Ik herinner mij de academie als een hel en een hemel van gipsen naaktbeelden.

In de rode cirkel Robert Kruzdlo en student met zonnebril kunstcollega Rein de Lege. 1975

Twee weken boven de veertig graden. De warmte drukt op mijn ogen. De zon bijt. Ik ken de hitte van mijn reizen: Tunesië, zuid-Marokko, de Sahel en uit mijn jeugd: toen het teer van de strandhuisjes smolt. 

Spanje, waar ik sinds 2017 woon, heeft nog altijd als land iets eigendommelijks gehouden: de siësta de pauze voordat het tweede bedrijf van de dag begint. Dan zijn de straten broeierig leeg, het stof schroeit en in de schaduwen van de huizen vinden de eenzamen hun weg. 

Om negen uur s’avonds, eindelijk, verlaat ik mijn appartement. Tijd voor een wandeling door het stadscentrum. Tjirpende krekels en schemerige terrassen. Onder sinaasappelbomen drink ik wijn uit Cádiz. Plotseling verlang ik naar Der Ring des Nibelungen.

Ik vraag aan de ober een pen en papier:  “…de overdonderende herinneringen aan mijn jeugd, het hete duinzand, lege strand met hier en daar hoofden die uit een kuil staken — meestal Duitse toeristen — de helse jaren op de academie, de hitte van mijn schilderlokaal, het zwetende model en de zweterige glijpartijen van een vrijage. De naakte beelden, gipsen beelden van soms wel 5 meter hoog geven geen krimp. Waarom moet ik hier ineens aan denken? 

Op de Rijksakademie van beeldende kunsten was ik een eenling, eenzaam tussen de contacten, talentvol tekenaar en voor sommigen was ik een monstrum; dan werd er hard gelachen! ‘Pestkop, bommenkop,’ zei moeder vroeger. Eenzaam bleef ik mijzelf trouw. Ik wilde zeggenschap krijgen over mijzelf, herkenbaar voor elke student, op zoek naar de vrijheid van de kunstenaar — dat niemand je kan bijbrengen — slagen in stilte. De ander, zonder succes, opzoek naar het vrije kunstenaarschap bleef uiterst verward en zwervend van hot naar her, zoekend, ploeterend onder de ploeteraars. het waren onvergetelijke dromers en voortdurend in discussies over kunst. Aangepast aan den noden en uiteindelijk na het einde van de tunnel te hebben bereikt; verzuchten dat ze eindelijk hét licht zien, sterven in hun eigen kunstenaars-gereedschapskist.”

De enige raad die ik heb zijn mijn indrukken. 

Ik borg de notitie op en vergat wat ik geschreven had.

Ik werd iemand anders en zwierf nog lang door de stad.

Een groepje jonge vrouwen in hotpants, waaronder de plooien van hun billen rollen, dansen de flamenco; hun armen en handen draaien als kurkentrekkers in de lucht. Er wordt gelachen en ongeduldig gedronken. Het heeft iets biologisch…

Het is twee uur s’nachts. 

In bed luister ik naar Der Ring des Nibelungen.

Betaalde onzin van Arnon Grunberg en volgzame Cobrablabla.

Onthoofding theorie van Arnon Grunberg. (Klik hier)

(…) Ik merk op de markt, dat het niet goed gaat. Na een nogal rumoerige ronde over de markt, bieden de verkopers smekend hun laatste waar van de dag aan. Bij Mama, die lams-, geiten en schapenvlees verkoopt idem. In de vitrine liggen ontvelde geiten-, schapenkoppen die mij met doodsbange ogen aankijken. De bebloede gevilde hoofden met een rij scherpe tanden, alsof ze tegen mij lachen, hebben allemaal dezelfde kleur ogen, zwart. Bloedrullig liggen de hersens, kloten, harten, levers, een hoop pens, een kom nieren en darmen te verschralen. Dikke vliegen grommen om mij heen. Schilderachtig. *

Ik moet denken aan het karkasschilderij Le boeuf van Joods-Franse schilder Chaïm Soutine die karkassen van ossen naar zijn atelier sleepte. Hij kwakte kilo’s verf op het doek, om de stinkende karkassen zo natuurlijk te schilderen, om redenen die ik niet ken. Misschien een oerdrift¿

