Leestijd 30 minuten of minder.

In de kelder van Alcázar Real de Sevilla القصر 2022 Robert Kruzdlo

Een hoofdstuk uit mijn boek KERMIS.

De brandweerauto met aanhangwagen graaft bonkend een opening door de muur van regen, die als breinaalden tegen de gebarsten voorruit roffelt. De ruitenwissers kunnen de regen nauwelijks verwerken. Hossend over kinderkopjes, door straten die bezaaid zijn met kuilen en sleuven, rijden we de stad uit. ( 1965 Scheve Kees en ik Fallibl 14 jaar oud. rk ) Achter de koplamplichten die niet ver reiken, zijn de vage ingesleten bandensporen, die de rijrichting aangeven, te zien. Door de brede plassen zijn de greppels aan weerszijde nauwelijks zichtbaar. Als de auto een bocht maakt, waaien woeste wolken filigraan hemelwater over de dampende motorkap: alsof de wereld geblust moest worden. Omdat het schakelen voor de man met de scheve mond te veel inspanning vergt, stopt de auto onder een van de schaarse lantaarnpalen. Op het moment dat ik probeer uit het autoraam naar de hemel te kijken, in de hoop een sprankje zonlicht te kunnen zien, zweept de regen hard in mijn gezicht.  

‘Sluit het raampje,’ zegt de man ruw, ‘en doe je jas uit. Hier, pak een deken, die achter je stoel ligt.’

Hij sjort zijn jas uit en werpt zijn hoed onder de stoel. We rijden weer. Gevangen in een onbegrensde en wattige luchtzee heb ik geen idee waar we heen gaan. Geen richtingsgevoel. Ik ben veertien en hij? De verwarming lijkt het niet goed te doen. Ik wil hem iets vragen of…, maar durf mij niet om te draaien.

‘Wacht…’ Hij wijst op de stuk gevouwen wegenkaart die hij zonder vaart te minderen op zijn knie uitspreidt. Mompelend voorovergebogen: ‘Deze Michelinkaart is van voor de oorlog.’ En op tijd stuurt hij de auto bij. Met zijn eeltige wijsvinger wijst hij op de kaart en slist, roept: ‘Hier moeten we naartoe, kijk hier is de volgende kermisstandplaats.’

Zonder zich om te draaien reikt hij de kaart aan. Met de beste wil van de wereld is de weg, die naar die stad moet leiden, naar de volgende kermisstandplaats, op de kaart niet te zien. ‘Nijmegen of Arnhem,’ roept hij en tuurt met half dichtgeknepen ogen naar de slingerende regen in het koplampenlicht: nu van een tegenligger. Precies op de plek, in de vouw waar het papier is gescheurd, prikt Kees met zijn eelterige pink, met een randje vuil onder de nagel door het papier. 

‘Er zit een gat precies daar waar we naartoe moeten.’ En verbaasd: ‘De kaart is niets waard en door het weer kun je je niet oriënteren.’ 

‘Draai de kaart om, duw het papier rond het gat terug, daar in het dashboardkastje is een rolletje plakpapier,’ hij wijst naar het dashboardkastje voor me. In een flits zie ik dat hij met zijn pink in zijn neus pulkt, stopt zijn pink in zijn mond en eet het snot op. Als ik het dashboardkastje open valt er een stapel boekjes uit.

‘Geef hier, niets voor jou’, zegt hij en werpt de boekjes onder zijn stoel.

Ik repareer zo goed als ik kan het gat in de kaart. In de vochtig zurige ammoniaklucht zitten we onderhand te smoren.

Een vlieg danst voor zijn gezicht. 

‘Hoe komt die kutvlieg nu ineens hier?’ 

Ik schiet in de lach en voel me ontspannen. Niet lang en te kort om hem aan te kijken.

Op de vettige kaart valt niet veel te zien. Een vervaagde kaart vol vlekken, groezelige lijnen die wegen moeten voorstellen. Onleesbare namen van dorpen en steden. Kees zijn richtingsgevoel schijnt wél te werken: ‘Hier denk ik,’ mompelt hij. Dit moet, nee hier, moet de richting naar Nijmegen zijn? 

‘Er zijn nauwelijks tegenliggers. Vreemd’ 

‘Het is zondag,’ zeg ik,’ en ontspan. 

De auto vermindert vaart. Gelukkig grommen en zwiepen de ruitenwissers weer normaal. Soms is de weg beter te zien en lijkt de regen te willen stoppen.

‘Hé hé die doen het weer. Waar kijk je naar?’

‘Ik zoek verkeersborden.’ 

Dan houden de lawaaierige ruitenwissers er weer mee op. 

‘Kutvlieg,’ zeg ik tegen mijzelf. 

‘Hé jij ook al?’

Het zijraampje openen om de vlieg te verjagen heeft weinig zin. Ik tuur slaperig naar de grijze stromende massa, alsof ik onder mijn eigen schedel, in mijn weke hersenen kijk. Er is niets te zien. Nergens staat langs de weg of op een kruispunt een ANWB-bord waarop de richting naar aangegeven wordt. Vreemd. In de stad staan op elk kruispunt een bord maar hier? Soms zijn er aan weerszijden van de weg boerderijen met schaars verlichte ramen te zien. Ik moet glimlachen, rek mij uit en haal diep adem: de natuur maakt mensen blind. Soms verdwalen mensen in een bos, op zee en in de lucht, heb ik gehoord. 

Het is bonkend en kraken en zo vervolgen wij onze weg. Soms zijn de kuilen in de weg zo diep dat we van onze stoel omhoog wippen. Er wordt niet gelachen. Inmiddels lijk ik van pudding te zijn geworden.

