μήνυμα κόλπου

Ze zat in het laatste jaar van de middelbare school. Een nogal bonkige tiener die danste op de muziek van Tom Jones Sex Bomb. Ze was van een andere chemie, haar lichaamssappen werkte fysisch anders dan bij haar klasgenoten. Ze had dijen als een merrie. Hengstig. Ik had de Multatuliaanse ‘gele jalousie’ en begreep algauw dat het kwam dat zij zich te veel door de teugels van haar driften liet leiden. Ik kreeg er groene ogen van.

We hadden sex op de bank in moeders flat. Zo’n flat, een doos, rijen dozenflats, onooglijk nu, maar toen waren de straten nog niet vol met auto’s. De bomen waren dun en de zomers zwoel van het jonge gras.

Daar op die bank trok ik te laat mijn ding terug. Paniek. Vooral zo vlak voor het eindexamen. De pil? Condoom? Spieraaltje? We waren nog jong en seksuele voorlichting, ho maar. De seksuele revolutie was net begonnen: voor haar nog meer vreugde. Dolle mina, och dat kon er ook nog bij en…, ik ben géén bezit van jou kwam als een woke: anti psychiatrie. Een warrige tijd. Sex bleef hetzelfde.

Uren heeft ze in paniek haar vulva vol zeepschuim gestopt. 

Ik was verslagen door schaamte en wanhoop die mij paranoia maakte, maar dat was ook weer in. Ik sliep op de Dam, in het Vondelpark en iedereen dacht dat ik stoned was. Mijn ogen zagen zwart van ‘puberpaniek’. Er was niemand om mij heen die ik het verhaal van de bank, Osdorp, zeepschuim en dat ze misschien in verwachting was vertellen kon.

Eindexamen schoolfeest. Op Sex Bomb werd wild gedanst. Zij danste als een circuspaard op spitzen de twist. Een raar gezicht was het en niemand begreep het. Bezweet zoende ze in het fietsenhok met een klasgenoot. Ze had zich het gompes geschud, en haar moeder had haar die nacht alles vergeven: vloten de vogels.

Ze werd misselijk en ging naar het toilet. Daar viel iets in de pot. Ze keek er naar. Ze trok de wc door en vergat alles. Ze ging psychologie studeren. Deed het met die en die. Slaagde, zonder moeite. Alles ging zonder moeite. Had het geluk met de erven en biologisch veranderde er niet veel bij haar. Ze had haar hele leven geluk.

‘Weet je,’ zei ze de volgende dag toen ze gebiologeerd in de pispot had zitten kijken, ‘het waren net lucifersstokjes.’

Meer dan 55 jaar geleden en nog steeds komen de herinneringen zonder dat ik erom vraag terug.

De zelfdenkende neuronen die houd je niet tegen.

.

Girona 5 mei 2022 Robert Kruzdlo 

Eisso S schiettent

Woensdagmiddagkermis

Het was druk, schooljeugd zonder ouders die tussen de kermisattracties in groepjes ophielden. Zonder iets uit te geven slenterde zij druk gebarend tussen de lawaaierige attracties door. Druk kletsende meisjes, gillend en schreeuwend, soms trekkend en sjorrend op een kluitje voor de schiettent. Alleen kinderen van rijke ouders konden het zich permitteren om uren in de botsauto’s rond te rijden. De anderen keken jaloers en lacherig toe hoe de vetkuiven zich vermaakten in de botsauto’s. De meisjes smoezend en schuins naar de jongens kijkend, de jongens, dwaas en verlegen terugkijkend en soms bruut commentaar gevend op het uiterlijk van de meisjes. De meisjes fluisterden en kozen de stomste, de domste jongen uit, het werd hun slachtoffer, wat gekunstelde lachjes opriep. Ingewikkeld gedoe, vond ik. 

Plotseling maakte een meisje zich los van de groep. Ze kwam met trage stappen op mij en de schiettent toelopen en zonder iets te zeggen legde ze een gulden neer.

“Dan mag je vier keer vijf schoten doen,” zei ik volleerd. 

Het was hetzelfde meisje dat gisteren een tijd voor de schiettent had rondgehangen.

“Hoe heet je,” vroeg ik rap, zonder haar aan te kijken.

“Wolk, Roos Wolk,” zei ze zacht en drukte de luchtbuks tegen haar schouder. Nogal onhandig. Ik hielp haar.

“En jij,” zei ze zacht.

Een verschrikkelijke opwinding joeg als een ellendige bloedstroom door me heen. Mijn wangen gloeiden en in een flits, minder dan een seconde welde het een gevoel van verliefdheid in mij op.

Ik noemde mijn naam en dorst haar niet in de ogen te kijken. Ze hield de luchtbuks aan haar schouder zonder te schieten. Haar nagels waren bloedrood gelakt. Ik keek naar haar oorschelp en naar het plukje haar dat over haar slaap en oor viel. Meer niet. Een seconde lang, misschien korter. Het wond mij nog meer op. Het bloed klotste in mijn keel, alsof ik het kon uitkotsen, en ik bleef slikken, maar dat hielp niet. Waarom weet ik niet. Zo’n detail, vreemd. Haar lange wimpers trilden in de zwoele lucht, haar wangen licht gepoederd. Haar gezicht kon toveren, en toen ik probeerde om haar te helpen, – er waren weer enkele secondes verstreken, gaf iemand een harde klap op de toonbank: “Sukkel, we willen schieten.”

Het was de jongen met lang zwart haar, scherpe neus en een dun snorretje, pukkels en vlammende groene ogen, de jongen die ik eerder bij de bakker had gezien, ook hetzelfde groepje. Ik laadde het geweer en ging een eindje van hen af staan. Het meisje keek toe hoe hij bij het eerste schot een foto schoot. De andere jongens joelden en zeiden dat Neus, ja zo heette hij, de beste schutter was van de stad was.

“Wedden, “ wierp een van hen mij vijandig toe.

“Kom maar op, “ zei Neus vurig. Zijn handen grepen naar een ander geladen luchtdrukgeweer. (Nu lijkt hij een wedstrijd met de ik-figuur te willen aangaan, maar dat wordt in de volgende regels overklast.) Een van de jongens griste het houten bakje met kogeltjes weg. Ik trok hard aan zijn trui terug, zo hard dat ik een pluk wol in mijn hand had. Een jongen wilde mij met zijn vuisten op mijn handen wegslaan en voor ik wist wat er gebeurde hadden ze allen luchtbuksen op mij gericht. Ik voelde me alsof ik voor een vuurpeloton stond.

“Hier, net als in de oorlog, we schieten op je domme kop, die zigeuner, jood,” riep een dikke knaap met varkensogen schel. 

“Zigeuner, we zullen je een lesje leren, blijf van onze meisjes af,” zei Neus ranzig, en uit zijn mond floot een spuugklodder op mijn gezicht. Woedend zei ik dat ik geen zigeuner en Jood was. Dat had ik niet moeten zeggen. Ik had mijn mond moeten houden. Er kwam een valse glimlach op mijn lippen. De woorden Jood en zigeuner klopte harder in mijn hoofd dan mijn hart. Ze spande de luchtdruk geweren en richten die op mijn hoofd. De klodder spuug liep in mijn mondhoek. Ik dorst die niet weg te vegen, had ik dat wel gedaan dan hadden zij dat als uitdaging gezien: langzaam met een grijns met mijn mouw afvegen, zo dacht ik in een flits. Niet doen, tegelijk.

