Getingel van onverschilligheid.

Samuel Beckett kom, kom…

er 

hangt een sluier over de taal

wil

ik gaten schieten

de 

vorm van de taal aantasten

dan

komen en gaan scheuren

de

woorden verbreken de stilte

en

het niets komt dichterbij

de 

woorden maken geluid

het

pronken met hun taalpriëlen

likwideren

.

.

‘Waarheen zou ik gaan, als ik gaan kon, wie zou ik zijn, als ik zijn kon, wat zou ik zeggen, als ik een stem had, wie praat er zo, bewerend dat ik het ben?’ Samuel Beckett.

Vader en moeder konden elkaar, op de gang, uitkotsen met woorden. Dat wisten de woorden. Wat de woorden niet wisten was, dat zij in het labyrint opgesloten zaten: De Gang. De werkelijke werkelijkheid was het fysieke, de gang, de ‘oorlogsgang’. Hun dood. Op gang komen, dat betekende elkaar uitschelden met onsamenhangende woorden. Vlammend. De oorlogsgang, had in de lengterichting, breedte en hoogte, geen uitweg. Je kon de trap op, die naar de bovengang leidde, om naar je eigen kamer te gaan. De bovengang leidde naar de wijkplaatsen: de slaapkamers. Die van mij, moeder en vader. Vaders kamer was boven de keuken, zo ver mogelijk van het gepingel van de moeders piano. Moeders kamer was boven de vestibule, aan de straatkant en mijn kamer tussen hen in, en, tussen de logeerkamer en de badkamer in.

Vader heeft gister de badkuip uit de badkamer gesloopt. Om moeder te pesten. Ze kan douchen. Wij douchen ook. Het is hygiënischer dan in je eigen sop gaar te koken, had vader geroepen toen hij de badkuip uit het raam kieperde.

Zoeken om een uitweg, een uitgang uit deze eindeloze ‘gangbare’ ruzies, had geen zin. Als het vuur op de wangen schroeit kun je beter binnen blijven. Ze sloegen elkaar gelukkig niet. Uit hun grove bekken vol stekelige vooruitstekende tanden, die pijnlijke waren dan een slag met de hand in het gezicht, golfde gifgroene scheldwoorden. Nooit dachten zij, hoe is het met de jongen, hij, mij, ik die daar op zijn kamer, ik die in elkaar kromp en het hoofd tegen de lambrisering met briefpanelen knalde: in de hoop dat ze zouden ophouden.

‘Er is een tijd geweest dat ik verlichting zocht door mijn hoofd ergens tegen aan te beuken, maar ik heb het opgegeven. Het beste was snel weg te gaan,’ las ik later, veel later, zestig jaar later. Beckett schreef dit.

Ik wil dood, riep moeder, ik verbrand me in de oven, in het vuur, ik verdrink me in het vuur, brandend als een fakkel. IK, ik, ik,… Ze bedoelde de manshoge kachel in de keuken waar ze, zo beweerde ze, haar hoofd in wilde steken om de woorden die haar tong vermaalde, te verbranden. Ik ben toch maar een tussenmens, een incarnatie van de aapmens. Als Empedocles in een krater kan springen, kan ik dit ook.

Een buiten, even frisse lucht happen, bestond niet als zij zich scheldend naar hun kamer begaven. Op zulke momenten ga je natuurlijk niet naar buiten, dacht hij, ik dus. Want het is nu meer dan zestig jaar geleden. Het kon dagen duren voor een van hen de villa verliet. Door honger gekweld. Via de spiegel waarin gemopperd werd ging moeder naar de Klimop winkel. Opgelucht ademhalend. Eindelijk frisse lucht. Een slof sigaretten halen, sigaren, boter, eieren, kaas, brood, maandverband, nylonkousen, en honderd dingen meer die door haar hoofd schoten. 

Ook vader ging wel eens boodschappen doen, dan nam hij een bosje bloemen mee.

.

Uit boek: De gang. Robert Kruzdlo 2022 Spanje

.

Leeuwen in de keuken.

Alice Kruzdlo Maastricht 1955/56

In de buurt word er nog over een zigeunerfamilie en soms nog erger gesproken. Ofschoon al zestig jaren geleden, heeft Sint-Pieter Maastricht het er nu nog over. Het huis aan de Mergelweg was vol exotische geluiden, maar het meest vreemde geluid kwam vanaf de eerste etage: het gegrom van twee jonge leeuwen.

De 6 jarige zoon Robert Kruzdlo, die van school kwam, kon zijn ogen niet geloven toen hij de deur van zijn slaapkamer op de eerste etage opende. Verdwaasd staarde hij naar twee leeuwenwelpen, die rollebollend door de slaapkamer met een kleine rode plastic bal aan het spelen waren. Plotseling verscheen zijn moeder die hem met een ferme ruk aan de kraag van zijn jas terug de gang optrok. Buiten adem vertelde ze dat hij in het vervolg een andere kamer had en dat zijn spullen al waren verhuisd. Toen begon ze de twee gevlekte okerachtige welpen naar zich toe te lokken door de diertjes kleine stukjes rauw vlees voor te houden, terwijl ze kordaat riep: “en place”. Vol ongeloof keek hij naar de onwilligheid van de diertjes die niet wilden luisteren en vroeg zich af wat met de leeuwtjes zou gebeuren wanneer zij eenmaal groter waren en een mensenkind konden oppeuzelen. Op de handen van zijn moeder parelden kleine, dieprode bloeddruppels en zonder één vraag te stellen keerde hij zich om.