Hossend tussen de regengordijnen door zijn rechts en links modderige afritten en boerenlandwegen met houtenrekken waarop rijen lege melkbussen die op z’n kop staan, te zien. Boven het boerengeriefgroen jagen grauwwitte neerslaande rookpluimen neer. Veel prikkeldraad en weinig koeien. Soms een knol, druipend met zijn kop naar beneden onder een schamel afdakje. De regendruppels op het zijraam die ik in een halfslaap volg en die door de vaart van de auto horizontaal, trillend naar de rand van de zijraampjes lopen, hebben iets magisch: elke regendruppel vangt de wereld anders. Voorovergebogen, zijn handen stevig aan het stuur, kijkt hij naar het verschuiven van de weg onder hem. Naar wat precies? Ik dommel in en schiet wakker. De lawaaierige ruitenwissers zijn er plotseling wéér mee opgehouden. Gevloek. Klap met een vuist op het dashboard. Remmen. Slijm op de voorruit. 

Nerveus verdwijnt het puntje van zijn pink in zijn neus. Dat haat ik, zijn platte neus leeg te zien lepelen. Het weer haat ik ook en de gedachte aan een leven dat op punt staat van omvallen maakt mij boos. Wat is de toekomst? Ik ben zó moe en heb alleen maar vragen die ik nooit zal kunnen beantwoorden. Vragen en nog eens vragen. Ik bijt op mijn tong. 

Binnenin de auto zijn de omstandigheid net zo slecht als buiten. Mijn stinksokken en -schoenen zijn nog nat. Alles wat grijs is en nat is was zonder enige betekenis. Het enige wat nog kleur heeft zoals de gerafelde kaarten van half blote dames die achter een gespannen elastiek, die over de breedte van het plafond is gespannen, gestoken zaten. Aan een rafelig koortje hangt een pen met blote tieten, een gebroken rozenkrans, gebit en twee ringen. Trouwringen?

Even heb ik, vanuit mijn ooghoeken, naar zijn silhouet gekeken. Misschien is hij geen Hollander? Per slot stammen wij allemaal van de aap af. Ik schaam mij om naar zijn mopsneus te kijken. Mijn kleren krimpen en plakken aan mijn lijf. Mijn kont blijf nat. Ik had niet het gevoel gevangen te zitten of zo…, ik kan geen kant op.  

‘Hoe heet je?’, vraagt hij zonder zich om te draaien, ‘je moeder heeft het mij verteld, maar ik ben het vergeten.’ 

‘Fallibl.’ 

‘O ja, dat was ik vergeten, Fall …’ 

‘Ja, zeg maar Fal,’ zei ik. ’En u. Uw naam ben ik ook vergeten.’ (Wat niet waar was.) 

‘Ze noemen mij Scheve Kees, mag jij ook doen, Kees of Scheve Kees, maak mij niets uit. Maar kijk, zo vinden we de weg nooit.’

Hij draait zich om. Ik blijf door het zijraampje naar buiten kijken. 

‘Ik zie niets Kees, net als u,’ zeg ik haastig, ‘ik zie hetzelfde als u, zelfs als ik samen met u naar buiten kijk of op de wegenkaart.’

‘Slim, maar je hebt gelijk, samen komen we er ook niet uit, maar weet je iets van de oorlog? Bombardementen? Steden die zijn vernield, verwoest omdat de piloten door het slechte weer niet goed uit het vliegtuigraampje konden kijken, en zo de afgesproken vijandelijke doelen misten? Die bommen vielen op Nederlandse steden, dus zeg maar, op de verkeerde plekken. Niets aan te doen, maar we rijden door tot er een afslagbord opdoemt,’ bromt hij, ‘of totdat iemand, een boer of een fietser, stopt om ons de weg te wijzen. Klote weer.’ 

‘Ik zie niet eens koeien,’ zeg ik turend tussen de regendruppels door.

‘Dat hoeft ook niet, die zien jou ook niet, toch?’

Met een ruk draait hij zich om en met een vies gezicht geeft hij een knipoog. Mondhoeken naar beneden. 

Nu ik zijn gezicht goed heb gezien begint de schaamte opnieuw op te spelen: hoe kan moeder zo’n foeilelijke man, aardig vinden? 

Kees kijkt in de zijspiegel, dan in het dashboardspiegeltje waarachter een oude foto, een portret geschoven is en wrijft hoorbaar over zijn gezicht. Ongeschoren. Plotseling trapt hij op de rem. Midden op de weg staan we stil. Naar enkele haperingen slaat de motor brullend aan en gelukkig begint de brandweerauto langzaam op te trekken. De regen trommelt op het dak. 

‘God wat een geluk,’ juicht Kees met zijn handen van het stuur, ‘de eerste de beste blauwwit diagonaal gestreepte ANWB-paal, kijk daar. He-he- eindelijk tekst, nu ja, het bord zit vol roestige kogelgaten? Gelukkig het is nog net leesbaar zie je: … hem en …egen. Eindelijk, maar stap even uit wil je? Kun jij het ontcijferen? Nee laat maar, het verkeersbord wijst in ieder geval naar het oosten. Ja, dan rijen we die kant op, Arnhem of Nijmegen, dat moet het zijn. In ieder geval hier naar rechts,’ roept hij opgewekt en sluit het zijraampje: zijn haar en schouder zijn weer kletsnat. 

‘Veeg het condens eens van de vooruit, hier neem mijn zakdoek.’ 

Hij trekt uit zijn broekzak een vochtige verfrommelde prop tevoorschijn.

‘Doe ik niet,’ zeg ik en probeer met mijn mouw de beslagen voorruit droog te vegen. Het helpt nauwelijks.

‘Ik doe het wel,’ snauwt hij bot. 

De autoruit komt vol vette vegen te zitten. Kees, trekt zijn mouw van zijn jas over zijn hand en begint opnieuw. Het lukt aardig. Onderwijl besef ik, terwijl de kromgetrokken kaarten van de halfnaakte vrouwen mij toelachen, dat ik zijn opdrachten maar beter opvolgen kan. 

‘Je moet goed naar Scheve Kees luisteren hoor ik moeder zeggen.’