“Stomme gans, mot je nie naar school, zigeuners, Joden hebben geen verstand hé. Pang, pang, pang gaan we doen.” 

De dikke gaf met de kolf van de luchtbuks mij een harde klap tegen mijn buik. De luchtbuks viel kletterend op de grond. Toen ik hem van de grond wilde oppakken om mij te verdedigen, grepen de andere jongens mij stevig beet. Nu, ik kon geen kant meer op. Na een paar seconden trokken tientallen handen mij kop en kont over de toonbank. Ik verweerde me zo goed als maar kon, maar mijn hele lichaam begon pijn te doen. Ik hield mij slap om de stompen op te vangen. Ik trilde, mijn lichaam was volstrekt een vreemde geworden, een lijf die ik weggegeven had om te martelen. Er moest nu een wonder gebeuren, anders zou ik door de jongens vermorzeld worden en mijn lichaam niet meer terug krijgen. Ik zag bijna niets meer en toen ik in mijn broek begon te plassen van angst, zag ik dat het mooie meisje met het lokje haar over haar oren, de luchtbuks op het groepje jongens richtte. Ineens schoot Roos, die voor me was gaan staan, Neus precies op zijn voorhoofd. Het werd stil. Niemand deed meer iets. Roos huilde en liet de luchtbuks op de grond vallen. De jongens weifelde, terwijl Roos met haar zakdoek het bloed van mijn gezicht veegde. Flinke schaafwonden en een blauw oog, een ander lichaam waar mijn geest langzaam in terugkwam. 

Toen ik weer wat begon te zien, mijn ogen branden van de tranen alsof ik uien had staan schillen, stond een eindje verderop een politieagent bij het groepje jongens, die druk gebaarden en riepen dat ik begonnen was. Precies in het midden van Neus zijn voorhoofd liep een straaltje bloed over zijn kokkel. Hij grijnsde met een rij rotte tanden. Roos stapte huilend naar de agent en vertelde wat er gebeurd was. (Blijkbaar gelooft de agent haar meteen.) Toen de jongens zich van het kermisterrein moesten verwijderen riep een van hen naar Roos: “Trut, hoer dat je bent.”

Roos hielp met opruimen en toen ik met trillende stem zei dat ik me ging wassen en een ander hemd ging halen, paste Roos op de schiettent. Het geweld leek op een film die in m’n hoofd eindeloos werd herhaald. In een film speelde ik. Mijn hoofd maakte er een film van, een herinnering met beelden die ik niet echt zag, maar wel naar keek en de waarheid zo divers was dat ik gek werd. Ik rook het bloed en voelde een stekende pijn achter mijn oog. Mijn buik deed pijn en de urine in mijn broek stonk. 

Mijn kuiten trilden en ik voelde dat zich een enorme leegheid in mijn hoofd opende.

“Hier, draag deze zonnebril, “ had Roos gezegd en haalde uit haar rugzakje een zonnebril tevoorschijn die ze bij een andere attractie gewonnen had. Ik zette de bril op mijn gehavende neus en maakte een nerveus grapje. Ik verstond haar reactie niet. Roos aaide met haar slanke hand over mijn krullend haar en gaf spontaan een kus op mijn wang. Mijn hoofd leek groter dan de wereld, alles werd kleiner, kleiner dan het heelal zo groot. 

“Je haar knettert,” zei ze lachend, “lijkt elektrisch, ik weet niet hoe dat kan, komt het misschien door je boosheid?” 

Ik zag het. Ik hoorde het aan haar stem, die veranderd was, was ze echt op mij verliefd? Ik schrok bij de gedachte dat ze misschien verliefd op me was. Ik kon geen woord uitbrengen. Dronken van pijn en emoties keek ik in Roos ogen om te proberen, zonder woorden, iets duidelijk te maken, maar ik kon geen ‘blikwoord’ uitbrengen. Roos dacht misschien dat ik een afspraak wilde maken, misschien naar de film gaan of hand in hand wandelen. 

Nu wist zij niet dat ik eigenlijk helemaal niet de bioscoop in mocht, omdat ik te jong was, omdat de vrouw van de kassa niet van een kermiskind hield, alleen mocht ik als het licht van de filmzaal uit was snel naar binnen. Ik kon niets zeggen, mijn lichaam stond aan de grond, op drijfzand genageld, dat is het enige wat ik kon, vastgenageld staan op drijfzand. De aarde onder mijn voeten zonk weg. Roos wachtte tot ik zou zeggen dat we samen iets gingen afspreken. Roos zei: “Nu tot…” verder kwam ze niet. Ze wachtte af…, en op haar gezicht kwam een rode blos. Haar ogen werden groot en ze knipperde met haar ogen. Ze keek naar rechts, links, rechts en dan naar de grond.

Roos moeder, die haar ruw aan haar arm van de counter weg had getrokken kreeg een tik tegen haar oor en een duw in de rug, zodat ze bijna viel.

“Naar huis jij.”

Roos draaide zich naar mij om. Die blik op haar meisjesgezicht, die verschrikkelijke alles zeggende smartelijke blik: de mondhoeken naar beneden, zoals Maria opziet naar haar Zoon aan het kruis, haar rode oortjes door de petsen die ze had gekregen, en nog een keer met gebroken stem:

“Dag nu…ik…” verder kwam ze niet.

Zo heb ik het gezien van deze kant Robert Kruzdlo 1962

Robert Kruzdlo Girona Spanje 3 mei 2022

De man is de vrouw in zichzelf de baas geworden. 

After living together for twenty-seven years, Joyce and Nora got married at on 4 July 1931.

“Je had die nacht een kont vol scheten, schat, en ik neukte ze uit je, dikke kerels, lange winderige kerels, snelle kleine vrolijke scheuren en heel veel kleine ondeugende scheetjes eindigde in een lange stroom van je gat. Het is geweldig om een scheten vrouw te neuken wanneer elke neukpartij haar uitdrijft. Ik denk dat ik Nora scheet overal zou kennen. Ik denk dat ik haar kon uitkiezen in een kamer vol schetenlatende vrouwen. Het is nogal een meisjesachtig geluid, niet zoals de natte winderige scheet waarvan ik denk dat dikke vrouwen hebben. Het is plotseling de droog en vies, zoals een brutaal meisje zich ’s nachts in een slaapzaal op school zou uitleven. Ik hoop dat Nora haar scheten in mijn gezicht niet zal laten. Zodat ik ook haar geur zal kennen.’

Joyce op zijn best? Joyce die alles kon doen met taal. Onbegrensd. De drift in taal vergoddelijkt alles, niet de afgesproken taalregels. Als de vrije wil niet bestond was er geen goed en kwaad. 

Taal tuinieren, schoffelen en spitten. Wat de een onkruid vindt is voor een ander schoonheid. Taalgeleerdheid is een vak die Joyce begreep: op de schop ermee! Er wordt altijd te veel of te weinig gezegd en je bloot geven in taal is van een intellectuele naïviteit. Onschuldig op ‘taaldrift’ reageren is niet naïef, het mooiste wat er is.

‘Leven is dat wat met geweld zijn weg baant,’ Lucilius.