In zijn vlucht voelde hij katachtige nagels in zijn kuiten. “En place”, riep zijn moeder streng en trok de welpen aan hun nekvel terug de kamer in. Pacha en zijn zusje Saida sisten tussen hun tanden met opgetrokken lippen.

In die periode nam Alice Kruzdlo haar zoon vaker mee naar het mooie hoogst gelegen dierenpark van Nederland: Klant’s dierentuin in Valkenburg, waar een roofdieren dressuuropleiding was gevestigd. Op de kop van de Cauberg stonden tussen oude bomen, slingerweggetjes met rododendrons en begroeide taluds, de kooien met wilde dieren. Beren, tijgers, apen, olifanten, enzovoorts veroorzaakten een hels lawaai van schreeuwende, kraaiende, geeuwende, sissende en brullende dieren. Toen ze haar zoon een keer achter liet voor de kooi met volwassen ijsberen, zag hij zijn moeder even later de kooi binnen stappen, gewapend met een lange zweep.

Klak, klonk het en nog een keer en dan weer ‘enplace’. Terwijl de bezoekers zich verzamelden voor de ijsberen kooi klonken haar commando’s in het Frans. Moeder Alice Kruzdlo was in opleiding voor het ge- vaarlijke beroep van dompteur van wilde dieren. Acht jaren lang had zij dieren verzorgd en wanneer er een ziek was, nam zij het mee naar huis en probeerde het beter te maken. Bij Klant keek ze bij de dompteurs de kunst van het dieren temmen af. Zo kwam ze ertoe een groep van drie beren aan te schaffen waarmee ze een jaar lang met het ‘Cirque Espagnol’ in België op tournee ging.

Haar grote ideaal was een groep leeuwen bijenkaar te krijgen en daarom kocht ze alvast twee jonge abessijnen van Burgers Dierenpark in Arnhem. Als ze groot genoeg waren zou ze met hen in circussen gaan optreden.

Toen de leeuwenwelpen plotseling ziek werden, werd een bevriende dierenarts geroepen. De inmiddels volgroeide leeuwtjes moesten worden geopereerd. In de keuken! Daar lag Saida op haar rug met opengesneden buik en werden de rode ballen die ze had ingeslikt verwijderd. Intussen klonk vanuit de logeerkamer af en toe gebrul dat huizenver te horen was. Het gebrul was afkomstig van Pascha. Voorbijgangers stoten elkaar aan: ‘Een flinke baby; het lijkt wel een hongerige leeuw?’ Pascha had geen honger. Het gebrul was het verdriet omdat hij treurde om zijn tweelingzusje Saida, dat in de keuken bij lag te komen van de operatie. Pascha rook onraad.

Vijf kwartier later kon de dierenarts melden dat Saida gered was. 

Daarna werd ook Pacha verlost van zijn niet verteerbare maal. Nadat de leeuwen hersteld waren van de operatie, kwam gaas voor het raam. Bij goed weer was het de gewoonte dat het slaapkamerraam open bleef. Het gaas voor het raam stelde niet zoveel voor en zo nu en dan stak er een leeuwenkop naar buiten. Gelukkig lag het verblijf van de wilde dieren aan de achter- kant van de villa, maar op een dag ging het mis. Een wandelaar die de weg was kwijtgeraakt en in de be-boste helling achter de villa terecht was gekomen, kreeg de schrik van zijn leven. Toen hij sluipend door de tuin terug wilde keren naar de weg aan de voorzijde van het huis, zag hij twee leeuwen uit het raam hangen. Het duurde niet lang of brandweer en politie stonden voor de deur.

Daarna kwam de pers. De straat liep uit. In de krant stond de volgende dag: ‘Maastrichtse dame houdt er wilde huisdieren op na.

Anders dan het ‘journaille’ had gedacht, was Alice Kruzdlo een frêle vrouw met een zachte gevoelige stem, een vriendelijk oogopslag, charmant en elegant. Eerder een balletdanseres dan een ‘circuskunstenaar’. Maar schijn bedriegt…

Hoe zij ertoe was gekomen om te kiezen voor een zo gevaarlijk beroep? “Omdat ik van dieren houd”, antwoordde ze eenvoudig. Eenzelfde antwoord kwam van haar 80 jaar oude grootmoeder die even later aan het gesprek deelnam. “Ik vind het heerlijk tussen al die dieren in huis. Ik ben gek op dieren, mijn hele leven al geweest trouwens. Maar het meeste houd ik van Pacha en Saida. Pacha is een goeie lobbes een verwende lummel die alleen maar lekkere hapjes lust en Saida is een echt vrouwtje, speels, onberekenbaar en snoeplustig.”

Haar enthousiasme maakte duidelijk van wie haar kleindochter de liefde voor dieren had geërfd.