Omdat de stem van de scheve mond niet boven het lawaai van de motor uit kan komen, die ineens zorgelijke geluiden maakt, wijs hij met heftige gebaren tussen mijn benen. De auto komt glibberig langs de kant van de weg tot stilstand, krakend zwaait de autodeur open en hij verdwijnt in de regen.  Even later kruipt hij mompelend en kletsnat terug de auto in: ‘Moet jij niet pissen?’

Ik knik van nee, ja toch, en ik had geluk, de regen was even opgehouden. Voor mij een straaltje zonlicht dat tussen de wolken doorslipten. Ik sprong in het hoge natte gras, knoop mijn gulp open. Een uur geleden had ik hem niet willen vertellen dat ik hoge nood had. Zelfs nu had ik moeite om in zijn buurt te plassen. Een groepje wasemende koeien stoet op mij af en vlak voor mij houden ze stil. Ze kijken met lodderogen. In hun karkassen, zo mager zijn ze, bewegen de longen tegen de beschermende tralies. Soms likt hun tong langs hun neusgaten: die kunnen vast niet zeggen dat het vandaag klote weer is, dacht ik en pis met een grote boog hun kant op. Mijn gezicht tintelt. Langzaam en onafwendbare krijg ik een erectie. 

.

Sevilla Spanje 2022 19 augustus Robert Kruzdlo

Eisso S schiettent

Woensdagmiddagkermis

Het was druk, schooljeugd zonder ouders die tussen de kermisattracties in groepjes ophielden. Zonder iets uit te geven slenterde zij druk gebarend tussen de lawaaierige attracties door. Druk kletsende meisjes, gillend en schreeuwend, soms trekkend en sjorrend op een kluitje voor de schiettent. Alleen kinderen van rijke ouders konden het zich permitteren om uren in de botsauto’s rond te rijden. De anderen keken jaloers en lacherig toe hoe de vetkuiven zich vermaakten in de botsauto’s. De meisjes smoezend en schuins naar de jongens kijkend, de jongens, dwaas en verlegen terugkijkend en soms bruut commentaar gevend op het uiterlijk van de meisjes. De meisjes fluisterden en kozen de stomste, de domste jongen uit, het werd hun slachtoffer, wat gekunstelde lachjes opriep. Ingewikkeld gedoe, vond ik. 

Plotseling maakte een meisje zich los van de groep. Ze kwam met trage stappen op mij en de schiettent toelopen en zonder iets te zeggen legde ze een gulden neer.

“Dan mag je vier keer vijf schoten doen,” zei ik volleerd. 

Het was hetzelfde meisje dat gisteren een tijd voor de schiettent had rondgehangen.

“Hoe heet je,” vroeg ik rap, zonder haar aan te kijken.

“Wolk, Roos Wolk,” zei ze zacht en drukte de luchtbuks tegen haar schouder. Nogal onhandig. Ik hielp haar.

“En jij,” zei ze zacht.

Een verschrikkelijke opwinding joeg als een ellendige bloedstroom door me heen. Mijn wangen gloeiden en in een flits, minder dan een seconde welde het een gevoel van verliefdheid in mij op.

Ik noemde mijn naam en dorst haar niet in de ogen te kijken. Ze hield de luchtbuks aan haar schouder zonder te schieten. Haar nagels waren bloedrood gelakt. Ik keek naar haar oorschelp en naar het plukje haar dat over haar slaap en oor viel. Meer niet. Een seconde lang, misschien korter. Het wond mij nog meer op. Het bloed klotste in mijn keel, alsof ik het kon uitkotsen, en ik bleef slikken, maar dat hielp niet. Waarom weet ik niet. Zo’n detail, vreemd. Haar lange wimpers trilden in de zwoele lucht, haar wangen licht gepoederd. Haar gezicht kon toveren, en toen ik probeerde om haar te helpen, – er waren weer enkele secondes verstreken, gaf iemand een harde klap op de toonbank: “Sukkel, we willen schieten.”

Het was de jongen met lang zwart haar, scherpe neus en een dun snorretje, pukkels en vlammende groene ogen, de jongen die ik eerder bij de bakker had gezien, ook hetzelfde groepje. Ik laadde het geweer en ging een eindje van hen af staan. Het meisje keek toe hoe hij bij het eerste schot een foto schoot. De andere jongens joelden en zeiden dat Neus, ja zo heette hij, de beste schutter was van de stad was.

“Wedden, “ wierp een van hen mij vijandig toe.

“Kom maar op, “ zei Neus vurig. Zijn handen grepen naar een ander geladen luchtdrukgeweer. (Nu lijkt hij een wedstrijd met de ik-figuur te willen aangaan, maar dat wordt in de volgende regels overklast.) Een van de jongens griste het houten bakje met kogeltjes weg. Ik trok hard aan zijn trui terug, zo hard dat ik een pluk wol in mijn hand had. Een jongen wilde mij met zijn vuisten op mijn handen wegslaan en voor ik wist wat er gebeurde hadden ze allen luchtbuksen op mij gericht. Ik voelde me alsof ik voor een vuurpeloton stond.

“Hier, net als in de oorlog, we schieten op je domme kop, die zigeuner, jood,” riep een dikke knaap met varkensogen schel. 

“Zigeuner, we zullen je een lesje leren, blijf van onze meisjes af,” zei Neus ranzig, en uit zijn mond floot een spuugklodder op mijn gezicht. Woedend zei ik dat ik geen zigeuner en Jood was. Dat had ik niet moeten zeggen. Ik had mijn mond moeten houden. Er kwam een valse glimlach op mijn lippen. De woorden Jood en zigeuner klopte harder in mijn hoofd dan mijn hart. Ze spande de luchtdruk geweren en richten die op mijn hoofd. De klodder spuug liep in mijn mondhoek. Ik dorst die niet weg te vegen, had ik dat wel gedaan dan hadden zij dat als uitdaging gezien: langzaam met een grijns met mijn mouw afvegen, zo dacht ik in een flits. Niet doen, tegelijk.