Barcelona Robert Kruzdlo 30 april 2022

Ernst Jünger

Ernst Jünger, (born March 29, 1895, Heidelberg, Ger.—died Feb. 16, 1998, Wilflingen), German novelist and essayist, an ardent militarist who was one of the most complex and contradictory figures in 20th-century German literature.

Zien is bij Jünger nooit iets louter passiefs – het is eerder een vorm van ‘aanval’. Het is hem voldoende om overal waar van Gestalt sprake is ‘een lege plaats, een venster open te laten, dat door de taal slechts kan worden omraamd en dat door de lezer met een andere bezigheid dan het lezen moet worden ingevuld’.

Zien is wat vanuit de geest “voor-ogen” komt. Zien is wat de werkelijkheid op je ogen drukt. De mens kan nooit zien waar precies het zien – fysisch, neuraal, biologisch – vandaan komt. Het brein is ontoegankelijk, de werkelijkheid is ondoorgrondelijk. Zien is volgens Ernst Jünger boven iedereen en alles staan. Ethisch, esthetisch en misschien zelfs boven de kunsten staan.

Zien is niet dwars door mens en dingen kijken, maar … och kijk en luister.

.

Barcelona april 27 2022 Robert Kruzdlo

Poëtica prop van KIRAC monoloog.

Bestel een nieuw hoofd bij KIRAC

¿Wij zijn solidair met de slachtoffers van de kunsten, wij HEERLIJK HELDER KIRAC zalven de culturele zonden want je vecht altijd tegen je (de) cultuur en… je wordt daardoor door de cultuur beloond, cultuur is een onbevredigd genieten, grappig de dood te zien in onze cultuur…, leven met tegenstrijdige gevoelens, bottom up, top down, zwart wit, dat portret laten zien, de innerlijke tegenstellingen, niet één kant als het cynisme laten zien van jezelf maar ook het hondse: zoals je ouders ook waren, en, hun voorouders, de biologie van de mens, balanceren op een koord van de homeostase, balans…, de kunst moet hier naar kijken, (sic, zegt de woordvoerster van KIRAC) hier een portret van maken, ontmaskeren, ledigen en je vijand in jezelf omarmen, de tegenstelling van het neuraal innerlijk en de dove werkelijkheid, dat moet de kunstenaar laten zien, deze feiten zijn saai, daar kun je géén geld mee verdienen, niemand zal je uitnodigen om de verscheurde mens die hij eigenlijk is te laten zien, KIRAC wil op een nieuwe manier met de waarheid omgaan, met de KUNST, gewichtloos tussen wat in je brein en in de werkelijke werkelijkheid gebeurd is wat Robert Kruzdlo TUSSENMENS noemt, en, hoe je je ook verplaatst, van de ene plek naar de ander, vanuit het binnen, vanuit het buiten, de natuur maakt je slachtoffer, de ‘Tussenmens-kunstenaar’ kent deze plek, is zich bewust van zijn lichaamsgewicht, hij weet zijn plaats en pas dan … als hij lef heeft de onzin van zijn zinvolle projectie in te zien, en dat inzien = het HET, daar gaat volgens mij KIRAC over en natuurlijk ook weer NIET…WEL om de liefde¿

Liefde duurt korter dan het leven van een kunstenaar.

Wordt vervolgd.

Barcelona Robert Kruzdlo april 21 2022

!dyonisich hermann nitsch ist tot!

Hondse kunst van Hermann Nitsch

1938 bin ich in wien geboren und im 2. weltkrieg aufgewachsen. von 1943-1945 musste ich als kind täglich bombenangriffe erleben. mein vater fiel in russland. der krieg machte mich schon als schüler zum kosmopoliten und gegner aller nationalitäten und aller politik.

hermann nitsch de holenmens, hondse kunstenaar, filosoof, een weerspannige kunstenaar, rebellie, opstandig; de kunstenaar dient de deugden van de recalcitrant en de opofferende weerspannigheid te belichamen: dit is mijn lichaam en dit is mijn bloed. biologischer kan het niet: goddeloos en atheïstische polonaise.   

Foto Ars Electronica Hermann Nitsch

het uit de aarde opstijgt je voeten bereikt aan een eindeloze reis begint doorbloed het

luister

hoor

het

Robert Kruzdlo Barcelona 20 april 2022

Onderwereld

Expositie Robert Kruzdlo LUIK 2005

Een kort stukje uit mijn boek LUIK waar ik jaren gewoond heb. 1999-2006 Niemand, alleen mijn kinderen en wat vrienden weten dat ik LUIK een van de mooiste-lelijkste stad van België vind. Dostojevskiaans.

Ik observeer vanuit mijn schildersatelier op de tweede etage dromerig de meute in rue pont d’avroy te Luik en ontdek dat de meeste vrouwen, voordat zij naar de voorstelling in het theater Forum gaan, – dat aan de overkant van mijn atelier ligt, zwart gekleed zijn, links en rechts in de winkelstraat zie ik geen kleurige kledij. Deze oude steenkoolmijn stad door werkloosheid gekweld, is de mooiste lelijkste stad van België en dragen daarom bijna alle moeders en kinderen zwarte kleren¿ Ook de schooljeugd loopt slonzige gothic gekleed, zwart van blijheid en uitgelaten existentialistisch.

Rue pont d’avroy Liége 2005

Middagpauze. 

De meeste vrouwen in het zwart, haar zwart geverfd, zwart leren laarzen, begeven zich naar de kiosken waar belegde stokbroden, wafels overgoten met warme chocolade, worden verkocht. Ze zoeken een bankje op of gaan al flanerend, beuzen aan hun stokbrood verpakt in bruine papieren zakken. Treuzelend hangen ze voor beroemde mode winkels. De modewinkels tonen felle kleuren, in vrolijke paletten. 

Dan vegen, slaan ze de kruimels van hun borsten voor ze terugkeren naar hun werk. In de verte hoor ik diep tromgeroffel.

Vreemd. 

Wat zijn de oorsprong van mijn gedachten nu? Wat gaat er aan de gedachten vooraf,’ vroeg Multatuli zich af.

We denken hier nooit over. Kunstenaars ook niet! We maken er gewoon privé denkbeelden en kunst van. De oorsprong van geest of taal bijvoorbeeld¿

De mannen willen nog wel eens iets anders dragen dan zwart. Grijs bijvoorbeeld, donkerbruin versleten corduroy, vuilbruin ribfluweel of totaal versleten fletsblauwe colbert, een gekleurde das… In veder geval kauwen Luikse mannen niet op stokbrood. Soms trippelen, treuzelen kinderen, huppelen, verwend met Luikse wafels, monden onder de chocola en dralen na een veeg uit de pan van hun vader achter hun ouders aan.

Nu dit is wat ik op straat beneden mij zie.

Treurig toch?

Kunst is geen logica of verstandelijk iets en als men kunst uitlegt is dat geen kunst. Kunst is hooguit een op hol geslagen drift. Ik ben ongepolijst, een drommel in de kunst.

Al die tijd, dat ik deze scènes dromerig heb aanschouwd, speelt er op de achtergrond Mahlers Kindertotenlieder. Mahlers grote muzikale treurmuziek en, …dat niet in taal te vangen is. Vandaar. Een kind verliezen aan de dood, waardoor een lege sprakeloze plek overblijft en waar alleen de muziek nog kan spoken, een verzadiging van hopeloosheid aan emoties, tuimelende stemmen en,… dat allemaal bijeen, het is van een hartverscheurende toevalligheid dat ik zoveel vrouwen in het zwart zie.