Intussen kostten de dieren handenvol geld en bleef nauwelijks voldoende over voor het gezin dat vaker honger leed. Alice had alles opgesoupeerd aan haar bijna dwangmatige hobby. Om een faillissement te voorkomen werd besloten de leeuwtjes aan winkels en warenhuizen te verhuren voor reclamedoeleinden. Pacha en Saida, zo jong als ze waren, moesten bijgedragen aan het onderhoud van Alice, haar drie kinderen, haar moeder en grootmoeder.

De eigenaar van het ‘Televisiepaleis’ aan de Brusselsestraat Maastricht maakte als eerste gebruik van die mogelijkheid en hij zag de leeuwtjes met weemoed vertrekken.

‘Ze waren hier al zo thuis en de leerling-monteur en ik’, schreef hij, ‘vonden het echte troetelkindjes, waar je zo echt van gaat houden. Ik zal dan ook vaak nog met heimwee aan die schattige leeuwtjes terugdenken.

Om U de waarheid te zeggen, had ik er in het begin een zwaar hoofd in. De mensen stonden vier rijen dik voor de etalage en het zag er naar uit, dat er meer belangstelling voor de leeuwtjes bestond, dan voor onze radio- en televisie-toestellen.

Hoewel wij van deze reclame niet schatrijk zijn geworden, zijn de kosten er dubbel en dik uitgekomen. De eerste dag, maandag, 28 november, verkochten wij alleen al twee televisies en drie radio-gramofoon-combinaties, wat voor een eenmanszaak toch zeker een zeer goede verkoop genoemd mag worden.

Het leukste van alles was echter, dat uw leeuwtjes zo met liefde door u verzorgd werden. Ze waren dan ook al spoedig aan ons gewend en hoewel ik ze niets mocht geven, had eens moeten zien, hoe ze mijn vingers aflikten, als ik ze ‘s avonds nog gauw verwende met kleine beetjes leverpastei. Dat is een ware delicatesse voor hen.

Al met al is het een reclame voor mij geweestdie ik nooit met dagbladreclame had kunnen bereiken. Ik wens u met uw leeuwtjes verder veel succes toe en kan mijn collega’s ad- viseren: doe het ook eens.

Het waren niet alleen eenmanszaken die dit advies volgden. In de etalage van Vroom en Dreesmann in Geleen lagen de twee jonge leeuwen een week lang tussen het speelgoed en trokken heel wat bekijks. Een modemagazijn in de Groote Staat Maastricht bood de mogelijkheid om voor twee gulden vijftig met een leeuwtje op schoot op de foto te gaan.

Alice was daarna door half Europa op tournee met onder andere Circus Strassburger, haar kinderen overlatend aan haar inwonende grootmoeder en overgrootmoeder. Haar droom om dompteur te worden kon ze echter niet waar maken.

Lees mijn boek TUSSENMENS.

Uitgeverij TIC Maastricht.

Bronnen: Robert Kruzdlo: Volkskrantblog; De Nieuwe Limburger.

.

.

E.T. was een ‘neurodivers’ wezen!

x

Steven Spielberg: “OK kid, you got the job.”

De film E.T. van Spielberg, waar ik nog steeds aan moet terugdenken. De lange vinger van E.T. met de woorden: Ik wil weer naar huis. Het jongetje Henry, kreeg de rol als vriend van E.T.

E.T. vertelt het verhaal over Elliott (gespeeld door Henry Thomas), een eenzame jongen die bevriend raakt met een buitenaards wezen, genaamd E.T., die gestrand is op de aarde. Vooral Elliott, maar ook zijn broer en zus helpen het buitenaardse wezen naar zijn moederplaneet terug te keren, terwijl ze het wezen proberen geheim te houden voor hun ouders en de Amerikaanse regering.

Verder lezen? Ga dan naar ‘Kruzdlo neurodivers’ WordPress.

In mijn boek “TUSSENMENS” vind je thema’s van ‘neurodiversiteit‘. Verstandelijk, gevoelsmatig en praktisch. Mij kun je in geen enkel hokje stoppen.

Mijn vader Joseph Walter Kruzdlo 2

Linksonder Robert Kruzdlo, vader Joseph Walter Kruzdlo en rechts zus Aneke, haar roepnaam.

Voorspel: Voordat mijn hysterische moeder met haar slaafje, kleinzoon van Dort – betekenis: daarginds -, in het ziekenhuis arriveerde, werd ik gewaarschuwd door een verpleegstertje die het een-en-ander nogal onpasselijk vond: ‘Je familie komt eraan,’ zei ze met een rode blos op haar bleke gezicht. Ze voelde het goed aan, en hup weg was ik.

Natuurlijk kende de verpleegster de geschiedenis van vader, zijn vrienden en vriendinnen hadden haar van alles ingefluisterd.

