De gekwelde Homo Clima tussenmens.

Tekening Robert Kruzdlo 2021 HOMO CLIMA

Bij zoogdieren, waaronder ook de mens valt,heeft het brein miljoenen jaren kunnen evolueren. Een brein, dat uit miljarden moleculen en cellen bestaat, heeft ergens langgeleden door fysische reacties het organisme mens bewust doen beleven: dit wonder noemen wij bewustzijn. De mens kan vanaf dat moment door die ‘breingebeurtenissen’ zijn plaats aanschouwen. Een plaats omgeven door een zoektocht van taal naar de niet te vatten voorwaarden van het bewustzijn en de werkelijke werkelijkheid. Door Frederick Nietzsche in de herfst-winter 1887/1888 ingegeven boodschap: …(…) het niet vatten leidt naar vervalsing van het bewustzijn, de mens slaat op hol, stokt en lijkt ten slotte vast te lopen, zonder nog rust te kunnen vinden in het scepticisme want daarvoor is de zoektocht te gekweld. 

Een taalmens staat in een diepe kloof met twee hoog oprijzende wanden, met aan een kant die van het bewustzijn en aan de andere kant die van de werkelijke-werkelijkheid. Daartussen mag hij babbelend uitleggen wat hij als zoogdier begrepen heeft. De schrijver, hoe goed die ook zijn best doet, kan niet dichter bij zijn belangrijke gevoelens komen dan pijnlijk duidelijk wordt hoe hij als taaldier struikelend door de kloof zijn weg vindt: met vallen en opstaan.

“Wat niet wegneemt,” schreef Jan van Riemsdijk als ik het mij goed herinner en begrepen heb, “dat ik mij voldaan voel over het feit dat ik, voor mijn gevoel, mijn taak heb volbracht, mijn werk gedaan…, dat toch doorslaggevend was.”

Taal is Sisyphus werk: daag het brein en de werkelijke-werkelijkheid niet uit. “Geniet wat er nog over is van het mooie klimaat, want we komen pas kijken,” schreef Voltaire in zijn Filosofische woordenboek 1764. 

Zet het u nu niet aan het denken!?

Uit boek De Kolonel 2021 ongepubliceerd Robert Kruzdlo.

De chaos, &, ik en de flitsmijmeraar.

Tekening Robert Kruzdlo 1995 USA New York

Net zoals water, gas, elektriciteit en internet zonder enige inspanning in onze huizen worden binnengebracht -om aan onze behoeften te voldoen- zo komen ook, als wij dat willen, nauwelijks meer door een teken, een eenvoudige beweging van de hand, vanuit het brein, visuele en auditieve beelden binnen en zullen ze verschijnen en verdwijnen door een minimale inspanning, zonder persoonlijke inspanning van een IK.

Schreef Walter Benjamin in 1936 en in 2021 plakte Robert Kruzdlo er wat bij. 

…schrijf ik in een bericht aan Juan. Er is verder niemand in de bus. Het flitsmijmeren komt altijd als ik een reis met bus of trein maak. De duur van de reis is precies de hoeveelheid zand in de zandloper. Ik flitsmijmer door de kleinste opening van de zandloper en dat moment, kent geen tijd. (De afstand tussen aarde en mars verdwijnt met een zandkorrel.) Ik schrijf terwijl ik nietschrijf en de lezer leest wat ik héb geschreven. Onderwijl kijk ik naar de zee, waarop de zon ketst, flitsmijmer ik. Het zonlichtvernis kleurt de zee glasblank. 