Een stoet nadert.

Plotseling wordt een enorme spandoek de straat in gedragen: Dutroux naar de hel!

Luik 2005

Over de vensterbank loopt een dikke bruin-witte kakkerlak. Daar ben ik aan gewend geraakt: “Nu wil u vertellen, heren, of het u zint het te horen of niet, waarom ik zelfs geen kans heb gezien een insect te worden. Ik verklaar u plechtig dat ik meermalen een insect heb willen worden. Maar zelfs dat heb ik niet klaargespeeld.” Dostojevski 1864.

Morgen wordt een expositie van mijn werk in een Luikse galerie geopend.

Robert Kruzdlo Barcelona 2022

Goede Vrijdag?

Goede Vrijdag Barcelona 2022 15 april Foto Robert Kruzdlo

Op het eerste gezicht lijkt mijn leven een chaotisch samenraapsel van gebeurtenissen, herinneringen, dromen en warrige teksten. Van enige chronologische ordening is nooit sprake. Toch is mijn leven – het nu – verre van chaotisch, hij is de ordening van de chaos, een compositie waarin alles helder-comateus plaatsvindt. Uit die ordening ontstaat een fictieve werkelijkheid, maatschappelijk en culturele fictie, die misschien, niet de historische of “werkelijke werkelijkheid” is, maar die binnen mijn leven, een drift, overtuigingskracht heeft dat het zo had kunnen zijn, nooit moeten zijn of zou zijn.

Als je een zekere leeftijd hebt bereikt, zoals ik, zou je naar een afgelegen plek moeten verhuizen. Een plek waar niemand mij kent en je het risico vermijdt vrienden, nu ja, bekenden of vijanden tegenkomt. Waar je vredig kan leven met je ressentiment, woede en het HET: HET het brein.

Een plek waar de onzin van de zogenaamde feiten – die geen feiten zijn – kunt ontwarren, waar objectieve bevindingen van instituten – als UWV, SVB* – lachwekkend worden en alleen de wetenschappelijke feiten overblijven. Je erbij neerleggen dat illusies alleen een overtuigingskracht nodig hebben. En tel dan hoeveel mensen hierdoor de klos zijn geworden¡¡¡ (25.000 of meer¿)

Vrouwen, moeders kunnen de rest van hun leven in rouw leven en misschien worden er geen kinderen meer geboren.

Op Goede Vrijdag* denk je aan al die zijn gesneuveld door illusies.*

.

*https://www.rijksoverheid.nl/documenten/publicaties/2021/07/06/bijlage-knelpuntenbrief-wet-en-regelgeving-svb

*Nederlandse christelijke schrijvers hanteren vaak het standpunt dat de vrijdag voor Pasen “goed” wordt genoemd, omdat de kruisdood van Jezus het noodzakelijke offer was dat verlossing van de zonde mogelijk maakte. 

Robert Kruzdlo

Rondreis ten einde…¿

Conil de la Frontera 6 april 2022

Rome Italië, Spanje Vejer de Frontera en Conil de la Frontera mijn reis is ten einde. Drie maanden hard gewerkt aan mijn boek ‘Kermis’, veel nagedacht en aardige mensen ontmoet. Helaas ik moest de reis afbreken door omstandigheden. Deze maand vertrek ik naar mijn zoon die in Barcelona woont en dan samen met hem naar Nederland.

Het boek ’Kermis’ is bijna af. (Vandaag vond ik dit weer niet, verdorie¡) Terugtrekken is wat ik mijn hele leven al doe. Een thuis heb ik nooit gehad, waarschijnlijk ook nooit krijg. Na drie maanden sta ik weer op mijn terras in Jerez de la Frontera en kijk: de naam van de plant moet ik opzoeken.

Vanaf dit terras kijk ik uit over de Andalusische flamenco stad. Cherry geuren wasemen door de gevels en straten. Je moet geen kater hebben. Na een paar uur wil ik weer weg. Ik moet maar weer eens verhuizen. Voor de lezer is dit onvoorstelbaar. Ja.

Robert Kruzdlo april 6 2022

Goethe’s Augenschirm 

Goethes sterfbed en zonneklep.

De zon schijnt niet. Toch is het druk op de terrassen en in het oude centrum van Conil de la Frontera. Iemand valt mij op, een oude vrouw, ze draagt een zonneklep. Onder de zonneklep een zonnebril. Voorovergebogen, voldaan knikkend boven een rij sardines. Ik heb haar eerder gezien. Opvallend die zonneklep.

Elke keer als ik een wandeling over het strand of door het oude centrum maak, zie ik de vrouw met de zonneklep. Hoe kan dat toch¿ Toeval¿

Goethe droeg een zonneklep op zijn sterfbed. Zo beschermde hij zich tegen het (felle) licht. Zij moet ook hinder ondervinden van het licht, zelfs als er een regenbui sist en tikt op de parapluw’s. Goethe, zo lijkt me, zal zich ook zonder de zonneklep het Duitse, Italiaanse licht hebben herinnerd. Misschien het stralend licht van zijn heen gaan: het verlossende licht¿

De laatste dagen zie ik in het dorp en op het strand de zonneklep niet meer. Vertrokken¿

.

En als ik mij iets herinner, dan komt

dat door de klanken in mijn hoofd, klanken

van het ‘binnenbrengende nu’ naar het straks, het

verleden toe: het heden van toen.

Begerig kijk ik reikhalzend

naar het ‘toekomstigverleden’

dat nog zonder klanken, taalloos is.

Goethe slaap zacht.

.

Conil de la Frontera 2022 Robert Kruzdlo

Heidi, dwars door de taal kijken…

De natuur is de kunstenaar. Foto Robert Kruzdlo

Heidi is net zo oud als ik. Ze verschijnt op het dakterras met een fles wijn en twee glazen. Het terras kijkt uit op het strand. Op het strand liggen steeds meer zandschepjes en emmertjes. Je hoort vaker ’mammie y pappie’. De wind loeit om de oren. Een sluier stuifzand waaiert naar zee. Vanaf het beschutte terras zie ik hoe het witte dorp langzaam zich voorbereidt op de ontvangst van toeristen. De winterse regen en wind wordt van de muren en ramen geschrobd, geschilderd en gesopt; de eigenaars lijken in goede stemming te zijn.

Ik huur een klein appartement met dakterras, waar andere hotelgasten ook gebruik van mogen maken. Heidi schenkt in en opent een boek: Das Gewicht der Worte van Pascal Mercier. Pseudoniem van de filosoof Peter Bieri (1944).

Ze leest voor: Het leven is niet wat we leven, maar het leven dat we ons voorstellen. Dan vervolgt zij met: Ik heb mijn hele leven gewacht op de uitkomst en nog nooit gewoon in het nu geleefd, altijd volgens de regels in de toekomst. Eerst school, studeren, huis bouwen, kinderen krijgen en maar wachten wat er gaat gebeuren. (In het Duits.)

Ik: Je wilt leven in het nu, in de breedte, en wel zo dat elke minuut een uur duren kan.

Zij: Dat nu heb ik mijn hele leven gemist.

Ik: Vandaar die rugzak en je vele reizen die je gemaakt hebt. (Ze reist graag alleen met een rugzak door Spanje.)