Waar is kunst dan voor nodig als de wereld naar de kloten gaat? Kunst hoort niet meer in een museum thuis, die is overal te zien. De schoonheidsfantomen van het museum als bijvoorbeeld van de geamputeerde schrijvers Arnon Grunberg, hoe tegendraads de kunstenaar ook is, hij haalt nooit het niveau van de abject werkelijkheid. Grünberg heeft geen mening hij taalt en taalt tot in het oneindige. Hij is als schrijver een “woordblender” zonder ooit de diepte in te gaan blijft hij veilig met zandwoorden strooien. Hij zegt nooit iets, hij spreekt. Nee dan is dit toch beter: TUSSENMENS. Dan maak ik liever reclame dat niet de kunst kunst is maar waar hét vandaan komt. En daarvoor heb je meer woorden nodig dan het kletspraatje dat Grünberg hield…

Iets schokkends zien kan elk moment…, als je maar de krant openslaat en je je ogen openhoudt. Schoonheid in de kunst een troost tegen al dit geweld? Nee, er is geen bescherming meer, geen troost en vooral niet in de kunst. Die is een en al de dood. Dat is wat kunst doet. Pijn. De schoonheid van dystopie is pijn hebben zonder troost.

Pijn in de kunst Robert Kruzdlo 2020



*Uit het boek: De Kolonel.

Robert Kruzdlo Cadiz 2022 Andalusië Spanje.

Poëtica prop van KIRAC monoloog.

Bestel een nieuw hoofd bij KIRAC

Onderstaande woorden, zijn de woorden van KIRAC medewerkers. Door mij aaneengeregen en als een mozaïek over de vloer uitgespreid. Waarom? Nu, dit zijn de echo’s van hun woorden waarvan ik vind dat de semantiek heel bijzonder is.

Wij zijn solidair met de slachtoffers van de kunsten, wij HEERLIJK HELDER KIRAC zalven de culturele zonden want je vecht altijd tegen je (de) cultuur en… je wordt daardoor door de cultuur beloond, cultuur is een onbevredigd genieten, grappig de dood te zien in onze cultuur…, leven met tegenstrijdige gevoelens, bottom up, top down, zwart wit, dat portret laten zien, de innerlijke tegenstellingen, niet één kant als het cynisme laten zien van jezelf maar ook het hondse: zoals je ouders ook waren, en, hun voorouders, de biologie van de mens, balanceren op een koord van de homeostase, balans…, de kunst moet hier naar kijken, (sic, zegt de woordvoerster van KIRAC) hier een portret van maken, ontmaskeren, ledigen en je vijand in jezelf omarmen, de tegenstelling van het neuraal innerlijk en de dove werkelijkheid, dat moet de kunstenaar laten zien, deze feiten zijn saai, daar kun je géén geld mee verdienen, niemand zal je uitnodigen om de verscheurde mens die hij eigenlijk is te laten zien, KIRAC wil op een nieuwe manier met de waarheid omgaan, met de KUNST, gewichtloos tussen wat in je brein en in de werkelijke werkelijkheid, enzovoorts.

Eigenlijk is wat Robert Kruzdlo TUSSENMENS noemt een antwoord op KIRAC waterval. Hoe je je ook verplaatst, van de ene plek naar de ander, vanuit het binnen, vanuit het buiten, de natuur maakt je slachtoffer en niet de cultuur, KIRAC of de critiek. In de tijd van Honoré Balzac (Tours20 mei 1799 – Parijs18 augustus 1850) waren de problemen precies hetzelfde als nu: Libertijnse stront. Zelfs Markies de Sade bewees dat je in alle gaten van de libertijnen kon neuken, pissen enzovoorts. M.a.w. ‘Tussenmens-kunstenaar’ kent deze plek, is zich bewust van zijn lichaamsgewicht, hij weet zijn plaats en pas dan … als zij/hij het lef heeft de onzin van zijn zinvolle projectie in te zien, en dat inzien = het HET genoemd wordt: HET BEWUSTZIJN, daarover heeft KIRAC het natuurlijk niet. Jammer.