“Stomme gans, mot je nie naar school, zigeuners, Joden hebben geen verstand hé. Pang, pang, pang gaan we doen.” 

De dikke gaf met de kolf van de luchtbuks mij een harde klap tegen mijn buik. De luchtbuks viel kletterend op de grond. Toen ik hem van de grond wilde oppakken om mij te verdedigen, grepen de andere jongens mij stevig beet. Nu, ik kon geen kant meer op. Na een paar seconden trokken tientallen handen mij kop en kont over de toonbank. Ik verweerde me zo goed als maar kon, maar mijn hele lichaam begon pijn te doen. Ik hield mij slap om de stompen op te vangen. Ik trilde, mijn lichaam was volstrekt een vreemde geworden, een lijf die ik weggegeven had om te martelen. Er moest nu een wonder gebeuren, anders zou ik door de jongens vermorzeld worden en mijn lichaam niet meer terug krijgen. Ik zag bijna niets meer en toen ik in mijn broek begon te plassen van angst, zag ik dat het mooie meisje met het lokje haar over haar oren, de luchtbuks op het groepje jongens richtte. Ineens schoot Roos, die voor me was gaan staan, Neus precies op zijn voorhoofd. Het werd stil. Niemand deed meer iets. Roos huilde en liet de luchtbuks op de grond vallen. De jongens weifelde, terwijl Roos met haar zakdoek het bloed van mijn gezicht veegde. Flinke schaafwonden en een blauw oog, een ander lichaam waar mijn geest langzaam in terugkwam. 

Toen ik weer wat begon te zien, mijn ogen branden van de tranen alsof ik uien had staan schillen, stond een eindje verderop een politieagent bij het groepje jongens, die druk gebaarden en riepen dat ik begonnen was. Precies in het midden van Neus zijn voorhoofd liep een straaltje bloed over zijn kokkel. Hij grijnsde met een rij rotte tanden. Roos stapte huilend naar de agent en vertelde wat er gebeurd was. (Blijkbaar gelooft de agent haar meteen.) Toen de jongens zich van het kermisterrein moesten verwijderen riep een van hen naar Roos: “Trut, hoer dat je bent.”

Roos hielp met opruimen en toen ik met trillende stem zei dat ik me ging wassen en een ander hemd ging halen, paste Roos op de schiettent. Het geweld leek op een film die in m’n hoofd eindeloos werd herhaald. In een film speelde ik. Mijn hoofd maakte er een film van, een herinnering met beelden die ik niet echt zag, maar wel naar keek en de waarheid zo divers was dat ik gek werd. Ik rook het bloed en voelde een stekende pijn achter mijn oog. Mijn buik deed pijn en de urine in mijn broek stonk. 

Mijn kuiten trilden en ik voelde dat zich een enorme leegheid in mijn hoofd opende.

“Hier, draag deze zonnebril, “ had Roos gezegd en haalde uit haar rugzakje een zonnebril tevoorschijn die ze bij een andere attractie gewonnen had. Ik zette de bril op mijn gehavende neus en maakte een nerveus grapje. Ik verstond haar reactie niet. Roos aaide met haar slanke hand over mijn krullend haar en gaf spontaan een kus op mijn wang. Mijn hoofd leek groter dan de wereld, alles werd kleiner, kleiner dan het heelal zo groot. 

“Je haar knettert,” zei ze lachend, “lijkt elektrisch, ik weet niet hoe dat kan, komt het misschien door je boosheid?” 

Ik zag het. Ik hoorde het aan haar stem, die veranderd was, was ze echt op mij verliefd? Ik schrok bij de gedachte dat ze misschien verliefd op me was. Ik kon geen woord uitbrengen. Dronken van pijn en emoties keek ik in Roos ogen om te proberen, zonder woorden, iets duidelijk te maken, maar ik kon geen ‘blikwoord’ uitbrengen. Roos dacht misschien dat ik een afspraak wilde maken, misschien naar de film gaan of hand in hand wandelen. 

Nu wist zij niet dat ik eigenlijk helemaal niet de bioscoop in mocht, omdat ik te jong was, omdat de vrouw van de kassa niet van een kermiskind hield, alleen mocht ik als het licht van de filmzaal uit was snel naar binnen. Ik kon niets zeggen, mijn lichaam stond aan de grond, op drijfzand genageld, dat is het enige wat ik kon, vastgenageld staan op drijfzand. De aarde onder mijn voeten zonk weg. Roos wachtte tot ik zou zeggen dat we samen iets gingen afspreken. Roos zei: “Nu tot…” verder kwam ze niet. Ze wachtte af…, en op haar gezicht kwam een rode blos. Haar ogen werden groot en ze knipperde met haar ogen. Ze keek naar rechts, links, rechts en dan naar de grond.

Roos moeder, die haar ruw aan haar arm van de counter weg had getrokken kreeg een tik tegen haar oor en een duw in de rug, zodat ze bijna viel.

“Naar huis jij.”

Roos draaide zich naar mij om. Die blik op haar meisjesgezicht, die verschrikkelijke alles zeggende smartelijke blik: de mondhoeken naar beneden, zoals Maria opziet naar haar Zoon aan het kruis, haar rode oortjes door de petsen die ze had gekregen, en nog een keer met gebroken stem:

“Dag nu…ik…” verder kwam ze niet.

Zo heb ik het gezien van deze kant Robert Kruzdlo 1962

Robert Kruzdlo Girona Spanje 3 mei 2022

Fata morgana 1965

Hoofdstuk uit het boek KERMIS

Ochtend waterkou in de mond. De zon schijnt pesterig door de kier van de aanhangwagendeur. Het reetlicht biedt, na de dagen van stortregen geen troost. Nog niet. Ik lig met mijn kleren aan onder de muf ruikende verhuisdekens zonder lakens, tussen kermisattributen: tentdoeken, houtenstaketsels, touwen, dozen en een enorme Donald Duck. Belabberd door de regenreis, de klamme en vette lucht in de cabine, peins ik, over hoe mensen het eeuwenlang hebben kunnen uithouden in hun vochtige beschimmelde huisjes, ‘mergel-grotwoningen’ en plaggenhutten. 