Zij: Ja, ik ben opzoek naar mijn zelf, ziel, zelfvertrouwen. Die rugzak is de bagage van mijn wensen, die niet uitkomen, ik zou de rugzak wel willen afwerpen, maar dan heb ik niets meer om te wensen. Ik zou mijn eigen stem willen horen en niet al die verhalen die ik voor een ander verzonnen heb.

Ik: Als je wilt weten hoe je op deze manier geworden bent en wie je nu bent, moet je niets meer wensen. Je kon nooit echt en oprecht zijn in je denken en voelen, handelen. Je bent jezelf volledig voorbijgelopen.

Zij: Dat lees ik in dit boek ook. Ik moet in het nu leven, niet in de toekomst springen, ik moet in mijn hoofd waar alles gebeurt thuiskomen, maar dat lukt geen mens en ook de schrijver niet, die stuurt je met een kluitje in het riet.

Ik: Je brein is je thuis alleen je komt nooit thuis. Er is zoal Cesare Pavese schrijft: Leven is mooi, omdat leven beginnen is, telkens opnieuw, op elk moment. Het NU dus. Alleen het gewicht van de woorden ontnemen je het Nu. En dat…, schrijft Peter Biere niet. Toch heeft hij in Nederland 300 duizend boeken verkocht. Is hij dan een oplichter?

Zij schenkt de laatste wijn uit de fles.

Ik: Je rugzak is alsmaar opnieuw beginnen met de herhaling, net als de Sisyphus arbeid.

Zij: knikt en knikt.

Ik: We worden niet wakker al willen wij het wel. We zien niet de binnenkant van ons willen, alleen de buitenkant van doen. Ons streven blijft vaag, verward, een richtingloos verlangen wij worden maar niet wakker. We leven in de illusie van de woorden die ons pijnlijk precies dat geven wat we niet willen: de bestemming niet weten. Het ontbreekt mij ook aan zeggenschap, ik zal nooit een goede schrijver worden. Dat had ik niet moeten zeggen. Over die woorden heb ik nu spijt. 

Heidi is de volgende ochtend vertrokken met haar rugzak. 72 jaar oud en sterk genoeg om taai door te zetten.

Vejer de la Frontera 2022 Robert Kruzdlo

Wartime gedicht uit Oekraïne

Danyil Zadorozhnyi

Danyil Zadorozhnyi considers the threat and reality of wartime displacement in this poem whose title speaks to W. H. Auden’s “September 1, 1939.”


“trees—that’s what I lack most of all,” she says
“you have so few of them here in Lviv
Donetsk, though, was a green city
greenery all around”

but I didn’t know that
I was young, never spent much time there,
never valued people or the county until after it happened

“second time I’ve lost my home,” she utters with hatred
“officially, this time”

and I get her
and I don’t
hugging her

my mom’s concerned there’ll be tons of internally displaced persons
where will we put them all up, she asks
I don’t mind, but I don’t have any space
except in your room, if you want

containing my emotions, I elect empathy, saying
I get you
but it’s too early to talk about that
though I actually think it’s too late
if we’re only talking about this now
so, being kind constantly is very hard, tricky
but easy and at times the only thing someone can want

and if the war, not just any war, came to our home
and we had to flee to another city in another part of the country
I’d like to be helped there
not for the people there to make xenophobic comments on the internet
trying to catch my kids speaking the wrong language
twisting my wife’s tongue—she’s from Belarus, for heaven’s sake, seeking shelter here

if only I had the money to rent three of the four rooms in the apartment
with old landlords and Soviet furniture


By Danyil Zadorozhnyi, translated from Ukrainian by Yuliya Charnyshova and Isaac Stackhouse Wheeler

Kijk dwars door de taal…

Foto van internet.
Ik kijk wars door de taal.
 
Soms lijken mijn emoties onbeweeglijk gevangen in een blok kristalhelder kunsthars. Ik heb een evenwicht bereikt zonder bewegende grenzen, zoals liefde of schoonheid: een ik als lava gestold Pompeii. Maar omdat ik onder druk van mijn omgeving, familie, vrienden, kennissen, internet-relaties sta, voor wie ik iets beteken, of niets, bewegen de moleculen de dode stof en brengt het leven terug; in de levende cellen komt bewustzijn. En wat zo even onbeweeglijk leek, bewoog en keert de drift, de emotie, gevoel en verwarring terug.

En dan hét moment. Ik stap het restaurant binnen en draai me langzaam om. Achter mij roepen de pensionado’s om niet meteen weg te gaan maar te blijven staan. Geduldig wacht ik. Onderwijl wordt er schor gekird, lacherig fotocamera’s en telefoons haastig tevoorschijn gehaald. Als de oude meute zich kakelend heeft opgericht van hun handdoeken en ik mij heb neergelegd bij het ‘niet’ eeuwigdurende geduld dat ik voor ze heb, loop ik heupwiegend met een meisjesstemmetje terug de keuken in: Dag, dag lieve kreukeltjes.

Het gekakel verstomd niet. In het kippenhok dwarrelen de veertjes in het rond. Het applaus sterft in een enkele handpalm. Ik doe in de keuken mijn werkschort uit en loop de heuvel af. 

Gortdroog kraakt het gras als glas onder mijn voeten. Onder een oude boom staat mijn tent. De zon is al achter de kurkbomen verdwenen. Koel is het nog niet. Uit de grond komt een mol. De krekels ritsen tjirpend magnetisch schurend aan het zwarte licht dat tussen de bomen opkomt. Het mooiste wat er is. Boszwart. En dan mag er verder ook niets zijn.

Zoals bij een varken het achterwerk het mooiste is, zo toonde ik de oude dames en heren mijn door de Franse zon gekleurde ‘cul bronzé.

Dit moment schoot mijn te binnen en ik schreef het meteen op.
 
De lezer zal al zijn fantasie moeten gebruiken om het te begrijpen. Literatuur begint eerst bij niet willen begrijpen. Taalregels zijn handig, maar het verandert niet veel aan de mogelijkheden die er nog steeds zijn. Ik kijk dwars door de taal heen.

Er is niets te zien dan letters om te lezen. Net als bij een
                          kwal
                     op het strand,
            je ziet de inhoud, een inkijkje;
                  jezelf is wat je ziet,
                        je droomt
                          dwars

                   door de wereld heen.



Rome papers 2021 Robert Kruzdlo

Rusland zonder vraagteken¿

Russen kennen geen vraagteken¿

Zoals een uitroepteken een maatschappelijke omwenteling veroorzaakte, zo is de hoop vooral nu gevestigd op de macht van het vraagteken. Het vraagteken is begonnen een enorme omvang aan te nemen. Het zal in het hart van alle denkende Russen, schrijvers, kunstenaars, achter de honderdduizenden namen van vrienden en verwanten die omgekomen zijn in de oorlogen of plotseling gestorven zijn en in onvindbare graven liggen, komen te staan. Het vraagteken is het geheime wapen.

Kijk naar de vervolging van intellectuelen en politieke tegenstanders. Het verrijst als een fantoom achter slinkse overrompelingen van andere landen en volkeren zoals Oekraïne. En het zweeft ‘s nachts om het Kremlin rond om daar de huidige machthebbers Poetin uit de slaap te houden. Mits hij zichzelf niet heeft platgespoten.

