Parakleet

Robert Kruzdlo 1956

De Parakleet.

  Het hellingbos ligt ongelukkig verscholen in een doffe witte mist. IJzel valt ritselend uit de kruinen van de bomen, smelt van de glazen twijgen en boort gaatjes in de sneeuw, waarin mijn voetstappen van gister staan. Op de sneeuw ligt een fondant zilverlaagje ijs. Het enige wat ik kan is kijken zonder woorden. Door het raam met ijsbloemen, tussen de dampende was door, kijk ik naar moeder – haar mimische rug, voor de brandende kachel. Ze heeft veel meegemaakt. 

  Op de keukentafel ligt een stapeltje post. Overgrootmoeder zoekt in haar tasje naar haar bril en zakdoek. In geval de post weer slecht nieuws brengt. Getergd kijkt ze tussen de onderbroeken met veters, naar buiten. Ze kijkt blindzicht. Kijkt naar binnen en stuit op zachte ijsbloemen op haar ziel? Mij ziet ze niet staan.

  Krakend verdwijnen mijn voetstappen in de verse sneeuw. Ik wil mij voorover laten vallen. Later zal iemand mij moeten vinden maar, ik draai mij om en kijk naar de villa. De villa, behalve de bijkeuken, is leeggehaald en verbeurdverklaard ook kan elk moment kan moeder uit huis geplaatst worden. De villa lijkt op een oude foto, korrelig, rafelig en onscherp. 

‘De autoriteiten kunnen mij verder geen pijn meer doen,’ heeft moeder gezegd,

…pijn dat doe ik mezelf wel aan.

  Voor de mannen het huis kwamen leegruimen – wij, overgrootmoeder, oma en ik hadden onze koffers veilig in de kelder verstopt – heeft moeder, met hulp van het klissende crapuul uit de hoerenbuurt, waardevolle dingen, schilderijen, etsen en de staande klok verpatst. Daarmee heeft ze de rekeningen van de kroeg betaald. Die gedachte doet pijn. Onderwijl schep ik sneeuw, een pad van de voordeur naar de straat en schiet ongenodigd deze zin in mij op:

…een vrouw is met haar geslacht betrokken bij alle dingen van het leven, maar dan heeft ze wel een kerel nodig, een vent om haar recht te halen. (Die had moeder niet.) 

  Kan de definitieve verlossing, het einde van deze situatie nu eindelijk beginnen? Immers, in de villa zal er nooit meer een bed voor mij staan. Met een vertrokken mond maak ik een sneeuwbal en gooi die zo hard ik kan die tegen de ruit van mijn slaapkamer. In de ruit komen barsten: gooi harder sukkel! De sneeuw plakt aan het gebroken glas. Nog harder! Een wak komt in de ruit dan splijt het in stukjes. Mijn leven: stukjes glas die tussen oma’s besneeuwde pioenstruik, haar lievelingsplant, vallen. 

  De woordloze stilte in de tuin, de werkelijkheid zit simpel in elkaar. Ik voel geen woede, machteloosheid noch haat, nee, eerder opluchting dat het verleden geen recht meer heeft van spreken. Heimwee zit niet in de dingen. Het zit in ruimtes, tussen mijn hersenweefsels en windsels, in het geluid van een uilenroep, tussen de sterren en… Verder kom ik niet.  

  Er sneuvelt nog een ruit. Ik hoor gevloek. Ineens is alles anders. Ik zie niemand en schreeuw terug. Van de dakgoot vallen geen mussen van de kou. 

…ben je NU al terug?

  Met tintelende vingers klop ik de sneeuw van mijn broekspijpen. Mijn vingers doen pijn. Schoenen heb ik in de gang achtergelaten en nu sta ik op mijn sokken te verkleumen, met mijn schouder tegen de deurpost van de bijkeuken. Hoe moeder de ruimte inneemt is verstikkend, ik kan er niet bij. Toch is er genoeg ruimte voor een olifant, haar lievelingsdier. In deze verstikkende vochtige ruimte heeft iedereen net genoeg ruimte om te ademen. Op het aanrecht ligt nog steeds de bijl besmeurd met zwart hanenbloed. Het bijl rust uit, denk ik. Op de brandende kachel staat een pan water waarin de geplukte haan drijft. Onder mijn voeten ligt een plas.

…heb je nu de sneeuw bij de voordeur weggeschopt?

  Ik knik. Ze denkt dat ik lieg. Moeder weet, wat zij denkt, dat ik dat denk. Ik denk, wat zij denkt, dat ik denk dat zij… Als ik denk iets heel anders te denken, denkt zij het ook te weten, dat ik weet dat zij dat weet. Dit leidt ertoe, zo las ik later, dat we zo verstrikt raken in deze situatie waaruit het bijna onmogelijk lijkt aan de regels die wij hebben gemaakt te kunnen ontsnappen en dat is wat ik wil begrijpen. Ik doe mijn jas uit en hang die aan de deurpost. Mijn sokken ruiken naar frisse modder.    

…de bomen het bos, die moeten ook afscheid nemen van ons, vraag niet hoe, dat weten alleen de bomen, die weten alles.

  Geruisloos ga ik zitten, de geur van de bouillon zit in mijn buik te roeren, terwijl dat helemaal niet kan.

…wat denk je pestneger doe de deur dicht.

