn mislukte huwelijk, depressies, de zelfmoord van zijn vader, zijn familie en cultuur, en, de wereld waarin hij leeft.

Zijn verhaal klinkt door op de literaire pagina’s van de Spaanse kranten. Hoe hij als Catalaan de wereldliteratuur leest, waardeert en bekritiseert en vooral hoe het op zijn Catalaans moet, hoe je het een Catalanen moet uitleggen en hoe de wereldliteratuur invloed heeft op het Catalaans: hoe hij en al die andere Catalaanse schrijvers beïnvloed zijn door de wereldliteratuur. Vooral niet als Spanjaard. Pau, leest de wereldliteratuur, in het Spaans: er is meer te vinden in het Spaans dan in het Catalaans, zegt hij. Boeken van de schrijvers als Doaa Al Zamel, Marx Communist Manifest, verdiept zich in het kinder-vluchtelingenprobleem en de verschillen tussen oost west, noord en zuid. Black and White. Leest de bijbel, Gita, Quran en Flaubert, Proust, Beauvoir, Sagan allemaal in de Spáánse vertalingen. Pau ervaart dat er een hek, een muur geplaatst is tussen het Catalaanse en het Spaanse literatuur. Hij zegt dat hij twee zielen in een zijn borst heeft: moedertaal Catalaans en het Spaans. Een Catalaan moet Catalaans denken en vooral dromen dat de taal, het Catalaans net zo rijk is als het Spaans of welke andere taal dan ook. Niet, …vindt hij. Hij wil geen repressie en onderdrukt worden door de eisen van de Catalaanse taal: weg van al de Catalaanse decadente repressies, zo noemt hij het. Wordt nu eens wakker intellectueel Catalonië!

Dus Pau blijft in beide talen zijn verhalen schrijven en als hij opzoek gaat naar een uitgever, dan blijft het een groot dilemma, wroeging als hij toch in zee gaat met een Spaanse uitgeverij. Zijn  familie vindt dat hij zich moet opofferen voor de familie-eer: heb je moedertaal lief en niet het Spaans. Catalonië is en blijft tweetalige provincie. Het heeft een unieke tweetalige literatuur. Of, zoals iemand schreef in El Pais en het probleem op typisch Spaanse wijze formuleerde: Zij lezen, schrijven en neuken in twee talen.

Het Catalaans en het Spaans heeft altijd onder spanning gestaan. Zo ken ik oudere mensen in Catalonië die nog steeds geen Catalaans kunnen lezen en schrijven: allemaal de schuld van Spanje, zeggen ze? ** Dat zij het zichzelf nooit hebben eigengemaakt geeft te denken als je weet -ik zeg nog maar een keer- dat in de rooms-katholieke kerkdienst en thuis altijd Catalaans gesproken werd, ook in de periode van Franco: de kerk had zieltjes nodig en het werd door Spanje nooit verboden. Tussen 1983 en 1993 werd het Catalaans ingevoerd op de scholen. Nu zijn er berichten dat het Spaans taalonderwijs langzaam aan het verdwijnen is en verhuizen families naar elders of het buitenland omdat hun kinderen geen goed Spaans onderwijs krijgen. 

Limburgers hebben zichzelf op een natuurlijke manier Limburgs geleerd, dat nog steeds niet op school gesproken mag worden, zelfs verboden op het schoolplein, maar…, vraagt Pau zich af, waarom hebben Catalanen zich met een beetje doorzettingsvermogen hun moedertaal in schrijven en lezen nooit eigen gemaakt? Zoals zij beweren: dat het verboden was en het de schuld van Spanje is? Ik begrijp Pau zijn schizoïde gevoel en denken. Hoe kan een intelligent iemand hiermee omgaan, vraag ik hem. Mijn voorbeeld, zegt Pau, is Thomas Bernhard en William Faulkner, daar vind je weinig geluk, gekanker, geen gemaaktheid, zonder compromissen en vooral…, zonder walging. De Catalanen zoeken in het genetische ongeluk hun intelligentie. 