Wie het vraagteken gebruikt zal gestraft worden met gevangenis en dwangarbeid.

De geschiedenis ontwikkelt zich schrikbarend verder¡ Ook in de Sovjet-Unie¿ Totdat eindelijk een Oekraïens ambtenaartje in een nachtmerrie Kafka wakker maakt en vraagt: ‘Zeg droogstoppel van een K. kun je mij misschien vertellen, wanneer een Rus in een officieel stuk een vraagteken plaatst of ‘moet’ plaatsen?’ K: ‘Het vraagteken dient overal geplaatst te worden waar sprake is van een dogma, blindheid, van bureaucratie, censuur, vriendenpolitiek en machtspolitiek.

Helaas, het feit dat de taal de revolutie blijkbaar weigert te volgen en conservatief blijft, vasthoudt aan verstarde blindelings overgeleverde begrippen zal Poetin ondanks zijn leverkanker en maagzweren, de taal niet vernieuwen. Immers, na de verloren oorlog in Afghanistan, de verliezen nu, is Poetin, die vol met amfetamine zit, niet bereidt een omwenteling in de dictatuur van het grote geldproletariaat te willen en in het vooruitzicht ook geen emotioneel zuivere koers maar oudbakken verstarde oorlogshandelingen ambieert. 

Waar is het protest van de Russische schrijvers¿ Waar is het vraagteken gebleven in Rusland¿


De Amerikaan, is die echt geïnteresseerd in het Oekraïens probleem, of toch meer in China¿

Luister en oordeel zelf.

.

Rome papers Robert Kruzdlo 2021

https://www.openculture.com/2017/04/read-vladimir-mayakovskys-childrens-book-whom-should-i-be.html

Michiel Lieuwma zal nooit zijn muzen zien. Hij krijgt zijn vinger er maar niet bij…

Buurman waar ik bijna elke dag kom en op zijn strandterras dit blogje schreef.

Tijdens een wandeling over het strand dat door de storm in een ‘maanlandschap’ was veranderd mijmer ik over de kunstenaar dwarsligger Michiel Lieuwma. In de geulen achter een lage duinrij, rond een ven, tussen het alfagras stapt een lepelaar. Een groep kleine zilverreigers vergezellen hem tussen het pampagras. De ondergaande zon is door het woestijnzand dat vanuit Marokko waait oranje-bruin: mijn hoofd en schouders zijn bestoft. 

Hij, de kunstenaar, wil zijn vinger achter de geheimen van de muzen krijgen. Al zijn pogingen tot nu toe zijn mislukt. Uiteindelijk maken die mislukkingen dé moraal van dé kunstenaar uit: misluktkunstenaar.

Elke kunstenaar is, een moralistische mislukkeling. (Die zich ook nog eens politiek moet uitspreken?) De mislukte kunstenaar gelooft in de liefde en schoonheid. Kunst, is een Fata Morgana, en ook weer niet. Hij legt zijn onvermogen in zijn werk.

De kunstenaar is bij zijn geboorte al dement en op bepaalde momenten helder genoeg om de vraag te stellen: Waarom moet ik huilen om een boek. Dat heb ik met weinig boeken. Toch ben ik gaan nadenken waarom ik zo geëmotioneerd, gevoelig reageerde op een tekst van een boek. *

Een minutenlang betoog over wat die emoties en gevoeligheden nu precies zijn, vindt de kunstenaar het antwoord niet. De blokkade blijft. Het uitzicht op een antwoord is er niet. Zonder dat hij er erg in heeft staart hij als ‘mislukt kunstenaar’ zich blind op een muur: Wij kunstenaars zijn er, omdat we er zijn.

Pijnlijk. Ja. Maar er valt mee te leven. Luister naar de podcasts van Michiel Lieuwma en je tiereliert lustig met hem mee. Hij stelt aandoenlijke vragen. Antwoorden nee die zijn er niet. Hij zwalkt je het donker bos in. Je raakt de weg kwijt en elk licht dat er schijnt maakt je blind. 

Voor mij is er maar een wet: De kunstenaar is er omdat hij er is. Punt.

Waar ligt de grens van de vragen precies? 

Michiel Lieuwma is een kunstenaar die wil weten wat hij nooit te weten kan komen. Hij krijgt geen antwoorden op zijn diepe vragen, hij kan zich ook niet meer afvragen dan hij al doet en stuit op een muur zonder een opening. Zelfs met dynamiet zal hij geen opening vinden. Die grens – benoemt hij als liefde – is liefde en schoonheid. Liefde en schoonheid als grens van de onbeantwoorde vragen. Want zonder liefde en schoonheid gaat het leven niet door. 

Het zijn woorden en dus niet twee keer twee is vier. Liefde en schoonheid hoor ik aldoor Michiel Lieuwma zeggen. Niet voor de kennis dat hij een mislukt kunstenaar is, zoals elke kunstenaar – en ik ook – maar Michiel Lieuwma kiest voor verhalende vragen zonder antwoord. Voor kleine en grote verhalen. Het liefst voor grote verhalen. 

Michiel Lieuwma kiest in zijn gesprekken met andere kunstenaars voor warmte. Voor een warme bevestiging, voor kinderlijke onnozelheid, blinde fictie, en ziet hoe de muzen tussen al deze verhalen hem ontglipt. De hoogste vorm van wijsheid is ‘de mislukking van de kunstenaar’. De overgevoelige onnozelheid, die antwoord zoekt en weet dat hij die niet kan vinden. De grens is daarom voor Michiel Lieuwma liefde en schoonheid. Want anders ben je geen kunstenaar.

De mislukt kunstenaar Michiel Lieuwma: Hoe zeg je dat? Ik was echt ontroerd. Ik schoot vol. Toen ging ik er over nadenken en toen dacht ik van…, wat gebeurt er met me, waarom raakt het mij? Toen kwam ik erachter, dat kunst met liefde en zorgvuldigheid gemaakt is en nogmaals, in een keer raakte het me, al die gevoelens tegelijk DIE in mijn hoofd zitten, ja, dit is wat ik wil vertellé.

Het antwoord op hoe en waar deze emotie ontstaan geeft Michiel Lieuwma niet. (Podcast.)

Hij krijgt zijn vinger niet achter de muzen hoe die in zijn hoofd werken. Hij weet dat een muze een wezen is en achter al zijn emoties, gevoelens en denken zit. Hij benoemt het in zijn gesprekken met andere kunstenaars niet. Ik wel.

Het is het HET. HET is het brein. HET de ontoegankelijke muzen. Waar je geen vinger achter krijgt. Elke poging om de muzen te zien mislukt. Het denken van Michiel Lieuwma verjaagt de muzen. Hij is HET niet. Dus komt hij met vragen waarvan hij weet dat hij die NIET kan beantwoorden. 

Goed, denk ik, gelukkig dan zijn er nog de verhalen, de liefde en de schoonheid van Michiel Lieuwma. De energie, de knetterende energie, het dynamiet van de energie enzovoorts. De mislukt kunstenaar Michiel Lieuwma, heeft zo zijn woorden gekozen.

Misschien is het gewoon een fysische drift, biologisch, chemisch, nee het zijn de muzen van Lieuwma.