Toen ik terugkwam op mijn hotelkamer had moeder en de hulpsheriff, – die omdat hij beter Amerikaans-Engels sprak dan ik, want hij was met een Amerikaanse getrouwd en inmiddels weer ex natuurlijk – tijdens mijn afwezigheid, mijn toevertrouwde spullen, eigendommen van vader, uit mijn hotelkamer gejat! Strafbaar, natuurlijk, maar ik liet ze in de waan. Ik ben niet naar de politie gestapt omdat ik hen, die in de hitte van een hyper psychotisch gedrag verkeerde: in hun waanzinnigheid, met rust wilde laten. 38 graden was het in Wilkes-Barre Pennsylvania USA.

Alléén één ding waren ze vergeten: onder het matras kijken.

Ik was verguld, want onder het matras had ik documenten, adresboek en nog een aantal dingen verstopt. Natuurlijk mochten zij alles hebben, jatten wat moeder en haar hulpsheriff dachten dat het hen toekwam, wat voor mij niet bijzonder van waarde was. Ik heb gelachen en vooral wist ik, dat mijn verhaal de wereld overgaat.

Dort, denken ze er nog altijd anders over. 

Lees verder hier.

Meer lezen over mijn moeder, lees dan mijn boek TUSSENMENS.

Mijn volgende boek KERMIS deel 2 van de trilogie zal u niets verbazen.

Robert Kruzdlo Sevilla 2022 10 juni

.

La Morales

Tapasbar Casa La Morales Sevilla Spanje 7 mei 2022 Robert Kruzdlo

Ieder die verslaafd is zit diep in een knoopverslaving.

Stel…, dat uit de leegte iets verschijnt, plotseling een gewelddadigste herinnering, iemand, iets, een handeling en je in diepe schaamte onderdompelt?

Pau Austess

‘Ik ben een voorstander van ‘postkritiek’ de poging om nieuwe vormen van lezen en interpreteren te vinden die verder gaan dan de huidige methoden van kritiek, kritische theorie en ideologische kritiek. Maar, ik ben géén voorstander van de huidige postkritiek, die in allerlei schakeringen het voetlicht hebben gehaald. Ik ben voor postkritiek als, …als diegeen die kritiek geeft ook de regels van zijn eigen kritiek ondermijnt. Met het beeld van ‘Tussenmens’ in je gedachten kan dat.’ 

Toen ik dit gezegd had, keek ze mij aan: Als God, heet ze, Misja dus, kijkt mij met grote ogen aan. Haar lippen strak en opgerekt. Van haar wijd opengesperde ogen weerkaatst een vreemd licht, leeg, kristalhelderboos en ze voelt zich ineens ongemakkelijk; de nekspieren gespannen, komen haar lippen even van elkaar. In de pupillen zitten barstjes, trauma scheurtjes, woede van oud zeer, dat weet ze, maar ze kan er niets tegen doen. Het komt door mij, ík ben hét. Ik de dromer die langzaam achter het behang moet verdwijnen. Op zulke momenten lukt het haar niet de lava van oud zeer, gloeiende modder, als een vulkaan, niet over mij heen te spugen. Misschien heeft ze het gezien: ik krimp ineen. Ik maak mij zo klein mogelijk. Ik doe het voor haar…

In een interview zegt Misja, dat er een leegte in haar is. Door de leegte waarschijnlijk, koopt ze kleren en heeft ze inmiddels een halfton schuld. Ze draagt de kleren niet, ze stapelt ze op, op zolder bij papa en mama. Haar ex had eerst nog begrip voor haar en hoopte dat ze ‘de leegte’ met iets anders zou vullen. Kleptomanie neen…, en ook niet door weer een kapstok aan nieuwe kleren te kopen. Echtscheiding. Psychologen, filosofieën, helder verstand, het kon niet baten.  

‘Misja, zeg ik, je bent ‘KNOOPVERSLAAFD”.

Ik heb al beschreven hoe ze mij dan aankijkt.

Knoopverslaving is iemand die een vak heeft geleerd en desondanks niet weet hoe een mensenleven in elkaar zit. Elk boek is daar getuige van: je raakt verknoopt met wat in het boek staat. Je kunt als taalkundige proberen uit te leggen wat het boek te vertellen heeft, maar het blijft projectie, je getuigt van een zelfopvatting. En dat kun je vakmatig doen. Welke wetenschapper dan ook, je bent de klos van je eigen vak.

‘Misja,’ probeer ik weer, ‘geef eens kritiek op je zelf, vertel mij datgeen wat je aan niemand ooit verteld hebt.’

Zo waar komt er een glimlach.

‘Als ik het je vertel dan krijg ik mijn erven niet…,’ ze huilt.

‘Ik vertel het aan niemand, niet aan jouw, ook niet aan de psycholoog, nee ik lieg, wel dus, maar de psycholoog heeft mij beloofd…,’ door haar snikken kan ik niet verstaan wat ze zegt.

De zon is inmiddels achter de daken verdwenen. Het terras loopt vol. De plakkerige hitte wordt overschaduwd door een lange stilte. Schuldgevoel? Misja drinkt snel. Ik houd mijn mond en ik zie het weer voor mij, hoe ze loslippig dronken haar verhaal vertelt over haar jeugd. Mijn vriend en ik luisteren ingetogen, en kijken haar betekenisvol aan. Ze is dronken en dus hoeven we het niet te menen en dus, dus…, dus zus en zo.