Ik leef in drie dimensies tegelijk. Binnen, onder mijn schedel, buiten in de werkelijkheid & precies daar tussenin flietsmijmer ik. & is het teken voor de tussenmens. Ook dit schrijf ik aan Juan, die ergens met zijn door alcohol aangevreten kop op mij wacht. De hersenen van Juan werken niet meer zoals het hoort. Hij woont nu in Ierland, maar het maakt niet uit waar hij woont. Jaren geleden ontslagen als ziekenbroeder, na een reeks van therapieën om van de alcohol af te blijven, groepsgesprekken, valse beloftes, AA, opnieuw valse beloftes, in het bezemhok stiekem drinken, altijd met die valse grijns van hem beloven dat hij de andere kant zou opgaan, werden zijn filosofieën steeds valser, en kreeg huilbui na huilbui tot niemand, werkelijk niets in zijn huilbuien iets zag en hij in zijn post-alcoholische-verdriet uiteindelijk ontdekte dat ook al dronk hij niet, hij niet van de drank kon afblijven. Hij, Juan, was zonder dit bewust te zijn alcoholist, genetisch, misschien dat zijn overdreven huilbuien het verdriet van die ander in hem tot wanhoop bracht en hij in vreemde syntaxissen, paradoxen en drogredenen terecht is gekomen; drogredenen als: wie vrijheid zoekt kent geen vrijheid. Want waarom zou je de vrijheid zoeken als je er nog nooit van gehoord hebt flitsmijmer ik. (Ja deze zin klopt.) Die & van hem ga ik uitzoeken, zo flitsmijmer ik, want die & (de tussenmens) is een belangrijk gegeven en val in de bus weer in slaap. 

In mijn slaap schrijf ik ook. Boeken heb ik geschreven tijdens mijn slaap.

Gedichten, die schrijft Juan óók, zijn meer stellingen zonder antwoorden. Ik vind het versjes, ik vecht tegen gedichten omdat verzen standpunten innemen waarin de schrijver niet verder komt dan O…, en O ooo wat mooi. Is dit het lot van de dichter, versjes maker, die door één enkele poging om een versje te schrijven, want gedichten zijn het niet, door 80 miljoen neuronen in zijn hoofd rondbanjerend, flitsmijmeren,  gespuis van fysische fluimen, een taalmix uitstoten, een Ik & Mij, (We ben Ik,) Hij, …& en Ik en ga zo maar door; het chaotisch episch centrum van persoonlijke voornaamwoorden die de dichter in een vers stopt en tot bedaren moet brengen; is het dan zo flitsmijmer ik, is het dan een goed gedicht, vraag ik me in verwarring af als ik zojuist heb ontdekt dat ik dit met Juan wil bespreken, de onmogelijkheid om antwoord te krijgen? Op mijn telefoon typ ik deze tekst en zend die aan Juan. Juan wacht op mij, tenminste als hij het zich kan herinneren.

De bus raast en rijdt vlak langs ravijnen met haarspeldbochten. Ik moet niet meer op mijn telefoon kijken. Gedichten zijn haarspeldbochten, – schrijf ik later, ravijnen zonder bodem, dansend op grillige scherpe richels. De bergen glijden langzaam in donkere plooien, hoekige scheuren, plakken en keien, met gebeitelde zwart gestolde openingen, grotten, -de oren van de zee, waar de doden zingen. Bergen, die duizenden meters diep verdrinken en kilometers onder het zeeoppervlak weer gaan pieken en moeiteloos aan de andere kant van de oceaan boven water komen, oprijzen en weer dalen. 

Plotseling stopt de bus. De halte is leeg. Geen Juan. Hij reageert ook niet op mijn berichten. Ik twijfel en weet niet of ik hier zal uitstappen. Ik roep de buschauffeur dat hij moet stoppen. Krakend komt onder een oude wuivende palmboom de bus tot stilstand. In de schaduw van een hoog oprijzende granieten muur van waaruit hier en daar verlepte cactussen steken, zoek ik de schaduw op. Voor mij een afgrond en onzichtbaar hoor ik de herrie van de golven. De kruin van een citroenboom komt nog net boven de rand van de afgrond voor mij. In de lucht hangen meeuwen aan een zijden draadje. De zeewind kirt in de holte van de stenen: de dingen spreken tegen me in woorden die niemand begrijpt. De zon staat scheef aan de hemel. De horizon is krom en hoe groot de zee ook is, ik zie nergens een watersnor. Flits: Een wolk valt loodrecht uit de zee en zal later weer terugvallen in zee. In de goot ligt een hartenaas. Rollend gruis. Ik schrik en luister naar het gekrijs van staal, blik en glas. Griezelig. Een zwarte rookpluim schiet de lucht in. Het duizelt me als ik de weg overloop en over de kruin van de citroenboom beneden het groezelige sopwater van de zee zie. Ik heb het gevoel dat ik alles wat ik hier zie straks ga opschrijven in mijn hotelkamer. (Wat ik inmiddels gedaan heb.) Een gauwdief in mij steelt de zojuist opgeslagen herinneringen. 