Pau: maar thuis spraken we Catalaans en overal waar dat kon, alleen het werd vroeger niet onderwezen op school, zegt hij. Literatuur is altijd gebonden aan een dorp, vrienden en familie, maar echte literatuur heeft géén vaderland, literatuur gaat over de wereld, over alle mensen en niet over een genetische aanleg. Schrijven heeft niets met een land te maken, het land heeft met dubieus schrijven te maken. Wie vrij is heeft geen muur om zich heen nodig.

Waarom bouwen de Catalanen een muur om zich heen?

Pau, laat zich, ondanks de druk van zijn Catalaanse familie, vrienden en kennissen om vooral Catalaans te schrijven, lezen en denken, inspireren door de wereldliteratuur Frans Kafka, Fjodor Michajlovitsj Dostojevski, Gustave Flaubert, de Amerikaan William Faulkner, Nathalie Serraute, Lydie Salvayre enzovoorts.

Pau, is als tweetalige schrijver, verscheurd door de huidige politiek en culturele situatie en hij weet nog steeds niet hoe hij zijn familie moet uitleggen dat hij vooral kiest voor het Spaans. Er zijn bijvoorbeeld twee toonaangevende dichters, Pere Gimferrer en Joan Margarit, die zowel in het Catalaans als in het Spaans publiceren. Margarit heeft zelfs tweetalige bundels uitgegeven, waarin elk gedicht twee versies heeft: een in het Catalaans en een in het Spaans. Och er zijn meer voorbeelden te vinden: in het Catalaans voor de familie, vrienden en voor de centen in het Spaans, zegt Paul.

Ik zeg: Eduardo Mendoza is bekend geworden met zijn Catalaanse romans die zich zeer tastbaar in Barcelona afspelen, maar even gemakkelijk en virtuoos weet hij in ‘De neergang van Madrid de sfeer van schijnbaar iedere straatsteen en ieder café in Madrid op te roepen in het Spaans. ***

Het pijnlijk verschil tussen het Catalaans en het Spaans, moet je niet alleen voelen, zegt Pau. Het is een genetisch probleem, vertel ik hij, daardoor is het verwarrend en vooral de druk die hij vooral nu voelt, de sociale en politieke druk van de fantoom republiek der letteren, en, dat niet zo lang geleden verwoord werd door de gevluchte voormalige Catalaanse ex-president Puigdemont die in ballingschap in België leeft -in een artikel in El Pais- pleit voor een ‘intelligente’ democratische confrontatie met Spanje? Door de Spaanse repressie, zegt hij, heeft Spanje een muur gebouwd tussen Catalonië en Spanje, maar die heeft scheuren gekregen…, en omdat wij die muur gaan slechten, houdt dat het proces tot een erkenning en onafhankelijk vrij Catalonië levend. Wij zullen nooit buigen. (El Pais 22 augustus 2020.) En zo gaat het verhaal over de muur heen-en-weer. 

Paul: als Catalonië werkelijk onafhankelijk wordt blijf ik ook in het Spaans schrijven, want wie heeft hier nu een muur gebouwd? De muur aan beide zijden is misschien even sterk, dat is het dilemma van de genetische aanleg van de Catalaan: hij zal het nooit opgeven al loopt Catalonië zichzelf in de weg en tegen een muur op.

Ik moet denken aan Paulus die de dienstbaarheid der verderfenis, waaronder de ganse schepping zucht. Fantomen van het leven, hoe groot, sterk, schoonst en het edelst is gedoemd tot verdwijnen. Literatuur is de kracht die dit kan laten zien zonder muren op te trekken en er is er maar een stad, land en natuur, dat is de wereld en niet Catalonië of welk ommuurd land dan ook.

@Robert Kruzdlo 2020 Spanje.

