Parakleet

Robert Kruzdlo 1956

De Parakleet.

  Het hellingbos ligt ongelukkig verscholen in een doffe witte mist. IJzel valt ritselend uit de kruinen van de bomen, smelt van de glazen twijgen en boort gaatjes in de sneeuw, waarin mijn voetstappen van gister staan. Op de sneeuw ligt een fondant zilverlaagje ijs. Het enige wat ik kan is kijken zonder woorden. Door het raam met ijsbloemen, tussen de dampende was door, kijk ik naar moeder – haar mimische rug, voor de brandende kachel. Ze heeft veel meegemaakt. 

  Op de keukentafel ligt een stapeltje post. Overgrootmoeder zoekt in haar tasje naar haar bril en zakdoek. In geval de post weer slecht nieuws brengt. Getergd kijkt ze tussen de onderbroeken met veters, naar buiten. Ze kijkt blindzicht. Kijkt naar binnen en stuit op zachte ijsbloemen op haar ziel? Mij ziet ze niet staan.

  Krakend verdwijnen mijn voetstappen in de verse sneeuw. Ik wil mij voorover laten vallen. Later zal iemand mij moeten vinden maar, ik draai mij om en kijk naar de villa. De villa, behalve de bijkeuken, is leeggehaald en verbeurdverklaard ook kan elk moment kan moeder uit huis geplaatst worden. De villa lijkt op een oude foto, korrelig, rafelig en onscherp. 

‘De autoriteiten kunnen mij verder geen pijn meer doen,’ heeft moeder gezegd,

…pijn dat doe ik mezelf wel aan.

  Voor de mannen het huis kwamen leegruimen – wij, overgrootmoeder, oma en ik hadden onze koffers veilig in de kelder verstopt – heeft moeder, met hulp van het klissende crapuul uit de hoerenbuurt, waardevolle dingen, schilderijen, etsen en de staande klok verpatst. Daarmee heeft ze de rekeningen van de kroeg betaald. Die gedachte doet pijn. Onderwijl schep ik sneeuw, een pad van de voordeur naar de straat en schiet ongenodigd deze zin in mij op:

…een vrouw is met haar geslacht betrokken bij alle dingen van het leven, maar dan heeft ze wel een kerel nodig, een vent om haar recht te halen. (Die had moeder niet.) 

  Kan de definitieve verlossing, het einde van deze situatie nu eindelijk beginnen? Immers, in de villa zal er nooit meer een bed voor mij staan. Met een vertrokken mond maak ik een sneeuwbal en gooi die zo hard ik kan die tegen de ruit van mijn slaapkamer. In de ruit komen barsten: gooi harder sukkel! De sneeuw plakt aan het gebroken glas. Nog harder! Een wak komt in de ruit dan splijt het in stukjes. Mijn leven: stukjes glas die tussen oma’s besneeuwde pioenstruik, haar lievelingsplant, vallen. 

  De woordloze stilte in de tuin, de werkelijkheid zit simpel in elkaar. Ik voel geen woede, machteloosheid noch haat, nee, eerder opluchting dat het verleden geen recht meer heeft van spreken. Heimwee zit niet in de dingen. Het zit in ruimtes, tussen mijn hersenweefsels en windsels, in het geluid van een uilenroep, tussen de sterren en… Verder kom ik niet.  

  Er sneuvelt nog een ruit. Ik hoor gevloek. Ineens is alles anders. Ik zie niemand en schreeuw terug. Van de dakgoot vallen geen mussen van de kou. 

…ben je NU al terug?

  Met tintelende vingers klop ik de sneeuw van mijn broekspijpen. Mijn vingers doen pijn. Schoenen heb ik in de gang achtergelaten en nu sta ik op mijn sokken te verkleumen, met mijn schouder tegen de deurpost van de bijkeuken. Hoe moeder de ruimte inneemt is verstikkend, ik kan er niet bij. Toch is er genoeg ruimte voor een olifant, haar lievelingsdier. In deze verstikkende vochtige ruimte heeft iedereen net genoeg ruimte om te ademen. Op het aanrecht ligt nog steeds de bijl besmeurd met zwart hanenbloed. Het bijl rust uit, denk ik. Op de brandende kachel staat een pan water waarin de geplukte haan drijft. Onder mijn voeten ligt een plas.

…heb je nu de sneeuw bij de voordeur weggeschopt?