‘Hij, in pyjama, pakte mijn hand die ik op iets hard moest leggen. Een bult. Niet dat ik hierdoor ben beschadigd, nee hoor… .’ 

Maar zei ik, vertel je nu niet letterlijk wat Marguerite Yourcenar heeft beschreven? Oom en het kleine meisje? Incest dat alleen in een puur particulier moment geen schade aanricht.*

‘Nee,’ zei mijn vriend die literatuur studeert, ‘ze verwijst naar Don Miguel en Anna die geen enkele spijt hebben als broer en zus met hun liefdes relatie, maar ze zijn bang, eeuwig in de verdoemenis te geraken, leeg te worden, dus kiezen ze voor boetedoening… .

Op het terras heerst een monotoon geroezemoes. 

’Ik ben knoopverslaafd, zegt Misja. 

Ze staat op om naar de toilet te gaan. Daar kan ze nadenken en als ze terug, met een plof, op haar oude plek gaat zitten zegt ze: ‘Ik dacht dat je alles zat in te vullen, maar nu begrijp ik pas dat het te maken heeft met dat je de leegte wil oplossen en daarmee het probleem.’

Ze omhels me.

La Morales, mijn favorieten tapas bar in Sevilla, we worden dronken. Ik verzin dit natuurlijk allemaal. Maar het helpt. Wie als God wil leven hoeft nergens bang voor te zijn.

Het is allemaal liefde wat hier kraait.

.

De schrijver postkritikaster aan tafel. Schilderij Robert Kruzdlo 1996

Robert Kruzdlo Sevilla Spanje 8 Juni 2022

*Yourcenar, An Obscure Man, heeft het jonge meisje Nathanaël een intieme, fysieke relatie met een man, oom, waarvan ze geniet. Zij weet dat de wereld hem zou veroordelen voor zijn deelname aan wat als onnatuurlijke handelingen worden beschouwd, maar zij weigert te geloven dat haar/zijn oprechte genegenheid voor een andere als verkeerd moet worden beschouwd.  

De pelgrimsroute van Santiago naar Jerez.

Santiago Abascal, voorzitter van de politieke partij VOX begroet militanten supporters en legt vriendelijk, bij verrassing, zijn hand op mijn schouder.*

‘Om de een of andere reden lijkt de mens, als we de seksualiteit even terzijde schuiven, niet altijd voor de wederzijdse liefde geschapen. Dat de zondeval hier debet aan is spreekt voor mij en vele andere geloofsgenoten vanzelf. De duivel is de overste der aarde met alle gevolgen van dien en dat weten we langzamerhand allen.’  

Dit las ik, zonder bronvermelding, op internet. Alsof het uit de blogger eigen koker van de blogger kwam, natuurlijk niet, hij staat er om bekend, plagieert erop los. En dus, heeft de lezer er niets aan te weten wie hij is. Helpt het zijn zonde toe te geven? Dit laatste zal hij nooit doen. Toch zag ik, door de tekst heen, de blogger doorschemeren, gaande duidelijk worden, de oude ziel. Demonisch figuur.

Gistermiddag, onder een felle zon, wachtte ik, gezeten op een marmeren bank, op een paar vrienden uit Israël, zonder dat ik daar erg in had. Ik had ze, er voor, nog nóóit ontmoet, maar na een minuut of minder voelde ik aan mijn klomp aan, dat het aardige mensen waren. Een paar zinnen en we hadden een geanimeerd gesprek over de lange wandelingen die zij samen hadden gemaakt: ‘Je ontmoet op de pelgrimsroute van Santiago de Compostela veel aardige mensen.’ 

Twee weken waren zij en hij samen en nu stonden we hier met z’n drieën onder een hete zon alsof God ons had samengebracht. Rondom ons wapperde in de warme wind VOX- en Spaanse vlaggen, niet wetend wat er kan gaan gebeuren vroeg een van hen: wat betekent dit allemaal?

Dit vroeg ik mij af toen ik de tekst over de zondeval las. Ik moest denken aan iemand die lijdt aan dwanghandelingen. Meestal zijn deze mensen niet creatief en op een bepaalde manier verstandelijk gehandicapt leugenachtig. Sinds de zondeval van die iemand, om het maar, zo verstandelijk mogelijk te opperen, herhaalt die iemand elke dag dezelfde handelingen: hij plaatst op internet eindeloos hetzelfde, dezelfde informatie over zichzelf. In wisselende volgorde, want er zal ergens op de wereld iemand zijn die vergeten is wie hij was, nee is. Potdorie, miljoenen keer heeft hij, de blogger, in tegenwoordige tijd, weer een muis- tipklik van iemand die op zijn blog klikt gehoord. Ergens uit een opflakkerende neuron spat het genoegen, de herhalingsdwang die onbehandelbaar is, vrees ik: knoopverslaaf, aan muis-, tipklikken. Zo ook de zondeval.