Opschrijfboekje Flitsmijmeren bij de hand. Het leven gaat door op papier omdat de dingen dan anders spreken. Niet de taal van waarin ik mij bevind, waarvan ik alleen de taal begrijp. Naast mij vallen van de granieten wand stenen. Om niet te worden geraakt druk ik mijn rug tegen de vochtige, bemoste wand. Dan wordt het stil, behalve het geluid van een helikopter die nog ver weg is.

Ik ben ergens in het Spaanse Catalonië. Noord-oost Spanje. Onderweg bunkers en nog eens bunkers uit de tweede wereldoorlog, die herinneren aan de oorlog van de Catalanen tegen Franco. Alles is hier grijs en van steen, een cactus en zo af-en-toe een boom. Laag komt er een helikopter overvliegen.

‘God huilt tussen de sterren zwarte tranen,’ las ik in El Puge een Catalaanse krant die iemand had achtergelaten. Hij daar, jij ja, blijf maar, dacht ik toen ik het las. Na meer dan vijftienhonderdjaar schrijven valt er voor een denkend mens geen eer meer te behalen in deze wereld, schrijf ik nu, op mijn telefoon. Met onze huidige mensenkennis -een vlieg knalt tegen mijn schedel; is het wel een vlieg, zal de wereld huilen en zullen er meer tranen dan ooit tevoren vloeien als een tollende zandloper. We kunnen willen wat we willen, de Beëlzebub van mijn brein doet ’t toch. Maar is er dan nog hoop, dacht ik toen de reddingshelikopter vlak boven zee mijn kant opkwam en achter de granieten wand verdween. Jazeker, er is nog hoop, schrijf een gedichtje, versje of een boek, en dat geeft een hoop troost. 

De boer en zijn boerenland, de leraren en hun scholen, hogescholen, universiteiten, kortom, wie behouden wil wat hem lief heeft, deze edele mensen redden de wereld, dacht ik toen ik met mijn rug tegen de granieten, vochtige en bemoste wand stond. Het wordt donker. Ik sla de vlieg dood met de hartenaas die ik gevonden heb in de goot, -dat had ik niet moeten doen. Er zijn mensen die hieronder lijden. Marguerte Dumas schrijft: Alles om ons heen schrijft, je moet dat leren zien, alles schrijft, de vlieg, zij schrijft, op de muren, ze heeft heel wat afgeschreven… Ze zou een hele pagina kunnen vullen met wat de vlieg heeft volgeschreven. De vlieg zoekt stond op en vermeerdert zich, hij heeft zijn eigen taal, die we niet kennen, schrijf ik later in mijn hotel kamer. Het woord zee bijvoorbeeld, is de zee niet? De zee beschrijft zichzelf anders wel. Hoe? Dat ga ik hier uitzoeken, ik ben jong. Er vallen stenen naar beneden. De rookpluimen zijn verdwenen. Ik druk mijn rug steviger tegen de granieten wand. Hoeveel heb ik moeten vergeten, weg moeten cijferen om dit te schrijven?