Is er WEL één antwoord mogelijk op al deze KIRAC bagger, het libertinisme: de liefde¿

Helaas…, liefde duurt korter dan het leven van een kunstenaar. Op naar een nieuwe stront riekende beschaving. Leven de vrijheid, maar dan zonder dat een ander zijn macht oplegt op een ander lokaal noem je dit kunstkritiek. KIRAC verkoopt nieuwe denkkoppen op laagwater. KIRAC analyseert zich het gompes, haar kunstkritiek is niet meer dan dunne diaree van al hetzelfde in nieuwe knetterende letters.

Wordt vervolgd.

Barcelona Robert Kruzdlo april 21 2022

Babel Stad

Spaans jongetje Palmzondag in babel stad Jerez de la Frontera Cádiz Andalusia

Ik woon in babel stad. 

Alles is nieuw en ik zal verdwalen. Ik zal nooit de dingen twee keer hetzelfde zien. Het duurt een tijdje voor ik weet wat ik gezien heb. Het is april en zomers. Straten en pleinen reutelen van mensen, terrassen zoemen van mensenstemmen. Goed opletten iedereen zit en loopt anders. Geen stel benen is gelijk aan die van een ander behalve de dochter en zoon van moeder en vader. Vaders houden hun vingers stevig rond de hand van hun dochters gekneld. Platte tienerbuiken, pubers met teveel vet, adolescenten met zwembandjes, lichamen nerveus giechelend en kletsend, ongeduldig wachten op een terrastafel. Ik sla een smalle straat in. Bovenaan de straat roept een visser of ik verse vis wil kopen. Ik schud van nee. Hij sukkelt met zijn plastic tassen verder de heuvel op. De zon schijnt vel tussen de sinaasappelbloesem. De geur is niet te beschrijven. Bedelaars houden mij tegen. Ik geef ze niets. Moeilijk de blikken te ontwijken. Ik verdwaal in deze stad met haar indrukken. Onderweg denk ik aan hen die het moeilijk hebben elders in vreemde steden en landen, nergens thuis, ontheemd en met heimwee en ongekende driften bezwaren ze het idee ergens toch een thuis te hebben. Zelfs al komen ze uit dezelfde stad. Als tranen woorden waren schreef men niet zoveel. Er valt niet te concurreren met het ‘leven zelf’ schreef Saul Bellow. Ik mijmer, langs eeuwenoude paleiselijke gevels, dat de kunstenaar van de natuur ‘kunst’ maken wil. Schrijven, dat kunnen de meesten, maar literatuur schrijven? Voor alles heb je een gereedschapskist nodig. Heb je die niet? Na een tijdje weet ik wat ik bedoel: Je volgt een cursus creative writing, houd je strikt aande regels en je levert het manuscript in. Waarom zou ik mezelf dwingen om op die manier te schrijven? Ben je jong, gender, zojuist uit de kast gekomen, een blauwe maandag bewusteloos geweest omdat je agressieve moeder een pan spaghetti boven papa’s krant leeg kieperde; vader een dweil van een man is en de adolescent uit een huis vol crisissen vlucht. Als het maar schokkend is. Of neem het geloof dat je onderdrukt en niemand meer goed kan doen; je hormonen slikt omdat je een tussenmens bent, ex-vluchteling, een nymfomane moeder hebt, pedofiele ouders, buiten je moedertaal een andere taal hebt geleerd, kortom als je maar trauma’s hebt opgelopen, de gebeurtenissen het bloed onder je nagels halen, door elkaar geschud. Trauma’s en nog eens trauma’s. Dit denk ik als ik langs het oude Moorse kasteel loop en opkijk naar de hoge muren, de pluimen van ranke palmbomen wuivend in de wind. Mijn vriend vertelde ooit hoe na de oorlog al zijn vriendjes uit de klas niet waren teruggekeerd. Waar is kunst dan voor nodig als de wereld naar de kloten gaat? En dat kunst niet in een museum thuis hoort, het museum zijn fantomen heeft, hoe tegendraads de kunstenaar ook is, hij haalt nooit het niveau van de abjecte werkelijkheid. Iets schokkends zien kan elk moment als je maar de krant openslaat en je ogen openhoudt. Is kunst een troost tegen al dit geweld? Nee, er is geen bescherming meer ook niet in de kunst. Dat is wat kunst doet. Pijn.

Palacio del Virrey Laserna? Pijn. Vanaf de achttiende eeuw. Pijn. 

@robert kruzdlo 2021 april 5

…Kunst,