Wat zich achter het reetlicht bevindt weet ik nog niet. Wat voor een toekomst? Met mijn teen duw ik de deur van de aanhangwagen op een kier.   

Vaak keek ik stiekem door de kier van moeders slaapkamerdeur als ze in de armen van een nieuwe vriend lag te slapen. Innig met een bleek gelaat, de lange natte haren als een spinrag over haar gezicht gesponnen. De geur van sherry, sigaretten en odeklonje. Door de deurkier worden geheimen ontloken. De slaap maakt een ander mens van haar. Een kwetsbaar en beter mens? Deuren halfopen. Ik heb er eens een thema voor expositie aan gewijd. Verlangen naar wat zich daarachter, in dé vólle ruimte nu precies bevind, zonder betrapt te worden. Zonder door moeder als een voyeur gezien worden. (In de gang hing een ets van ‘Tarquinius die Lucretia bij het slapengaan begluurt.’ ) Ik was verliefd op moeder, echter dat mocht zij niet weten. 

Langzaam besef ik waar ik ben, op een plein in de stad Nijmegen. Nijmegen? Het ochtendlicht komt tot aan mijn handen die op mijn buik ineengestrengeld liggen. Ik nies. Gelukkig regent het niet. Vliegen dansen boven mijn hoofd. Met mijn teen druk ik de deur verder open. Een vlaag kille lucht waaiert binnen. De stad wordt langzaam wakker. In de verte voetstappen. IJzertjes onder de hakken ketsen tegen de kinderkopjes op het plein. Getoeter, een fietsbel, hoorngeluid van een vrachtboot beneden de rivier. De deur gaat vanzelf verder open. Op alle ruiten van de huizen, aan de rand van het plein, drijven bloemkoolwolken. Lelijke nieuwbouw, de daken glanzen als fotopapier. (Moeder had een Amerikaanse polaroidcamera.) Aan de andere zijde van het plein is een park. De bomen druipen van de dauw. Een laagje mist bedekt het plein. Uit een woonwagen komt muziek. 

Ik druk met mijn voet de deur weer iets verder open. Een briesje dartelt binnen. Snel sla ik de pakdekens om mij heen. Kleurloos staan de woonwagens, vrachtauto’s, aanhangwagens als speelgoed geparkeerd. Ergens huilt een kind. Ineens snap ik hoe ik hier terecht ben gekomen. Ik tuur naar het plafond en dommel opnieuw in. Maar als de zon als een mes door het wolkendek klieft, mij wakker prikt, moet ik luid niezen.  

Buiten klinkt bedrijvigheid. Een helskabaal. Ik buig voorover om naar buiten te kijken. Regenplassen trillen door het gehamer op metalen pinnen, om touwen, scheerlijnen vast te sjorren.  

Een man loopt door slierten mist tussen de rekwisieten. De gespierde- en hoekige mannen kijken niet op naar de vreemdeling met vilten hoed, die pauwachtig glanst. Met een polaroidcamera fotografeert hij de kraamwerkers.  

Ik laat me terugvallen op bed en doe mijn ogen dicht. Plotseling schrik ik wakker van het zoemend geluid dat ik ken van de polaroidcamera. Ik vloek. Stotterend verontschuldigt hij zich. Met kleine pasjes, onder het getik van zijn schoenijzertjes, maakt hij zich in de lage ochtendmist uit de voeten. Zonder benen als een de fata morgane

.

Rome maart 10 2021 @robert kruzdlo

Nieuw boek komt eraan…

STILLE

 HOOFD

BREKERS

Robert Kruzdlo

New York

Spanje

1974-2021

*

uit het ondoorgrondelijk brein

uit de raadselachtige stilte

welde plotseling een schrille kreet

‘n heldere klank die uit de mond

ongehinderd van oor naar oor wilde gaan

luister dat het woord vlees geworden is.

*

En als ik mij iets herinner, dan komt dat door de klanken, klanken van het ‘binnenbrengende nu’ naar het verleden toe, naar het heden van toen. Begerig reikhalzend naar het toekomstig verleden dat taalloos is.

Preambule 1

Op de eerste dag van de zomerschoolvakantie 1963, schuilde een jongen tegen de regen in de portiek van de BATA-schoenenwinkel. Uit de lucht viel snibbig de regen. Speldenfijn. Rillend van de kou hield hij tussen zijn voeten een gerafeld koffertje met een sticker van Badhotel Domburg erop geplakt. Zijn schoenen knelden van het staan. De stad had nog nooit zo grijs gezien. Boven en onder, grijzer dan grijs. Ik was erbij en zal hem vanaf nu niet meer uit het oog verliezen.  

De jongen wachtte op zijn moeder, die aan de overkant, achter het brede beregende vensterraam van café ’t Oude Coffijhuijs in een blauwe nevel van sigaren-en sigarettenrook zat. Tussen de regendruppels door zag hij moeder die  thee met Manzanilla dronk, haar favoriete mix wist hij. Tegenover haar zat een onbekende man die zijn armen midden op de cafétafel had uitgestrekt. Het glas verschraald bier er tussenin. Hij knikte aldoor van ja. De jongen keek, tussen het passerende verkeer door, scherp naar de handen van moeder. Ze waren wit en spraken een taaltje die hij verstond: een dovenmanstaal. Ze gebaarde in de lucht en op tafel, dan weer pakte ze met beide handen het theeglas of rolde een sigaret. Het begon harder te regenen waardoor het silhouet van moeder, niet goed te volgen was. Maar haar handen, als zwarte raven, volgde hij nauwlettend haar  antwoorden.        