  Ik knik. Ze denkt dat ik lieg. Moeder weet, wat zij denkt, dat ik dat denk. Ik denk, wat zij denkt, dat ik denk dat zij… Als ik denk iets heel anders te denken, denkt zij het ook te weten, dat ik weet dat zij dat weet. Dit leidt ertoe, zo las ik later, dat we zo verstrikt raken in deze situatie waaruit het bijna onmogelijk lijkt aan de regels die wij hebben gemaakt te kunnen ontsnappen en dat is wat ik wil begrijpen. Ik doe mijn jas uit en hang die aan de deurpost. Mijn sokken ruiken naar frisse modder.    

…de bomen het bos, die moeten ook afscheid nemen van ons, vraag niet hoe, dat weten alleen de bomen, die weten alles.

  Geruisloos ga ik zitten, de geur van de bouillon zit in mijn buik te roeren, terwijl dat helemaal niet kan.

…wat denk je pestneger doe de deur dicht.

  Klik. Boomwortels: Wortels groeien dwars door mergelsteen de kelder binnen. Onzichtbaar komen ze cel voor cel, millimeter naar millimeter, de vochtige kelderruimtes binnen en als het regent voeren de wortelspruitjes cel voor cel een riviertje hemelwater naar binnen. De mens is ook van cellen gemaakt. Die cellen weten precies wat ze moeten doen, de cellen bouwen een lichaam met organen, een geest. Je hoort de cellen niet denken, toch doen ze wat ze moeten doen. Dat weet elke boom in ons hoofd. Wij hebben miljarden wortelspruiten met een eigen wil.

  Boomwortels zijn verbonden zijn met alle bomen van het bos, mensen niet. Mensen verplaatsen alleen lucht. Tussenmensen heten ze. In de omgeving van de villa hebben alle bomen van het hellingbos en in Nederland, Europa en over de hele wereld contact met elkaar. Berichten elkaar over elk bos-ongeval, rottende, vermolmde, stervende bomen. Droom ik? Natuurlijk droom ik, ook ik mag een woordje meespreken. De wortelberichten zijn alleen binnen in de boom te horen. Op een zomerdag viel ik in de dikste en grootste boom van het bos in slaap. Ik droomde in het kathedraalgebladerte dat ik in de lucht kon fietsen. Of wilde ik toen dood? Ik viel, met een zachte smak als een uiteen splijtende meloen tussen de hazelaars. 

…blijf met je vingers van de knoppen van de radio.

  De bomen in het bos huilen niet, alleen als de sneeuw smelt of de wind door de takken huilt. Onze ogen kunnen verteren en smelten, huilen doen ze niet. Er is iets anders dat huilt. Of toch, maar dit komt pas later, nu niet. Als moeder mij recht in de ogen kijkt smelt ik. Ik los op. Ben er niet. Ik wil naar de weerberichten luisteren. 

  Onderwijl heeft overgrootmoeder de gekookte stukjes haan gesneden en terug de pan ingedaan. Oma, dat was ik vergeten, die maakt de ingewanden schoon. 

‘Kom snij jij de uien eens,’ zegt Oma. 

Ik moet huilen omdat ik de uien moet snijden. Onderwijl het snijden huil ik echt. Oma zegt dat dat door de uien komt.

Moeder beweegt heen en weer op haar stoel. De rug zegt:

…ik heb geen honger.

  Als…, moeder beweegt, komt ze nauwelijks van haar plaats. Ze rilt. Als ze nu zou opstaan zal iedereen schrikken. Het mes valt als een noodkreet uit mijn hand.

De klok boven de deur van de wasruimte heeft een witte plek achtergelaten. De wijzers zijn onzichtbaar achtergebleven. De druppelende kraan geeft de secondes aan. Er zijn hooguit, een paar uur verstreken, het is een eeuwigheid. Dat komt omdat nu alles in de breedte gaat. Onbeweeglijk staat beweeglijk de tijd weg te tikken. Overgrootmoeder gelooft in het Hier Namaals. Oma in de eeuwige wederkeer. ‘Met alles drop en dran,’ zegt ze. Ik geloof alleen in het nu. Dus…

…wanneer vertrekken jullie, zegt moeder stram voor zich uit en spuugt op de kachel.

  Overgrootmoeder en grootmoeder zeggen tegelijk te willen vertrekken. Het moet nueenmaal. Eenmaal is bijna onverstaanbaar ‘Einmahl,’ mompelt moeder. Na een lange stilte, terwijl ze naar haar handen kijkt.