Toen ik naar het lichaam van de man achter het stuur keek, die met een behoorlijke snelheid de haarspeldbochten nam, vanonder zijn pet rollen zweetdruppels, hij die af en toe in de spiegel naar mijn ik keek, – HIJ DAAR dacht ik: Hoe zal de buschauffeur mij beschrijven? De raamgordijntjes dansen als jurkjes aan weerszijden van de bus heen en weer. Hippiemeisjes flitsmijter ik. 

Voor het vertrek van de bus scheen de zon oogverblindend tussen de olijfbomen. De toen nog onbeschreven buschauffeur kwam met een peuk in zijn mond aanlopen, gooide die weg en klom in de bus. Als hij de motor start zie ik, herinner ik me op dat moment, de villa waar ik ben opgegroeid en in een flitsmijmer word ik op het schoolplein door een groep schoolkinderen geschopt; ik ruik overgrootmoeder en dan zonder aanleiding komt professor Grundschnabel, docent psychologie aan de universiteit, voorbij. Grundschnabel: hoe hij met zijn ontmaskeringstheorie de meisjesstudenten psychologie, die voor het eerst op zichzelf gaan wonen en zonder enige levenservaring hun spulletjes hadden geordend op hun kamer en met hun moeder nog even wat spulletjes voor de keuken, beddengoed, meubeltjes, bureauspulletjes, schoolgarderobe en nog wat spulletjes voor het fitnesscentrum hadden gekocht en die netjes hadden geïnstalleerd op hun kamertje, of een voorlopige plek hadden gegeven, gezellig toch!, en geheel onverwachts toch in een opgewonden crisis waren terechtgekomen, opzadelde met diepe zielsvragen, zij, de meisjes, zwijmelend dronken de eerste studentennacht in kroegen hadden doorgebracht, verpletterd overvallen werden door vragen uit hun kindertijd, trauma’s die verborgen hadden moeten blijven plotseling toch, als door de nauwste opening van de zandloper werden geperst, tot bewustzijn waren gekomen en dat die meisjes geheel in de war, met hun zojuist gekochte spulletjes, tussen de zojuist gekochte Ikea spulletjes, niet tot rust konden komen en eigenlijk niet de zojuist gekochte spulletjes hadden moeten aanschaffen. Van alles ging er na de eerste zuipnacht mis, het verleden kotsend door hun hoofd. 

Onderwijl ik stond te wachten op een seintje van de chauffeur moest ik aan die arme meisjes denken, de eerstejaarsstudenten waaraan in het begin van hun studiejaar niets viel af te zien dan dat ze gelukkig waren, en niet dat ze met hun gekochte Ikea spulletjes doodongelukkig konden worden en dat zij, hoe ze dat ook verhuld toonden in een diep droeve depressie waren terecht gekomen, net als de verzengende Spaanse zon die op zee schijnt, zij als bevroren spiegelwater, dacht ik toen ik dat een tijdje geleden heb opgeschreven, nu de hemeltergend flets en schaduwloos ineenstortten van de wereld. Ik kan het weten. Ik heb dit ook meegemaakt. Misbruik, huiselijk geweld, aan alcohol verslaafde ouders… Ik moest aan Thomas Bernhard denken, die schreef: ik wil nu niet aan herinnerd worden. Toch, …ik ril en zweet me weer een andere flashback. Zeker weet ik het niet, maar ik ben een beetje Thomas Bernhard. Ik ben pastiche.

Grundschnabel: emoties zijn onnodige termen in de wetenschap, had hij geschreven, wetenschappelijke beschrijvingen hebben niets met emotie of gevoel te maken…, had hij in de eerste college tegen de Ikea studentes gezegd. Het zijn curiositeiten die jullie bij je onderzoek achterwegen moeten laten. De Ikea meisjes verborgen zich eerst op de toilet en toen de nachtwaker ontdekte dat er nog een Ikea meisje op de toilet zat, heeft hij de politie gebeld. 