Goed, dit is wat ik mijmerde tijdens een wandeling over het strand dat door de storm in een ‘maanlandschap’ was veranderd. In de geulen achter een lage duinrij, rond een ven, tussen het alfagras stapt een lepelaar. Een groep kleine zilverreigers vergezellen hem tussen het pampagras. De ondergaande zon is door het woestijnzand dat vanuit Marokko waait oranje-bruin gekleurd. Mijn hoofd en schouders zijn bestoft.  

Ik mijmer me naar mijn appartement: Je moet gewoon een kind blijven. Welke leeftijd je ook hebt. Kijken met de ogen van een kind die al vroeg de muzen uit het oog heeft verloren. Blijf maar gezegend geniaal kinderlijk.   

Michiel Lieuwma zal zijn muzen nooit zien.

Ik wel¿

.

* Over de “biologie van taal” is nog niet veel over geschreven. De schrijver/kunstenaar zal zich vanaf nu moeten heroriënteren.

Rome Robert Kruzdlo 24 maart 2021

ANGEL

Angel en zijn jeugd radio.

Aan de overkant van de opalen zee ligt Marokko. De bergen tekenen een grafiek van bergtoppen. Tanger is niet te zien. De zee beukt. Krullen tuimelen schuimend op het strand. Kustvlakte zonder duinen. Een moddervlakte. Gros en flamingo’s. Het witte dorp ligt op een heuvel. Een boom vol papaja’s. Ik loop een steil met keien plaveit straatje in. De zon tintelt door bloemkoolwolken en dikke wringers van de bougainville verstoppen de voordeurtjes; een meter breed en kleine getraliede raampjes. Soms zijn de spiralen struikstammen dik als een zuil. Daglicht wordt geschuwd. Een deur staat open. Een groen oog knippert. French Oceanic Pirate 2 uit mijn jeugd? Ik stap de donkerte in en sta tegenover een oude man met een rafelige trui en broekspijpen met knieën hangen over zijn hielen. Uitnodigend staat hij glimlachend voor een muur van radio’s. Alleen de F.O.P.2 geeft een krakend metaal geluid.

Radio’s, hoeveel heeft u er?

700.

700 radio’s!

Ja.

Mag ik een foto nemen?

Kom maar mee.

Hij loopt schokschouderend voor mij uit het donkerte in. Gelukkig knipt hij een bakelieten schakelaar aan en stroomt uit allerlei verschillende lampen licht. Tegen alle wanden staan torenhoog radio’s.

Je wil een foto?

Ja.

Uit al deze radio’s zijn jarenlang berichten gekomen. Hij wijst een Belgische radio uit 1914 aan.

Hitlers stem, Roosevelt, ochtendgymnastiek, K.N.M.I., Moeders wil is wet, Tour de France, Die goede oude radio… enz., schiet door mijn hoofd en dooft gelijkertijd. Stel dat je al deze radioberichten in een kwantumcomputer stopt, en precies zoals mijn hersenen werken, in een keer tril-miljoenen berekeningen kan maken, driedimensionaal, zoals binnen elke cel een wereld verstopt zit en dat er ineens uit één radio het geluid komt dat je horen wilt, uit een tijd die jezelf kiest, en zelfs de stem van een slachtoffer uit de Vietnamoorlog te horen is. Dat wordt het leven ontsloten en wij eindelijk in vrede kunnen leven, omdat alles tegelijk eeuwig duurt¿


In elke hersencel zit een radio alleen we horen hem niet. Een plakje hersens aan een kwantumcomputer aansluiten en je weet alles van de mens? (Lees mijn boek De Kolonel.)

Hij gaat op een witte nep-etnische bank zitten met op zijn schoot zijn jeugd radio. Foto, nog een…

We nemen afscheid. Ik beloof terug te komen.

Het groene oog dooft. Angel sluit de deur.    

.

Uit de serie Rome 2021 Rome Italië. Robert Kruzdlo.

Godvergeefhen

Verscholen tussen de dennenbomen boven de wortels van een 13.000 jaar oud dennenbos, lag een klein dierenpark. Een besodemieter-dierenpark. De bezoekers werden op allerlei manieren belazerd. Dat werd mij streng geleerd. Zo werden uitsmijters van oud brood gemaakt, brood dat was bestemd voor de dieren. Over datum brood. Een glas ranja was meer water dan iets met een zoetstof. Genoeg.

Ik was twee keer blijven zitten op de lagere school en hersens had ik niet, volgens mijn moeder. Ze vroeg zich niet af of dat aan de huiselijke omstandigheden lag. Op een dag besloot ze mij af te zetten bij de familie die het likmevestje-beestenpark bestierde. Die kon zo’n onbetaalde kracht best gebruiken. Ik kreeg een met beschimmel bekakte Kip Caravan die verscholen stond achter het theehuis van het dierenpark en ik moest die zelf schoonmaken. Het was er zo vochtig dat er nooit droge kleren in de kast lagen. Meer dan 40.000 woorden heb ik al over het park geschreven, maar over hierover nog niet.

Aan de overkant van het spookpark woonde in een villa de familie Eikse. Geregeld kwam de familie met zoon Mom naar het beestenpark. Zoon Mom had blond krullend haar en blauwe ogen. Ik was altijd gespannen als hij in een net taaltje vroeg of hij mij kon helpen. Dat mocht met vlees voederen aan de wilde beesten, hooi voor de olifanten en nog veel meer. Hij deed met zijn handen alles verkeerd, en elke keer vroeg ik hem te wachten tot ik hem iets opdroeg. Dan hingen zijn handen lusteloos langs zijn lijf. Verbouwereerd.

Deze introductie is misschien niet nodig maar, op een avond het was warm. zaten we in de Kip Caravan, op de rand van het bed. We droegen alleen een korte broek. Mom vroeg of hij de foto’s mocht zien. Ik was verbaasd. Hoe weet hij dat ik foto’s had? Hij tilde de matras op en haalde de foto’s tevoorschijn. Zonder iets te zeggen deed hij zijn kleren uit en schoof met die ongeduldige handen van hem, mijn korte- en onderbroek naar beneden. Nu leek hij de baas. Mijn lichaam verstramde en toch, waarom had ik een erectie?

Ik moest op mijn buik gaan liggen. Mom ging met zijn lichtbruine huid op mij liggen en begon met zijn onderlijf over mijn gespannen billen te schuiven. Waar heeft hij dit in godsnaam geleerd, zo schoot er door mij heen. Ik lag als een springplank, gespannen afwachtend wat hij zou doen. Zachtjes begon hij in mijn oor te hijgen. Stom van mij om de naaktfoto’s onder mijn matras te verstoppen. Daar zoekt toch iedereen meteen als je iets wil stelen? Ik hield mij stil. Hij wurmde wild met zijn geslacht en zijn stoten werden pijnlijk. Vochtig werd mijn achterwerk. Zijn hart bonsde tussen mijn schouderbladen. Langzaam liet hij zich van mij afvallen. Hij zweette.

Doe jij nog iets, vroeg hij met speeksel in zijn mondhoeken. Ik kon niet zeggen dat ik over alles spijt had. Hij zou mij uitgelachen hebben. Ik sloeg mijn handen voor mijn gezicht. Voelde mij vies. Nee, ik wou niet naar hem kijken.

Kom ik ga, en hij trok snel zijn kleren aan. Ik wachtte tot ik hem niet meer hoorde. Een bosduif koerde. Waar moet ik de naaktfoto’s verstoppen? Och nu hij het wist, onder het matras maar weer.