…kom jullie moeten toch maar eens gaan.

  De soep staat op de kachel de tijd te verpruttelen. Bouillondruppels spatten uit de pan en rollen sissend over de hete kachel. Moeders omfloerste stem:

…wanneer vertrekken jullie verdorie nu?

  Haar stem, maar lang niet meer dan een aflatende zucht, een zucht woorden, al hoor je ze nauwelijks, breekt. Wij horen de woorden, kucht en zucht en daarbij rookt zij als een schoorsteen: ze heeft haar adamsappel ingeslikt.

…laat mij maar in rook opgaan.

  De werkelijkheid wordt steeds vager. Overgrootmoeder haalt de vochtige was van de lijn. Grootmoeder veegt de vloer. Moeder stookt de kachel op. 

…haal jij eens een kit eierkolen uit de kelder.

  Ik had het niet gehoord, droomde het en dus reageerde ik niet. 

…jij luistert niet.

  Moeder springt van haar stoel en kijkt mij met grote ogen aan. Haar lippen zijn gespannen, strak en opgerekt. Van haar wijd opengesperde ogen weerkaatst een vreemd licht, vuur kristalhelder boos. In de pupillen zitten barstjes, oude scheurtjes die opnieuw openbreken. Ze komt tot uitbarsting, als een vulkaan en dat weet ze, maar ze kan er niets tegen doen. Op zulke momenten lukt het haar een lava van pijn, als gloeiende modder, over mij heen te spugen. Misschien heeft ze het gezien: ik krimp nu niet ineen. Nu, …ik moet het doen. 

…duw me niet.

.

Hoofdstuk uit het korte verhaal De Parakleet uit de bundel Sneeuwpoeierke.

Robert Kruzdlo New Jersey USA 2022

NEERLANDISTIEK NEDERLAND

Tekening Robert Kruzdlo. Kruzdlo is bezig alle Nederlandse schrijvers te tekenen.

Aandacht voor het volgende:

Er is een plan in de maak voor de oprichting van een Rudy Kousbroek Fonds, onder te brengen bij het Prins Bernhard Cultuurfonds. De bedoeling is om daaruit in de komende jaren bijdragen te verstrekken aan uitgaveprojecten op het gebied van de Nederlandstalige literatuur. De oprichters hopen je interesse voor een bijdrage aan dit fonds te wekken.

De missie van het Rudy Kousbroek Fonds zal zijn om de publicatie mogelijk te maken van verzameld-werkuitgaven van Nederlandstalige auteurs, alsmede van andere monumentale edities van Nederlandse of vertaalde literatuur, waarvan het literair c.q. literair-historisch belang evident is. Klik hier om verder te lezen.

Robert Kruzdlo Cadiz Andalusië Spanje

Brief aan de uitgever.

Louvre Paris verminkt beeld van Apollo.

Er is alleen een NU.

Geachte heer J. Spil,*

Als ik over mijn leven, de ellendige maanden op de kermis wil gaan schrijven, dan zou je denken dat de herinneringen echt zijn. Maar val dood…, dat zijn herinneringen niet. Als ik achter de computer ga zitten en alles wat ik mij herinner wil opschrijven, — komt wat er komen mag — ga ik vol goede moed aan de slag. Mijn brein, afzonderlijk van mijn ik, geeft wat het wil geven. Opflakkerend in een flow, dwalend, afdwalend komen de herinneringen en verdwijnen ze ook weer als sneeuw voor de zon. Van het ene op het andere moment gaan we ook weer uit elkaar. Dit kun je niet chronologisch vertellen. De herinneringen gaan van de hak op de tak. Ook ik houd niet van gereformeerde taalkunst.‘Een ander was ik, noch ken ik mij’, schreef Fernando Pessoa. 

Terugdenkend naar juli 1962 hoor ik nog altijd de regen tikken op het dak van de oude brandweerauto, de geur van ozon, de aarde met zijn sappige bladeren: ik deed mijn behoeften tussen de bosjes. De grijze stad en straten, en mensen, stemden mij droevig. En Alice, had rode wangen, glinsterende ogen. 

Alice, het toen jonge meisje met glinsterende ogen, krullippen, was kermis actrice en trad op in de kermis attractie ‘Wonderland’: het meisje dat van klein, groter wordt en van groot, kleiner wordt. Een ingenieuze gelijktijdigheid, een kermistruc die ik nooit begrepen heb. Haar ogen hadden veel weg van mijn moeders ogen: doordringend als het oog van de vlinder Hipparchia. Alice, hoogintelligente veertienjarige zat op de ‘rijdende kermisschool’.