Grundschnabel stierf tijdens een safaritocht in Afrika. Oké, geloof me, zijn laatste woorden waren: ik geef me over. De universiteit eerde hem met een uitvaartdienst – ik heb nog nooit zoveel tranen in traangeulen van hun gelaten zien vloeien, emotie en gevoelige toespraken gehoord als de kerk van het Doorboorde Heilige Hart waar Grundschnabel lag opgebaard. Stuk voor stuk gevoelige mensen allemaal, die wetenschappers…? 

Wetenschappers vergroten de ellende in de wereld flitsmijmer ik en wacht op een seintje van de buschauffeur? Wetenschappers maken alles erger dan het al is, ze analyseren alles stuk en dat om feiten aan het licht te brengen? Welke feiten? Die van de eerstejaars Ikea meisjes en -jongens? We staan machteloos tegen de wereld, de natuur, het heelal en zullen eens net als de bergen vergruizen ondergaan tot op de bodem van de zee. Dit en nog veel meer flitsmijmerde ik met de rug tegen de granieten wand.

De buschauffeur vraagt schreeuwend met een bezweet gezicht waar ik wil uitstappen. ‘Bij het pompstation Selva,’ roep ik zo hard ik kan, want op dat moment trapt hij op het gaspedaal. Selva, dan moet ik omrijden en dat scheelt mij een kop koffie. Ik schreeuw nijdig terug: Héé por favor… Selva,’ en word wakker.

Ja, ja, ik hoor je wel, zegt de buschauffeur kijkend in zijn achteruitspiegel. 

Ik kijk naar zijn lachende schouders en realiseer me dat ik een tijdje heb zitten slapen.

Ik kijk op mijn telefoon. Juan zegt dat hij er al is. Ik tik een versje naar hem:

wil

ik kan 

willen 

wat ik wil

wat de 

wil wil

doet zonder

mij & ik 

toch wel

zelfs als ik & hij droom 

blijft het zus & zo gewoon

wil

Selva. Als de bus voor het pompstation tot stilstand komt stap ik in het opwaaiend stof. Niemand? Verderop onder een menshoge cactus een bankje, passend in het landschap, herken ik meteen Juan. De deuren van de bus gaan met een hevige klap dicht. De buschauffeur toetert en ik zie nog net hoe hij met zijn schouders schudt. Ik word door de vertrekkende bus onder stof en gruis bedolven. Juan wipt van het bankje en komt op mij af lopen.

Bij het benzinepompstation, in café Tallat, is het druk. Ik ben nieuwsgierig hoe het er van binnen uit zal zien: hetzelfde interieur, dezelfde mensen en dezelfde bedienster, mevrouw LLuciana? Twee jaar geleden was ik hier voor het eerst op vakantie.

Als ik achter Juan de cafédeur loslaat, die automatisch in het slot valt, verstommen de gesprekken van de kaartspelers die in het midden van het café aan een ronde tafel zitten. Alles is nieuw voor me, de sfeer en de mannen. Ze zijn verbluft als ik naast hun sta. Ik herken de oude mannen die altijd met dezelfde kleren door het leven gaan. Maar herkennen ze mij? Te verlegen om iemand gedag te zeggen zoek ik een plaats ver bij hen vandaan. Plotseling roept de grootste van de kaartspelende mannen, herkent hij mij? – een Francofiele Spanjaard Heil Hitler, niemand die op de doerak reageert. De kaarten kletsen harder op tafel, er wordt openlijk en hard gevloekt en, scheldend worden de kaarten opnieuw gedeeld. Er wordt zonder onderbreking gefluisterd, gesnoven en weer roept de hij Heil Hitler. Juan komt met grote passen op mij aflopen en verontschuldigt zich: een glas witte wijn en olijven, zegt hij en gaat met zijn rug naar de mannen toe zitten alsof hij door een enorme muur afgeschermd wil worden. Een van de mannen raapt een hartenaas van de vloer. Ik zeg niets. Door het verlies van de hartenaas in het spel, moet het kaartspel over, zegt de Francofiel. Iedereen heeft vals gespeeld, zegt hij en haalt met een potlood een dikke streep door de getallen die in een schriftje staan genoteerd. Juan kijkt mij aan en aan zijn ogen te zien is hem niets ontgaan. Of toch?