Reageren: Walter.joseph.zlo@gmail.com

*Dank aan Annebeth Vis Barcelona Tips.

**Volgens gegevens uit 2001 van de statistische afdeling van de gemeente Barcelona begrijpt 95% van de bevolking in Barcelona het Catalaans, kan 74,6% het spreken, kan 75% het lezen en kan 47,1% het schrijven. 

***Mendoza brak internationaal door met De stad der wonderen (1985), dat wat mij betreft nog altijd dé roman over Barcelona is. De romans die de Barcelonese auteur daarna schreef, zijn ongelijk van kwaliteit. Nu eens trakteerde Mendoza op een verhaal waarvan je opveerde of zelfs een goed humeur kreeg, dan weer stelde hij teleur met een nogal bloedeloos boek. De neergang van Madrid (2010) is weer een hoogtepunt. Het oogt minder spectaculair dan De stad der wonderen maar doet daar nauwelijks voor onder. Het verhaal speelt zich af in de eerste helft van 1936, toen de politieke geschillen in de Spaanse hoofdstad Madrid steeds hoger opliepen en ten slotte helemaal uit de hand liepen en tot de Burgeroorlog leidden. Zoals gebruikelijk bij Mendoza is het verhaal doorspekt met ironie en slapstick, maar het gevoel dat je uiteindelijk bijblijft, is het treurigstemmende besef dat de mens een deerniswekkende stumper is die een potje maakt van de kleine geschiedenis van zijn eigen leven en van de grote geschiedenis van zijn land.

Catalanen: https://nl.wikipedia.org/wiki/Catalanen

Expositie Spanje Robert Kruzdlo

Negen kinderportretten vanaf 1975 tot heden Robert Kruzdlo

Er zijn volgens mijn intuïtie vier bronnen waar een kunstenaar uit kan putten. Maakt niet uit hoe diep de put is. Hoe langer de ketting hoe mysterieuzer de vier heilsleren zijn, de werking van het brein is. De bron van het ego kan behoorlijk schreeuwen, echoën en razen, de ziel fantaseren en het brein goochelt zich een tussenweg: hij is oppermachtig.

De meeste kunstenaars geloven alleen in de drie-eenheid: ego, hart en ziel. Ik geloof in een ‘état mixte’ het brein en het beleven. Het bubbelen bewustzijn. De beleving staat niets in de weg, het gaat zijn weg. Tussen beleving en het brein speelt zich het mensenleven af. Tussen buiten- en binnenwereld. Dit Tussenmens is in staat te overleven. Niet-lineair en niet chronologisch, voortdurend zijstappen, verleden en toekomst door elkaar gehusseld, elke betekenis krijgt weer een andere betekenis. Door miljoenen-, miljardenbeelden op te slaan in het brein krijgt ieder zijn eigen plek als tussenmens. Niemand heeft hetzelfde breinarchief, daardoor is ieder mens uniek en vrij. Vrij?

Niet over mekkeren, wees trots. Vrijheid is het beste idee en geloof, sterker dan wat en welke cultuur dan ook. Wie vertelt de waarheid? De schrijver of het brein met zijn gigantisch depot. Zelfs meer als je alle computers van de wereld met elkaar verbind. Blijf geloven.

Ik verzamel een serie kinderportretten. Vanaf 1975 schilder en teken ik kinderen. November exposeer ik deze kinderportretten in Gerona Spanje. Nu ik die gezichtjes zie, denk ik aan het bovenstaande: ze zijn nog niet verpest.

Wie steekt het licht in de duisternis van ons brein aan? Ik niet, ook een zelf, ziel of geest niet. Dan doen neuronen.

W.F. Hermans schreef: “De werkelijkheid zwijgt. Zij toont alleen wat wij zien, en spreken doet zij helemaal niet. Zij geeft op onze vragen alleen antwoorden die we zelf onder woorden brengen – en ook die grotendeels niet overeenkomstig de waarheid.”

..

 

@robertkruzdlo