Op een avond kwam ze onuitgenodigd bij mij in bed liggen. Vurig duwde zij haar tong in mijn mond en zonder iets te zeggen, ritste zij tegelijk mijn gulp open en bond haar meisjesmond om mijn piemel. Ik kwam meteen klaar. Ze maakte zich los en spreidde haar benen. Alsof ik naar een kruin van haar keek, opende zich een roze gat, bedekt met een laagje witsel en druppelde witte tranen naar haar anus; een gat met rullige bladeren van vlees, met in het midden boven, een tuitje dat op een piemel leek. Vochtig, maanlicht achtig glans. Hét donkere gat rook naar zuurvlees. Diskreet draaide ik mij om. Ik schrok hevig toen Alice, mijn hoofd met beide handen omklemde. Misschien verpestte ik alles als ik niet meewerkte? Maar de geur en het idee dat ik uit zoiets geboren ben, maakte het niet biologisch aantrekkelijk dat zij, mijn neus krachtig tegen hét gat duwde: ‘Tongzoen mij hier, in het gat’, klonk het sonoor.

Ik kon niets terugzeggen en besloot kokhalzend mijn tong in hét gat te steken. De fysieke kwelling van een jonge vrouw, dat naast het genot wat zij bood, later, bij mij een castratie angst teweegbracht: sindsdien droom ik vaak dat ik mijn piemel verlies, opraap en weer aansluit aan mijn scrotum. 

Alles wat op en rond de kermis gebeurde, viel te beurt aan een nu. De geschiedenis overrompelt mij weer, het toen van het nu. Nooit had ik heimwee naar huis, naar mijn moeder die mij aan een wildvreemde man met scheve mond overgedragen had.

Toen las ik Darwin en een boekje over het Oog; hoe werkt het oog fysisch-neuraal. En dat in 1962? Alice, gaf mij, naar nog een paar avonden ellendig genot, en boeken: De Vreemdeling van Camus, De jongeling van Dostojevski, De liefde van Bob en Daphne van Aalberse en nog een paar boeken waarvan ik de titel vergeten ben. Ik herinner mij: ‘Hij streelde haar gezicht en hals met zijn vingertoppen en zei met een zucht: ‘Domme gedachten warrelen door mijn hoofd….’ 

Ook oude schoolboeken over Nederlandse taal. Mijn leven toen was alleen maar warrelen, wegdromen, lezen en in de schiettent werken, gerund door een man met een scheve mond. Al begreep ik niet alles, er was een nu en dat was genoeg. Deze herinnering helpt mij om de geschiedenis van KERMIS te schrijven. 

Eigenlijk vind ik het nu allemaal onzin. Zinvolle onzin. Herinneringen opschrijven zijn nooit dat wat ze waren. Het nu van toen en het nu. Dat wat toen gebeurde daar blijft alleen een fond van over, een bouillon van getrokken gebeurtenissen waar het brein mee speelt. Toen en nu. Ik herinner niets, maar mijn brein herinnert; het dwarrelt als briesje tussen de jonge twijgen van nu, en fluit nieuwe herinneringen. 

Altijd een nu. Een nu van toen.

*J. Spil is helaas overleden aan een hoge dosis QAnon syndroom. Waar mystiek en spiritualiteit verworden zijn tot het narcisme van een pre-oedipaal bewustzijn, nep-spiritualiteit, leven in een schijnwerkelijkheid van onophoudelijk valsheid in geschriften werden zijn ogen op een dag geopend door een helder moment, een openbaring. Wat restte was niet verder te leven op de verdorde aarde – hij leefde op de puinhopen van zijn eigen leven, de ruïnes van zijn verleden: the desert of real. Hij stapte uit het leven door in de Ierse zee te stappen; door diep adem te halen en, zo wordt beweerd, heeft hij nog nooit zo’n stille ervaring van verlichting en spiritualiteit meegemaakt. (Zo berichten zijn vrouw aan mij op 12-04-2024.)