De klok van de Abdijtoren sloeg dof twaalf keer. De regen dwarrelde een andere richting op, zo leek het hem. Hij veranderde van steunbeen en zuchtte inwendig zwaar. Voor de glanzende schoenen in de etalage had hij geen interesse.  

Na een uur of langer te hebben gewacht kwam moeder en de ‘jaknikker’ naar buiten. Moeder, die haar gezicht verborgen hield  onder de paraplu zei: ‘Zo hier is-ie dan.’ De man had een scheve mond en knikte, waardoor de regen van zijn vilten hoedrand liep. Een taxi stopte. Kletterend viel de regen op het dak. De jongen had zoiets nog nooit gehoord.

‘Nu, ik moet gaan,’ zei moeder. Ze had haar paraplu ingeklapt. Met een gezicht als van een doorweekte filmaffiche keek ze de jaknikker hulp vragend en vermoeid aan: de operatie moest slagen. Door het geruis van de regen leken alle geluiden, ook die van de autoruitenwissers en het gepruttel van de taximotor, monotoom. Moeders zemige onsamenhangende woordjes waren niet goed te verstaan. De regen ritselde, suisde en spatte tussen de jongen en moeder uiteen. Iets in het hoofd van de jongen kromp en knevelde hem, hij dorst niet dichter bij zijn moeder te gaan staan, hij begreep het.

De man met de scheve mond opende het portier van de taxi. Hij stapte daarbij in een diepe poel hemelwater. Het deerde hem niet, net zo goed als de manchetten die uit zijn jas staken, -boord, broekspijpen, hoed en zijn handschoenen kletsnat waren geworden. Hij nam zijn hoed af, kuste moeders hand. In zijn nek plakten zilvergrijs-gele haren. Met opgewekt gezicht zei hij: ‘U zult niet teleurgesteld worden, ik zal goed voor hem zorgen.’ Hij bleef haar aankijken. Een vlammend instinct bolbliksemde in zijn ogen. Moeder prevelde: ‘U…, ik, bedoel ik, zal hem later alles uitleggen.’ Dat had de jongen goed verstaan. Moeder keek de jongen nog een keer aan. Moe en met holle ogen. Hij wist niet beter dan de machteloosheid hem krachteloos maakte. Vuurrood werd hij. Hij schaamde zich diep.

Stinkend naar nicotine en alcohol klauterde de moeder in de taxi. Zonder hulp, die weigerde ze. Haar rok, vreemd gekreukt, plakte aan haar kuiten. In de taxi deed ze onmiddellijk haar schoenen uit, sloot de deur en opende het autoraampje en zonder een woord te zeggen biechtte ze alles op: eerst sloot ze haar ogen en daarna het autoraampje; zoals in de biechtstoel. De jongen doornat, zag hoe moeder uit haar rode tasje een spiegeltje had opgediept. Ze bewoog haar lippen toen ze in het spiegeltje keek. Hij dacht dat ze zijn naam lispelde. De man en hij keken door de het nevelachtige autoraam. Toen naar elkaar. Het klikte tussen hen, maar wat?

Met kikkerige handen zwaaide de jongen naar de wegrijdende taxi. Door opspattende plassen water verdween de taxi achter het regengordijn. Met de mouw van zijn jas veegde hij de snotsnikken van zijn bovenlip. De regenmist kleefde aan zijn oogwimpers. Toen stopte hij zijn handen diep weg in zijn jaszakken.

De jongen keek naar de doorweekte man met de scheve mond die voor hem uitliep. Van zijn hoedrand stroomde Gods hemelwater dat rondom zijn schoenen druppelde en opspatte als kleine kerktorentjes. Hij hoorde moeders stem kletteren: De eerste steen is nog nooit gevonden.

’Wie gooit de eerste steen,’ dacht hij.

Een eind verderop, stond een oude brandweerauto met een aanhangwagen op hen te wachten. Op de zijkant stond in gouden sierletters geschreven ‘Schietsalon’.

Meer dan vijftig jaar later zal ik op niet literaire manier, als biograaf en erfbewaarder, de jongen zijn lotsgeschiedenis beschrijven: Het portret van een hondse jongen.

Verbetering @Robert Kruzdlo Rome Italië 2021

Brief aan de uitgever.

Louvre Paris verminkt beeld van Apollo.

Er is alleen een NU.

Geachte heer J. Spil,*

Als ik over mijn leven, de ellendige maanden op de kermis wil gaan schrijven, dan zou je denken dat de herinneringen echt zijn. Maar val dood…, dat zijn herinneringen niet. Als ik achter de computer ga zitten en alles wat ik mij herinner wil opschrijven, — komt wat er komen mag — ga ik vol goede moed aan de slag. Mijn brein, afzonderlijk van mijn ik, geeft wat het wil geven. Opflakkerend in een flow, dwalend, afdwalend komen de herinneringen en verdwijnen ze ook weer als sneeuw voor de zon. Van het ene op het andere moment gaan we ook weer uit elkaar. Dit kun je niet chronologisch vertellen. De herinneringen gaan van de hak op de tak. Ook ik houd niet van gereformeerde taalkunst.‘Een ander was ik, noch ken ik mij’, schreef Fernando Pessoa. 

Terugdenkend naar juli 1962 hoor ik nog altijd de regen tikken op het dak van de oude brandweerauto, de geur van ozon, de aarde met zijn sappige bladeren: ik deed mijn behoeften tussen de bosjes. De grijze stad en straten, en mensen, stemden mij droevig. En Alice, had rode wangen, glinsterende ogen. 

Alice, het toen jonge meisje met glinsterende ogen, krullippen, was kermis actrice en trad op in de kermis attractie ‘Wonderland’: het meisje dat van klein, groter wordt en van groot, kleiner wordt. Een ingenieuze gelijktijdigheid, een kermistruc die ik nooit begrepen heb. Haar ogen hadden veel weg van mijn moeders ogen: doordringend als het oog van de vlinder Hipparchia. Alice, hoogintelligente veertienjarige zat op de ‘rijdende kermisschool’.