Ik had mijn vrienden uitgelegd hoe verkeerd, dat ik/zij, op dit door de hete zon overgoten plein, bezig waren. Het gekletter van vlaggen, aanzwellende mensen stemmen, die zo dicht op elkaar stonden alsof het één familie was die straks in één autobus moesten passen, verlangde ik naar het moment dat ik en mijn nieuwe vrienden, in joelen zouden uitbarsten: puta madre. Immers ik had gezegd dat de ‘duivel’ in aantocht was en die wilden zij ook zien. De duivel, daar mijn uit het niets verschenen Israëlische vrienden er alles van wisten, was het afwachten of we samen ‘puta madre’ willen gaan roepen?

Last hebben, nee géén enkele last ondervinden van dwanghandelingen is biologisch. Keer op keer moet je hetzelfde doen om bedrog, liegen en verdraaien van de waarheid te behouden, als een vurige drift. Ik zei tegen mijn vrienden dat in de politiek hetzelfde gebeurde, ook in Israël werd mij verzekerd. Het is een manier om, met je geloofsgenoten, de duivel te spelen en als je die niet hebt, een internetpubliek verzinnen met miljoenen klikken.

Dat er heel veel politie in burger was betekende toch wel iets. Dranghekken, links en rechts, werden extra gecontroleerd en toen er gejoeld werd, omdat er een aantal auto’s aan kwamen rijden, greep ik naar mijn telefoon. Die lag thuis. Mijn vrienden zwaaiden met hun telefoons. Samen zullen we met de duivel op de foto gaan, die als een breedlachend schaap zojuist uit de auto is gestapt en er een hemels applaus opstijgt. Boven ons een verzengende blauwe lucht.

Thuis, had ik bij het afsluiten van mijn computer nog gedacht dat als iemand die liegt en ‘willens & wetens’ een ander de grond inboort, dwangmatig dat wel, hier een duivel aan het werk moet zijn. En als de duivel straks de microfoon pakt, dan is dat voor zijn geloofsgenoten niet erg. We all burn in hell.

Plots stond Santiago Abascal voor mij. Om eerlijk te zijn had ik alleen Santiago geroepen. Mijn vrienden keken mij vreemd aan, nee zo heet hij en ik wees naar de man waarop een politie in burger mijn hand wegsloeg. Auw.

Santiago, zijn hand op mijn schouders. Ik voel het nog en ik kreeg een vreemde grimas op mijn gezicht. Dat ik daarom moest lachen deed er niet toe. Nee, in de tegenwoordige tijd, het er wel toe doet: de duivel had zijn hand op zijn vijand gelegd zonder dat hij dat wist. We zijn niet wederzijds om de liefde geschapen. 

Thuis dacht ik, om een goed gesprek te hebben, moet je met de duivel afspreken. Wie weet neemt hij zijn evenknie mee, Joost mag het weten. En dan te bedenken dat evenknie evenknie vonnist.

Aandoenlijk toch allemaal.

.

*Santiago Abascal verdedigd de waarden en tradities, het platteland en de visserij, het stierenvechten, de gelijkheid van alle Spanjaarden, de strijd tegen illegale immigratie, genderwetten en historisch geheugen.

Robert Kruzdlo Jerez de la Frontera Spanje 2022 juni

Er is alleen een nu.

Het NU. Robert Kruzdlo 1995

(…) Ik zocht niet meer naar warm contact, zou ook niet weten hoe. Als eenling voelde ik mij vrij, ondanks dat ik geen middelen had om mij zelf te voeden en te kleden, voelde ik mij als ‘weeskind’ het beste. Mijn heimwee naar huis was uitgeblust. De brieven die ik aan moeder schreef heb ik nooit verzonden en als ik door wroeging geteisterd werd, schreef ik dat ik naar huis verlangde en borg de brief tussen alle niet verzonden brieven op. Volgens mij, had moeder geen idee hoe ik het overleefde, dat kon zij ook niet weten, ik wist het zelf niet, maar ik voelde mij vrij. 

Om uit te zoeken, wat dit zelf ook mocht zijn, dacht ik er verder niet over na, dat leek mij het beste, maar…, toch dacht ik van alles. Ik dacht nooit dit of dat, ik droomde dat de gedachtes met elkaar speelden en uiteindelijk, hoe absurd, wanhopig werd ik er niet door, integenstelling tot Sisyphus zocht ik niet naar de betekenis van de mens, naar eenheid en helderheid, ook kwam ik niet in opstand en passief was mijn gedrag ook weer niet. Nee, gelatenheid was het nu ook weer niet. Geen kwelling, geen hoop, er was alleen een onvervulbaar nu, een nu omgeven door niets, zonder God en zonder rede. Het nu, komt in opstand tegen het verleden en toekomst, tegen de stront in je ogen van een ander. Moeilijke zin¿ 

Er zal geen toekomst of einde zijn. Zelfs als het ‘einde der tijden’ toch aangebroken is, – de glorieuze entropie – is er nog steeds adaptatie en overleven, een nu. De wereld zal nooit vergaan. Want niets kan verdwijnen. *


.

Tekst uit het boek KERMIS van Robert Kruzdlo.

*’Omnia mutantur, nihil interit’, schrijft Ovidius in Boek XV

Over Robert Kruzdlo

Sex en vrouwen in Egypte

De vrouw op de paddentol.