Perle

Mijn naam is Schuld, geboren in Mondschein Duitsland. Ik lig weken op bed en kom mijn kamer niet uit. Een groot hart blijft kansen geven, een vernauwd bewustzijn herkent niets anders dan zijn eigen frustraties. Maar wie weet! Alles is mogelijk. Buiten moet het lente zijn, of is het al zomer? Binnen in deze kamer, waar ik mijn bed aan het vervuilen ben, is het aardedonker. De slaapkamer is perfect verduisterd: er komt geen sprankje, geen speldenprik zonlicht naar binnen. Alle kieren van de ramen en deur zijn afgeplakt. Afgesloten van de wereld heb ik mij verstopt in een perfect zwart gat. Op mijn huid zal een nieuwe geschiedenis geschreven worden, in mijn hoofd gekristalliseerd dat door niemand gelezen kan worden. Als er geen taal is, is er ook geen werkelijkheid of illusie voor de ander. In stilte sterven de dagen, uren, minuten en seconden op bed, dat als een levend orgaan van een ijsmummie voelt. De angst voor een gemummificeerd lijk heb ik niet. Nu het niet om een illusie gaat, de kunst, woorden voorstelling van liefde, mag alles – ook de buitenwereld haten. Ik zal straks nieuw als een pasgeborene zijn. 

Uit het boek Perle Robert Kruzdlo 2008 (Schilderij Robert Kruzdlo 1995 40 X 50 cm) Lees ook een reactie op mijn boek TUSSENMENS.

Bericht van Sò

De stad Babel voelt klam. Achter de brede heuvels zakt de zon in zee. Druppels vallen uit de lucht en toch nergens een wolk aan de hemel. De anorexia bedelaars zijn uit het centrum verdwenen en hebben zich teruggetrokken met hun slaapzakken in smerige en donkere portieken tussen opgedroogd spuwsel. Ik dwaal over glimmende kinderkoppen, langs haveloze gevels, legen winkels, langs onbewoonbare paleizen en drentel om de grootste fontein van de stad, omzoomd door omhoog schietende dadelpalmbomen. Ben in mijn sas. Plotseling zinken de waterstralen van de fontein ineen. Wat een stilte. Om mij heen niemand. Niets ademt, alleen ik. Het plein glimt van de keien, de stad ligt — dit maal gebruik ik het woord — in mijn ziel. Zijn het drogbeelden? Waar zit de verwarring, die, verscholen in mijn hoofd, goed oplet als ik mijn hersens gebruikt.

 

Uit het boek Sò en de Kolonel. Robert Kruzdlo 2021 Andalusia.

Niet ver van deze straat woonde Sò.

Joseph Walter Kruzdlo

Joseph Walter Kruzdlo 1940

De dood van een grave digger

ROBERT KRUZDLO

Herinneringen gaan verder dan de gedachten aan de herinnering.

Voorspel: Voordat mijn hysterische moeder met haar slaafje in het ziekenhuis arriveren zou, werd ik gewaarschuwd door een verpleegster die het een-en-ander nogal onpasselijk vond: ‘Je familie komt eraan,’ zei ze met een rode blos op haar bleke gezicht. Ze voelde het goed aan, en hup weg was ik. Natuurlijk kende de verpleegster de geschiedenis van vader, zijn vrienden en vriendinnen hadden haar van alles ingefluisterd. Toen ik terugkwam op mijn hotelkamer had moeder en de hulpscherf – die beter Amerikaans-Engels sprak dan ik, want hij was met een Amerikaanse getrouwd en inmiddels weer ex natuurlijk – tijdens mijn afwezigheid, mijn toevertrouwde spullen, eigendommen van vader, gejat! Strafbaar. Maar ik ben niet naar de politie gestapt omdat ik hen in de waan wilde laten: in hun waanzinnigheid.

Alléén één ding waren ze vergeten: onder het matras te kijken. Ik was verguld, want onder het matras had ik documenten, adresboek en nog een aantal dingen verstopt. Natuurlijk mochten ze alles hebben, jatten wat zij, moeder en haar hulpscherf, dachten dat het hen toekwam. Ik heb gelachen en vooral wist ik, dat het mijn verhaal zal zijn, die de wereld overgaat.

4 mei 1995 Maastricht. Tijdens de televisie-uitzending Memorial Day op 4 mei vroeg ik me af: hoeveel Amerikaanse soldaten zou mijn vader geïdentificeerd en herbegraven hebben? Mijn Amerikaanse vader was na de bevrijding van het Limburgse Margraten in 1944 gestationeerd op de Amerikaanse begraafplaats . Beroep: grave digger. Ik kan het hem niet meer vragen, hij stierf 25 jaar geleden.