  Klik. Boomwortels: Wortels groeien dwars door mergelsteen de kelder binnen. Onzichtbaar komen ze cel voor cel, millimeter naar millimeter, de vochtige kelderruimtes binnen en als het regent voeren de wortelspruitjes cel voor cel een riviertje hemelwater naar binnen. De mens is ook van cellen gemaakt. Die cellen weten precies wat ze moeten doen, de cellen bouwen een lichaam met organen, een geest. Je hoort de cellen niet denken, toch doen ze wat ze moeten doen. Dat weet elke boom in ons hoofd. Wij hebben miljarden wortelspruiten met een eigen wil.

  Boomwortels zijn verbonden zijn met alle bomen van het bos, mensen niet. Mensen verplaatsen alleen lucht. Tussenmensen heten ze. In de omgeving van de villa hebben alle bomen van het hellingbos en in Nederland, Europa en over de hele wereld contact met elkaar. Berichten elkaar over elk bos-ongeval, rottende, vermolmde, stervende bomen. Droom ik? Natuurlijk droom ik, ook ik mag een woordje meespreken. De wortelberichten zijn alleen binnen in de boom te horen. Op een zomerdag viel ik in de dikste en grootste boom van het bos in slaap. Ik droomde in het kathedraalgebladerte dat ik in de lucht kon fietsen. Of wilde ik toen dood? Ik viel, met een zachte smak als een uiteen splijtende meloen tussen de hazelaars. 

…blijf met je vingers van de knoppen van de radio.

  De bomen in het bos huilen niet, alleen als de sneeuw smelt of de wind door de takken huilt. Onze ogen kunnen verteren en smelten, huilen doen ze niet. Er is iets anders dat huilt. Of toch, maar dit komt pas later, nu niet. Als moeder mij recht in de ogen kijkt smelt ik. Ik los op. Ben er niet. Ik wil naar de weerberichten luisteren. 

  Onderwijl heeft overgrootmoeder de gekookte stukjes haan gesneden en terug de pan ingedaan. Oma, dat was ik vergeten, die maakt de ingewanden schoon. 

‘Kom snij jij de uien eens,’ zegt Oma. 

Ik moet huilen omdat ik de uien moet snijden. Onderwijl het snijden huil ik echt. Oma zegt dat dat door de uien komt.

Moeder beweegt heen en weer op haar stoel. De rug zegt:

…ik heb geen honger.

  Als…, moeder beweegt, komt ze nauwelijks van haar plaats. Ze rilt. Als ze nu zou opstaan zal iedereen schrikken. Het mes valt als een noodkreet uit mijn hand.

De klok boven de deur van de wasruimte heeft een witte plek achtergelaten. De wijzers zijn onzichtbaar achtergebleven. De druppelende kraan geeft de secondes aan. Er zijn hooguit, een paar uur verstreken, het is een eeuwigheid. Dat komt omdat nu alles in de breedte gaat. Onbeweeglijk staat beweeglijk de tijd weg te tikken. Overgrootmoeder gelooft in het Hier Namaals. Oma in de eeuwige wederkeer. ‘Met alles drop en dran,’ zegt ze. Ik geloof alleen in het nu. Dus…

…wanneer vertrekken jullie, zegt moeder stram voor zich uit en spuugt op de kachel.

  Overgrootmoeder en grootmoeder zeggen tegelijk te willen vertrekken. Het moet nueenmaal. Eenmaal is bijna onverstaanbaar ‘Einmahl,’ mompelt moeder. Na een lange stilte, terwijl ze naar haar handen kijkt.

…kom jullie moeten toch maar eens gaan.

  De soep staat op de kachel de tijd te verpruttelen. Bouillondruppels spatten uit de pan en rollen sissend over de hete kachel. Moeders omfloerste stem:

…wanneer vertrekken jullie verdorie nu?

  Haar stem, maar lang niet meer dan een aflatende zucht, een zucht woorden, al hoor je ze nauwelijks, breekt. Wij horen de woorden, kucht en zucht en daarbij rookt zij als een schoorsteen: ze heeft haar adamsappel ingeslikt.

…laat mij maar in rook opgaan.

  De werkelijkheid wordt steeds vager. Overgrootmoeder haalt de vochtige was van de lijn. Grootmoeder veegt de vloer. Moeder stookt de kachel op. 

…haal jij eens een kit eierkolen uit de kelder.

  Ik had het niet gehoord, droomde het en dus reageerde ik niet. 

…jij luistert niet.

  Moeder springt van haar stoel en kijkt mij met grote ogen aan. Haar lippen zijn gespannen, strak en opgerekt. Van haar wijd opengesperde ogen weerkaatst een vreemd licht, vuur kristalhelder boos. In de pupillen zitten barstjes, oude scheurtjes die opnieuw openbreken. Ze komt tot uitbarsting, als een vulkaan en dat weet ze, maar ze kan er niets tegen doen. Op zulke momenten lukt het haar een lava van pijn, als gloeiende modder, over mij heen te spugen. Misschien heeft ze het gezien: ik krimp nu niet ineen. Nu, …ik moet het doen. 

…duw me niet.

.

Hoofdstuk uit het korte verhaal De Parakleet uit de bundel Sneeuwpoeierke.

Robert Kruzdlo New Jersey USA 2022