Op een avond kwam ze onuitgenodigd bij mij in bed liggen. Vurig duwde zij haar tong in mijn mond en zonder iets te zeggen, ritste zij tegelijk mijn gulp open en bond haar meisjesmond om mijn piemel. Ik kwam meteen klaar. Ze maakte zich los en spreidde haar benen. Alsof ik naar een kruin van haar keek, opende zich een roze gat, bedekt met een laagje witsel en druppelde witte tranen naar haar anus; een gat met rullige bladeren van vlees, met in het midden boven, een tuitje dat op een piemel leek. Vochtig, maanlicht achtig glans. Hét donkere gat rook naar zuurvlees. Diskreet draaide ik mij om. Ik schrok hevig toen Alice, mijn hoofd met beide handen omklemde. Misschien verpestte ik alles als ik niet meewerkte? Maar de geur en het idee dat ik uit zoiets geboren ben, maakte het niet biologisch aantrekkelijk dat zij, mijn neus krachtig tegen hét gat duwde: ‘Tongzoen mij hier, in het gat’, klonk het sonoor.

Ik kon niets terugzeggen en besloot kokhalzend mijn tong in hét gat te steken. De fysieke kwelling van een jonge vrouw, dat naast het genot wat zij bood, later, bij mij een castratie angst teweegbracht: sindsdien droom ik vaak dat ik mijn piemel verlies, opraap en weer aansluit aan mijn scrotum. 

Alles wat op en rond de kermis gebeurde, viel te beurt aan een nu. De geschiedenis overrompelt mij weer, het toen van het nu. Nooit had ik heimwee naar huis, naar mijn moeder die mij aan een wildvreemde man met scheve mond overgedragen had.

Toen las ik Darwin en een boekje over het Oog; hoe werkt het oog fysisch-neuraal. En dat in 1962? Alice, gaf mij, naar nog een paar avonden ellendig genot, en boeken: De Vreemdeling van Camus, De jongeling van Dostojevski, De liefde van Bob en Daphne van Aalberse en nog een paar boeken waarvan ik de titel vergeten ben. Ik herinner mij: ‘Hij streelde haar gezicht en hals met zijn vingertoppen en zei met een zucht: ‘Domme gedachten warrelen door mijn hoofd….’ 

Ook oude schoolboeken over Nederlandse taal. Mijn leven toen was alleen maar warrelen, wegdromen, lezen en in de schiettent werken, gerund door een man met een scheve mond. Al begreep ik niet alles, er was een nu en dat was genoeg. Deze herinnering helpt mij om de geschiedenis van KERMIS te schrijven. 

Eigenlijk vind ik het nu allemaal onzin. Zinvolle onzin. Herinneringen opschrijven zijn nooit dat wat ze waren. Het nu van toen en het nu. Dat wat toen gebeurde daar blijft alleen een fond van over, een bouillon van getrokken gebeurtenissen waar het brein mee speelt. Toen en nu. Ik herinner niets, maar mijn brein herinnert; het dwarrelt als briesje tussen de jonge twijgen van nu, en fluit nieuwe herinneringen. 

Altijd een nu. Een nu van toen.

*J. Spil is helaas overleden aan een hoge dosis QAnon syndroom. Waar mystiek en spiritualiteit verworden zijn tot het narcisme van een pre-oedipaal bewustzijn, nep-spiritualiteit, leven in een schijnwerkelijkheid van onophoudelijk valsheid in geschriften werden zijn ogen op een dag geopend door een helder moment, een openbaring. Wat restte was niet verder te leven op de verdorde aarde – hij leefde op de puinhopen van zijn eigen leven, de ruïnes van zijn verleden: the desert of real. Hij stapte uit het leven door in de Ierse zee te stappen; door diep adem te halen en, zo wordt beweerd, heeft hij nog nooit zo’n stille ervaring van verlichting en spiritualiteit meegemaakt. (Zo berichten zijn vrouw aan mij op 12-04-2024.)

Elke vezel van je lichaam denkt mee… .

Die nacht, na het explosieve drama, werd ik zachtjes wakker geschud. Geschrokken opende mijn ogen zich. Blindzicht, oogsterren verdwenen traag; een streep helder maanlicht dat door de kier van de deur scheen verdween en kwam weer terug: een figuur schoof langs de reet opengebleven deur. Weer een aanraking, het moest van een vrouw zijn. Haar moszachte vingers streelden over mijn rug naar mijn hals en door mijn haar, terug met haar, heel lange nagels naar het elastiek van mijn onderbroek. Ik draaide mij rillend om. Eerst weifelend, dan in vloeiende beweging als een warme golf landen de vrouw naast mij: haar armen als een hoefijzer baai. Ik lag als een plank, ontspande en wachtte op wat het warme lichaam ging doen. Ze ademden snel. Toen zij zich als een octopus rond mijn middel had vastgezogen, wist ik het.

Schuif even wat op zeg.

Lidia!

Ja, ik ben het.

Ik had geen woorden en ik zou op dat moment er ook niet één kunnen verzinnen, zo natuurlijk scheen alles. Zou dit voornamelijk komen omdat ik mij toen heel natuurlijk vond? Wat bezat ik? Haar? Zij mij? Er had nog nooit iemand naast mij gelegen, mij aangehaald.

Zullen we gaan neuken?

Goed, maar doe de deur van de aanhangwagen dicht, stamelde ik, wat ik nu juist op dat moment helemaal niet wilde.

Ik had mij omgedraaid, met mijn hoofd naar de stalen wand van de materiaalwagen en wachtte met een bonzend hart af wat er ging gebeuren. Toen, toen, toen, na schaviel achtige geluiden van haar kleren…, lag ze plots naakt naast mij.

Naakt op naakt, zei Lidia.

Nooit gevoeld.

Heb je het dan niet gelezen in het boek?

Ja, …maar dat betekent toch niet?

Ja dat betekent dat, nu, nu en in de eeuwigheid, mij zal moeten neuken, ik lig klaar. 