“Je vader Joseph Walter… is met spoed opgenomen,” klonk het in de zomer van 1995 krakend door de telefoon. Halsoverkop nam ik het eerste vliegtuig naar Amerika, op JFK Airport was het snikheet en een gewone taxi was niet te krijgen. Daarom bracht een taxilimousine mij naar het ziekenhuis Wilkes-Barre, in Pennsylvania. Nog diezelfde dag stormde ik vaders verduisterde IC-kamer binnen. Plotseling verscheen vanuit het donker een vrouw, die tot mijn verbazing mijn uitgestoken hand weigerde en op mijn vraag wat ze hier deed hoofdschuddend, als een schim, met slaperige ogen de gang op trippelde. Ik sloot verbouwereerd de deur achter haar: zijn vaste anonieme ziekenbewaakster.

Boven vaders bed brandde een ielig bedlampje. Een bewasemd zuurstofmasker bedekte zijn blauwige gezicht, en vanonder de ziekenhuiskleding, met een enorm logo van het ziekenhuis, staken dunne donkerpaarse benen. Even knipperende hij met zijn wimpers. Het flitste door mij heen: er moet iets gebeuren, zo kan hij niet blijven vegeteren. Tot mijn grote schrik zag ik hoe er kakkerlakken over de vensterbank liepen. Dus met jouw handen heb jij, om je makkers te kunnen herbegraven, in de Limburgse aarde gedolven, realiseerde ik me weer. Pas nu kwamen de tranen. Kitscherig? Weggaan werd moeilijker dan naar binnen komen. Ik wilde een gesprek beginnen. Geen enkele andere reactie dan binnensmonds drie onverstaanbare woorden; hij verslikte zich er bijna in.

Plotseling klonk er een hoge pieptoon. Een verpleegster stormde de kamer binnen. Nerveus drukte zij op de display van het beademingsapparaat een aantal toetsen in, zuchtte diep en begon vaders lippen te deppen met in water gedoopte wattenstokjes: “Wilt u dit voor mij doen?” fluisterde zij. Onderwijl begon ze in een laatje te rommelen. “Hier,” zei ze gehaast, “voordat het gestolen wordt. En dit, zijn horloge en driehonderd dollar.” Vader bewoog niet.

De volgende dag prevelde vader vanachter het zuurstofmasker weer onbewogen de drie woorden. Hij wist het: ik heb genoeg beleefd. “Moedig van je, Joseph, je hebt Margraten, Vietnam, vervolgens Cambodja meegemaakt,” zei ik zacht in zijn oor. “Nooit heb je er iets over verteld, wil je…” Hij schudde het hoofd. “I wanna die,” klonk het onverhoeds helder en puntgaaf.

Eind negentiende eeuw waren vaders Poolse ouders geëmigreerd naar New Jersey City, mijn geboorteplaats. Tijdens de Tweede Wereldoorlog rondde hij een spoedopleiding grave digger af. In 1944 werd hij naar Margraten gestuurd, om duizenden gesneuvelde soldaten aan de hand van hun Dog Tag (identiteitsplaatje) te identificeren en in het register Grave Registration Company (GRC) bij te schrijven. Bij gebrek aan doodskisten werden de helden opnieuw begraven in matrashoezen. Tijdens zijn verblijf in Margraten ontmoette hij mijn moeder op het station.

Euthanasie of palliatieve sedatie was toen in Amerika, het land van ongekende mogelijkheden, niet mogelijk. Maar zijn euthanasiewens werd op een on-Amerikaanse manier gehonoreerd: hij kreeg toch het verlossende medicijn toegediend. (En dat weet ik alleen.)

Vaders gouden horloge heb ik aan mijn zoon gegeven. Zijn foto’s en aantekeningen liggen klaar om een boek over te schrijven. De kaarten en brieven aan moeder waar ze voor … wordt uitgemaakt, och die gaan naar het archief.

ARGUS Robert Kruzdlo (1949) is beeldend kunstenaar en auteur.

Vierentwintig keer per jaar ploft Argus op uw deurmat, voor maar tweeënvijftig euro. Wees verzekerd van Boerstoel en Dresselhuys, van Pauka, Rawie, Luijters, Ross en tientallen andere medewerkers die het niet kunnen laten. Voor hun lol. En voor de uwe.

Ga naar arguspers.nl