Na een paar maanden nam ik de trein naar Amsterdam. Het was mijn eerste treinreis. Ik voelde mij trots. In de stad was ik van plan een cadeautje voor mijn moeder kopen. Alles was die dag, zoals ik het mij nu nog kan herinneren, kind begrijpelijk, maar ik voelde me groot en liep een souvenirwinkel binnen.

Een man, met een keppeltje op zijn hoofd, lokte mij achter in de winkel. Hij liet mij pennen zien die, als je ze op de kop houdt, de vrouwen langzaam aan naakt werden. Ik raakte zo opgewonden dat ik niet zag dat de man achter een gordijn was verdwenen, alsof hij mij even alleen wou achterlaten. Na een paar minuten kwam hij terug. Hij liet mij naaktfoto’s zien van naakte vrouwen. De opwinding maakte mij blind en stom. Ik betaalde en even later stond ik zonder cadeautje voor mijn moeder op de stoep.

Dagen later waren de foto’s verdwenen.

Mom Eikse heb ik niet meer teruggezien. Hij is nu een gepensioneerde consul en verzamelt geld voor kinderen in oorlogsgebieden.

Later werd mij de toegang tot het spookpark verboden. Ik had gewoon over alles mijn mond moeten houden.

Ja natuurlijk lag het aan mij dat deze geschiedenis zich zo had afgespeeld!

.

Rome 17 maart Robert Kruzdlo   

Rome, een ander hoofd.

Vroeger kon je een ander hoofd kopen.


Ik laat nu geen traan, waarom zou ik? Misschien omdat ik niet precies weet wat ik zou moeten voelen of denken. Ik voel en denk als ieder ander mens, echter wat ik nu wel en niet moet voelen en denken weet ik niet. Toch maak ik een keuze. Om die keuze kan ik nu niet huilen. Toch kan het zomaar gebeuren dat ik het snikken niet kan onderdrukken. Ik begrijp niets, maar ook niet alles wat er precies in mijn hoofd plaatsvindt. Soms wil ik een ander hoofd en mijn hoofd als een bal in de lucht gooien.

En dan schrijf ik dit ook nog. Misschien heeft taal daarom zin.

Weer terug op Via Aurelia camping. Langgeleden met kunstenaar O. vertoeft. Vandaar gewandeld naar Villa Borghese en terug naar mijn schrijfhok. 3 bij 4 meter, zonder raam.
Rome 15 maart2022 Robert Kruzdlo

Fata morgana 1965

Hoofdstuk uit het boek KERMIS

Ochtend waterkou in de mond. De zon schijnt pesterig door de kier van de aanhangwagendeur. Het reetlicht biedt, na de dagen van stortregen geen troost. Nog niet. Ik lig met mijn kleren aan onder de muf ruikende verhuisdekens zonder lakens, tussen kermisattributen: tentdoeken, houtenstaketsels, touwen, dozen en een enorme Donald Duck. Belabberd door de regenreis, de klamme en vette lucht in de cabine, peins ik, over hoe mensen het eeuwenlang hebben kunnen uithouden in hun vochtige beschimmelde huisjes, ‘mergel-grotwoningen’ en plaggenhutten. 

Wat zich achter het reetlicht bevindt weet ik nog niet. Wat voor een toekomst? Met mijn teen duw ik de deur van de aanhangwagen op een kier.   

Vaak keek ik stiekem door de kier van moeders slaapkamerdeur als ze in de armen van een nieuwe vriend lag te slapen. Innig met een bleek gelaat, de lange natte haren als een spinrag over haar gezicht gesponnen. De geur van sherry, sigaretten en odeklonje. Door de deurkier worden geheimen ontloken. De slaap maakt een ander mens van haar. Een kwetsbaar en beter mens? Deuren halfopen. Ik heb er eens een thema voor expositie aan gewijd. Verlangen naar wat zich daarachter, in dé vólle ruimte nu precies bevind, zonder betrapt te worden. Zonder door moeder als een voyeur gezien worden. (In de gang hing een ets van ‘Tarquinius die Lucretia bij het slapengaan begluurt.’ ) Ik was verliefd op moeder, echter dat mocht zij niet weten. 

Langzaam besef ik waar ik ben, op een plein in de stad Nijmegen. Nijmegen? Het ochtendlicht komt tot aan mijn handen die op mijn buik ineengestrengeld liggen. Ik nies. Gelukkig regent het niet. Vliegen dansen boven mijn hoofd. Met mijn teen druk ik de deur verder open. Een vlaag kille lucht waaiert binnen. De stad wordt langzaam wakker. In de verte voetstappen. IJzertjes onder de hakken ketsen tegen de kinderkopjes op het plein. Getoeter, een fietsbel, hoorngeluid van een vrachtboot beneden de rivier. De deur gaat vanzelf verder open. Op alle ruiten van de huizen, aan de rand van het plein, drijven bloemkoolwolken. Lelijke nieuwbouw, de daken glanzen als fotopapier. (Moeder had een Amerikaanse polaroidcamera.) Aan de andere zijde van het plein is een park. De bomen druipen van de dauw. Een laagje mist bedekt het plein. Uit een woonwagen komt muziek. 

Ik druk met mijn voet de deur weer iets verder open. Een briesje dartelt binnen. Snel sla ik de pakdekens om mij heen. Kleurloos staan de woonwagens, vrachtauto’s, aanhangwagens als speelgoed geparkeerd. Ergens huilt een kind. Ineens snap ik hoe ik hier terecht ben gekomen. Ik tuur naar het plafond en dommel opnieuw in. Maar als de zon als een mes door het wolkendek klieft, mij wakker prikt, moet ik luid niezen.  

Buiten klinkt bedrijvigheid. Een helskabaal. Ik buig voorover om naar buiten te kijken. Regenplassen trillen door het gehamer op metalen pinnen, om touwen, scheerlijnen vast te sjorren.  

Een man loopt door slierten mist tussen de rekwisieten. De gespierde- en hoekige mannen kijken niet op naar de vreemdeling met vilten hoed, die pauwachtig glanst. Met een polaroidcamera fotografeert hij de kraamwerkers.  

Ik laat me terugvallen op bed en doe mijn ogen dicht. Plotseling schrik ik wakker van het zoemend geluid dat ik ken van de polaroidcamera. Ik vloek. Stotterend verontschuldigt hij zich. Met kleine pasjes, onder het getik van zijn schoenijzertjes, maakt hij zich in de lage ochtendmist uit de voeten. Zonder benen als een de fata morgane

.

Rome maart 10 2021 @robert kruzdlo

¿

Ik heb een hardnekkige dysorthografie, opvallende spellingsmoeilijkheden. Ik weet niet of dat komt door dat ik als Amerikaan Nederlands heb geleerd: Onthouden van regels is moeilijk, iedere keer moet ik mij afvragen hoe het ook alweer in elkaar zit.

Al mijn berichten worden later, na een dag of twee pas geredigeerd. Soms sturen trouwe lezers, vrienden, mij een opmerking per e-mail.
Wilt u ook zo’n wijsneus zijn, denkt u net als ik het niet helemaal te begrijpen, …stuur dan een e-mail naar kruzrob@protonmail.com

Dank,

Robert Kruzdlo

Visolie voor het hersenwerk.