Ze haalde diep adem, greep met beide handen mijn lendenen vast, drukte een bos haar tegen mijn pik, – het prikte pijnlijk over mijn besneden piemel. Ze greep naar wat zij wilde, haar wil en wat ik niet kon weigeren, dat zij het wilde en als ik het niet had gewild was het mijn pik wel die wilde en daarom, – dat wist ze, moest ook ik, het wel willen: de wil wil wat het wil en alleen de wil kan willen.

Je moet met je bekken drukken, ik bedoel, je moet stoten met je pik.

Ik stootte. Zompig geluid, zuigend geluid, vacuüm geluiden; haar buikspieren strak en ze tilde mij met haar heupen op.

Met een lage, donkere stem zei ze: harder, hoger, hier en haar hand ging naar haar vulva, ik voelde haar aanwijzingen met mijn buik, de plek die ik met mijn schaambeen moest schuren.

Hier, drukken, harder stoten.

En dat deed ik. Het was niet mijn plicht, het was méér dan mijn plicht, ik gaf mijn lichaam aan Lidia. Het was niet slaafs, het was niet onderdanig, het was mijn gave aan haar: Goddelijk.

Ik kom, riep ze.

Uit haar borstkast kwamen remmende, knarsende stemgeluiden en dan een langgerekt schriel keelgeluid. 

Laag register: kom maar, zei ze hijgend. Straks zuig ik je af.

Is dat een straf?

Nee, dat is een cadeau. Let maar op als je piemel diep achter mijn huig…, verhuigd zit, zei ze.

Kietelt het?

Wacht maar.

Nat. Mijn piemel was nat. Mijn handen zaten onder een vreemd soort dradig slijm. Het rook naar zure melk, geuren die ik niet kende en niet van opgewonden raakte.

Kom op mijn borsten zitten. Je bent sterker dan wie dan ook. Niemand kan je iets doen.

Ik liet een scheet.

Geeft niet. Explosie.

Schokkend vloeide alles uit de kleine opening, die even te klein was. Het stroomde warm, heet door de opening mijn penis, zoveel…, zoveel had ik mij nooit kunnen voorstellen en ze slikte alles in. Toen ik dacht, ik ben klaar, kwam er nog wat. Ik trilde niet van angst, maar van een onzeker genot. Hoe weinig er dan ook voor de derde keer uitkwam, viel ik uitgeput voorover op haar. Ze duwde mij van zich af. Mijn lichaam schokte en trilde. Ik lag op mijn koude plaats en voor ik het wist, was ze weg. Ze rende naakt, met haar kleren in haar hand, de materiaalwagen uit. Achtergelaten tussen allerlei geuren, van zoet, zuur, ranzig en zoutige plakkerige plekken op het laken, viel ik klam opnieuw in slaap.

Een paar klappen op de materiaalwagen: Kees. Hij riep door de openstaande deur of ik uit mijn nest wilde komen. Op de rand van het bed wreef ik de slaap uit mijn ogen, zag ik, naast het bed een stapeltje boeken. Er lag een briefje op: Deze zijn voor jou. Een woordenboek, Nathalie Sarraute Het gebruik van het woord, en kom op, kop op, op de muziek van de toekomst kun je niet dansen, dus doe het nu, liefs van Lidia.

Kees: Kom je nog uit je stinkend nest?

Ja, ja kom eraan, ga mij eerst wassen. (Ik veegde een haar van mijn lippen.)

We breken de boel af.

Vertrekken we vandaag?

Ja, we gaan naar Dresden.

Dresden?

Ja, in de namiddag, rijden we naar Duitsland, via de Duivelsberg, daar woont een familielid, de enige die de oorlog heeft overleefd.

Jij en …?

Zus, zonder benen. Je zult schrikken, ze draagt een masker.

Die ochtend wist ik, in een oprisping, voor het eerst wat ik later wilde worden, maar ik vertelde het aan niemand. (Het gehoefde ook niet en waarom het niet moest wist ik niet. Pas op mijn zestigste vertrouwde ik het aan iemand toe.

Ik zag het als een feit. Kleedde me ontspannen aan loond door wat er allemaal gebeurd was en waste mijn geslacht en voeten op de openbare wasplaats, beschut door een lage houten omheining: één waterkraan voor iedereen, elk willekeurige voorbijganger kon m’n reet kussen. De  bloedhonden van de kermisattractie Hollywood spookattractie waren al vertrokken. Op het bijna leeg plein echode stemmen. Priemend staken de hijskranen in de lucht, tegeltjes wit en hieven grootmateriaal op de laadwagens. Vrouwen en kinderen rolden gezamenlijk het tentzeil op. Soms hoorde ik van ver geschreeuw, kreten van namen en zwaaide men wild met de armen. Onder een lucht met geen enkel wolkje.

Terug in de materiaalwagen zocht ik eerst in het woordenboek het woord verhuigd op. Ik kwam niet verder dan huigen. Je kunt dus ook je eigen woorden maken. Nu wist ik het zeker, ik was besmet met ik wil schrijver worden.

De schrijver,

Wat vond er, buiten het bewustzijn, precies plaats die nacht? Welke lichamelijke onderdelen, organen, spieren en neuronen, waar het bewustzijn nooit komt, speelden een rol? Zijn de anonieme lichamelijke achtergronden waar jij geen enkele zeggenschap over hebt, niet de eigenaar van wie jij bent: het brein, de homeostase, de mede-beslissers?, waaruit jouw ideeën tevoorschijn komen, uit een lichaam, jouw lichaam, uit de stilte, taalloos en ineens zie je één feit; die je treft, hard zonder het talig te benoemen en dat je weet, ik wil schrijver worden. Uit het woordeloze niets schiet als een vuurpeil je verlangen te voorschijn. Omdat alle moeilijkheden van het leven ergens moeten beginnen eer je erover kunt nadenken, zal ik antwoorden, en oprecht.