Brein & wereld, 1.2.3. ik kan alleen toekijken. Die & ben ik, hij, wij en het brein, ja alles is brein.

@Robert Kruzdlo Korte verhalen 2021

To catch a glimpse.

Als je geen ogen in je kop hebt hoe is het dan mogelijk dat ik, in een droom, frisse groene rucola zie.

Soms vang ik, in een korte verschijning en zonder dat ik dat wil,  een glimp van mijn ander zelf op. Ik ben dan even niet die ik was of nu ben. Ik ben even de ander en niet de ander die mij maakt: Nooit. Vreemd niet? 

De existentie is een puur chemische en neuraal-elektrische werking van mijn brein. Het kiezen wie ik ben is onmogelijk. Ik denk dat ik niet ben wie ik ben en ook nooit zal worden wie ik ben; ik ben een derivaat van mijn hersenwerkingen. Er valt niets aan te doen. 

Ik, hoe kom ik van die ik af? Ik verlang de ander te zijn. Soms vang ik een glimp op van mijn brein die zonder (het) ik zijn werk doet. Het maakt mij blij. De ik is er even niet.

Vannacht droomde ik over groenten. Ikzag de kleur groen in allerlei schakeringen. Er hing een uithangbordje bij: groeten. Vooral de groente rucola was prominent aanwezig. In de droom vroeg ik: als je geen ogen in je kop hebt hoe is het dan mogelijk dat ik frisse groene rucola zie. Een antwoord kreeg ik niet en dat voelt als een liefdeloos gemis. Een gemis dat zich alleen afspeelt in mijn hoofd. En wie ben ik om daar met een pincet in te roeren en te zoeken. Het brein kan zonder ik en de vragen die ik stel al helemaal.

Die rucola en de glimp van mijzelf is dat chemisch? Van die vraag lig ik niet wakker van. De wereld om mij heen, de beelden, emoties, gevoelens en het verstandelijk gebruik daarvan is allemaal een chemisch neuraal proces. Dank u, zeg ik tegen mijn brein. Dat ik als kunstenaar de natuur dankbaar ben, want…, ik kan vanuit dit standpunt beide kanten aanschouwen. 

In mij, in mijn brein moet een autodidactische “schrijver” zitten, een kunstenaar en ik mag het exploiteren omdat ik tussen brein en de werkelijkheid insta. Ik ben een TUSSENMENS. 

Mijn verlangen gaat dan ook uit naar de boekenschrijvers: literatuur zou hierover moeten gaan. Een boek slecht of goed geschreven maakt niets uit. Dat de meeste mensen liever alleen goede en slechte boeken met al zijn bekende talige ingrediënten en syntaxissen willen lezen, zonder enige afwijking, zegt veel. Echte literatuur wil dit niet. Literatuur is een brein zonder ik waarin een schrijvertje zit die ik nooit word.

Voorbeeld: “De handeling van dit verhaal zal ertoe leiden dat ik ‘transformeer in een ander’ en uiteindelijk materialiseer in een object. Ja, en misschien bereik ik de blokfluit waar ik me als een soepele liaan omheen zal winden”, schreef Clarice Lispector.

Vrijheid is aanvaarden dat het ik, het bestaan niet logisch is, maar chemisch. Het brein functioneert zonder ik veel beter. Dat komt omdat het brein zichzelf niet kan observeren. Het brein is natuur tussen de natuur: het binnen en buiten. Bloed, tranen, zweet, sex, honger en nog veel meer. 

In de literatuur zou die IK als een abject persoon duidelijk naar voren moeten komen. Hoe weet ik niet precies? 

Of zoals Sartre zegt: Het ik is een dingetje van het brein.

Foto Nicolai Kruzdlo in de HAMMAM 2020 New York

.