Er komt een prachtige tentoonstelling ‘Dochters van de Nijl. Vrouwen en de samenleving in het oude Egypte.’

De tentoonstelling is vanaf 10 juni te zien in Madrid Nationaal archeologisch museum. Prachtige tekeningen op papyrus gevonden in een pot in Turín in de buurt van Luxor. De vrouw haar macht in de samenleving en haar driften.

Er worden verschillende seksuele praktijken getoond. Mannen met enorme penissen en vrouwen op voorwerpen.

De machtige vrouw, waar zijn ze gebleven?

Enorme penissen waarvan het topje verdwijnt.

Door democratie bestaat er géén democratie

In Rusland zijn er nu alleen helden? Waar zijn de normale mensen die hun stem niet mogen verheffen. Zij, ‘normal people‘ lijden eronder. Leiders die populair zijn zijn gevaarlijk!? De geschiedenis heeft het bewezen en er komen nog meer bewijzen aan de oppervlak. Wat kan in dit geval de kunstenaar doen? Politieke democratie is een strontput die gedempt moet worden, maar met wat? Lijken?

25 november 2010

Dam Amsterdam 1965

Robert Kruzdlo 1965

Hij reed rond in een Mercedes-Benz 280SE en in zijn dashboardkastje bewaarde hij een vossenstaart. Van de twee littekens op zijn polsen werd ik bang, angstig, maar ik vroeg hem daarover niets. Hij had een paar weken geleden een foto van mij genomen. (Zie boven.) Op onverwachte momenten hield hij mij aan of liever gezegd sprak hij mij dwingend aan. Meestal op de Dam. Rond het Vrijheidsbeeld waar dag en nacht geslapen, gerookt, gitaar gespeeld werd en de tijd stil stond: er was alleen een nu. Nu of nooit. Nietsdoen hoorde er ook bij: in het nu heb je niets nodig tot je honger krijgt. Hij zei: heb je honger? Ik knikte en we liepen een paar steegjes in. Met een grijns van verbittering en verlegenheid, zijn hoofd gebogen, -hij leek mij een schoft. Maar ik zette mij er overheen. Ik had honger.


Tijdens de rit naar een sterrenrestaurant opende hij het dashboardkastje en haalde de vossenstaart tevoorschijn. Hij zei nauwelijks verstaanbaar dat het zo’n lekker gevoel gaf. Ik kreeg medelijden met hem maar dit wilde ik hem niet laten merken. Later misschien.
Toen hij zijn smetteloze auto parkeerde bedacht ik mij: “Meneer Spil, ik wil naar huis.”
“Waarom nu,” zei zonder mij aan te kijken.
“Ik stink, ik kan niet zitten in zo’n duur restaurant.”
“Dan koop ik eerst nieuwe kleren voor je.”
“Dat hoeft niet, want mijn leven zal er niet door veranderen.”
Hij huilde. Ik liep schoorvoetend van hem vandaan. De vrees dat hij mij zou volgen was er niet.


Toen ik thuiskwam bleek dat ik in mijn binnenzak de vossenstaart zat. Die was voor overgrootmoeder en ze was er duidelijk blij mee.

Jerez de la Frontera 24 mei 2022 Robert Kruzdlo

Klotentijd in the USA

Catskill Amerika 2016 Robert Kruzdlo

De gedachten gaan als zwaluwen over de stad. Ik zit op het dakterras en drink een biertje. Verzonken kijk ik naar de door de zon verschrompelde planten. Ik ben lang onderweg geweest. De lucht is grijs en de wolken dalen. Amsterdam justitie, Amersfoort, Eindhoven, Barcelona, Jerez de la Frontera en ik zit op mijn plek. Gitaarmuziek klinkt dof. In de straat piepen de autobanden. De hitte walmt esoterie. Voel ik mij nu vrij¿

Nee, ik ga u niets vertellen over hoe de … mij ertoe heeft aangespoord naar Amsterdam te komen om mijn zaak samen met een advocaat te verdedigen. Feiten zijn soms geen feiten en als ze dat wel zijn zeg je de waarheid nog niet. (Ik woon nog steeds in Amerika Catskill NY.)

Op de muur verschijnt een muurhagedis. Ik zeg tegen het flitsende beestje: Mijn moeder vertrouwde mannen die ze niet had moeten hebben, haar constante schaamte bezorgde haar drankzucht, drankzucht geldproblemen en tenslotte al rokend een hartstilstand. Ze haatte mij meer dan alle mislukte relaties die ze had. De hagedis steekt zijn tongetje uit.

Ik verdwaal als schrijver.

Soms kan ik mijn leven op één postzegel schrijven.

Ik woonde in Catskill Amerika. De politie van Catskill had een oogje op mij. Platleggen door, als ze voorbijkwamen met hun politieauto, mijn naam te noemen. Als ik in een café zat vlak voor mijn tafeltje aantekeningen maken en als ik joggend over de Hudson brug kwam, even op mij af komen rijden.*

Waarom, verdommeling moet je hier weer aan denken¿

Ik ben verdwaald in mijn verhaal.

Vaak droom ik dat mijn penis afvalt en ik die weer terug moet plaatsen. Soms vallen ook mijn ballen af. De psychiater zei, toen ik achttien was, dat dit met mijn moeder te maken had: schaamte om een lul te hebben.

Ik verschroeide met verse schaamte en blaak daarna weer van veerkracht.

Catskill, och wat was dat een klote tijd. 2016 en nog gieren de verhalen als zwaluwen mij door het hoofd.

*Ik had toentertijd, als stand-upcomedian, beweert dat elke blanke Amerikaan geen natuurlijke bewoner van Amerika is. Dat er bloed aan hun handen kleeft en verantwoordelijk zijn voor de miljoenen slachtingen onder de oorspronkelijke bewoners.

2022 Robert Kruzdlo Barcelona, Jerez mei 2022

Voor wie wil schrijven kijk eens naar deze video: https://youtu.be/sUppgpgFyP0

Amersfoort taal en werkelijkheid

Links Robert Kruzdlo

Op Neerlandistiek stond 10 mei dit artikel van Marc van Oostendorp.

Mijn reactie: ‘Taal beschrijft niet het ‘dwingt’ de lezer in taalregels te denken.’

Zo is de zin; `Waarover men niet spreken kan, daarover moet men zwijgen.,’ onzin, …omdat wat niet gezegd kan worden al in de zin verankerd ligt. Taal, is een gevangenis van regels die de werkelijke werkelijkheid niet kan beschrijven door haar regels. (Ik heb een paar woordjes aangepast.)

Taal geeft de mensen een machtsgevoel over een ander. Het boek van Jeffrey Wijnberg is daarvan een voorbeeld. Lees en huiver.

Ik kijk dwars op de gangbare meningen, dit ligt in mijn genen. Mondriaan was mijn grote voorbeeld.

Dwars door een boom kijken Mondriaan 1912

Robert Kruzdlo Amersfoort 13 mei 2022

.

μήνυμα κόλπου

Ze zat in het laatste jaar van de middelbare school. Een nogal bonkige tiener die danste op de muziek van Tom Jones Sex Bomb. Ze was van een andere chemie, haar lichaamssappen werkte fysisch anders dan bij haar klasgenoten. Ze had dijen als een merrie. Hengstig. Ik had de Multatuliaanse ‘gele jalousie’ en begreep algauw dat het kwam dat zij zich te veel door de teugels van haar driften liet leiden. Ik kreeg er groene ogen van.

We hadden sex op de bank in moeders flat. Zo’n flat, een doos, rijen dozenflats, onooglijk nu, maar toen waren de straten nog niet vol met auto’s. De bomen waren dun en de zomers zwoel van het jonge gras.

Daar op die bank trok ik te laat mijn ding terug. Paniek. Vooral zo vlak voor het eindexamen. De pil? Condoom? Spieraaltje? We waren nog jong en seksuele voorlichting, ho maar. De seksuele revolutie was net begonnen: voor haar nog meer vreugde. Dolle mina, och dat kon er ook nog bij en…, ik ben géén bezit van jou kwam als een woke: anti psychiatrie. Een warrige tijd. Sex bleef hetzelfde.

Uren heeft ze in paniek haar vulva vol zeepschuim gestopt. 

Ik was verslagen door schaamte en wanhoop die mij paranoia maakte, maar dat was ook weer in. Ik sliep op de Dam, in het Vondelpark en iedereen dacht dat ik stoned was. Mijn ogen zagen zwart van ‘puberpaniek’. Er was niemand om mij heen die ik het verhaal van de bank, Osdorp, zeepschuim en dat ze misschien in verwachting was vertellen kon.

Eindexamen schoolfeest. Op Sex Bomb werd wild gedanst. Zij danste als een circuspaard op spitzen de twist. Een raar gezicht was het en niemand begreep het. Bezweet zoende ze in het fietsenhok met een klasgenoot. Ze had zich het gompes geschud, en haar moeder had haar die nacht alles vergeven: vloten de vogels.

Ze werd misselijk en ging naar het toilet. Daar viel iets in de pot. Ze keek er naar. Ze trok de wc door en vergat alles. Ze ging psychologie studeren. Deed het met die en die. Slaagde, zonder moeite. Alles ging zonder moeite. Had het geluk met de erven en biologisch veranderde er niet veel bij haar. Ze had haar hele leven geluk.

‘Weet je,’ zei ze de volgende dag toen ze gebiologeerd in de pispot had zitten kijken, ‘het waren net lucifersstokjes.’

Meer dan 55 jaar geleden en nog steeds komen de herinneringen zonder dat ik erom vraag terug.

De zelfdenkende neuronen die houd je niet tegen.

.

Girona 5 mei 2022 Robert Kruzdlo 

Eisso S schiettent

Woensdagmiddagkermis

Het was druk, schooljeugd zonder ouders die tussen de kermisattracties in groepjes ophielden. Zonder iets uit te geven slenterde zij druk gebarend tussen de lawaaierige attracties door. Druk kletsende meisjes, gillend en schreeuwend, soms trekkend en sjorrend op een kluitje voor de schiettent. Alleen kinderen van rijke ouders konden het zich permitteren om uren in de botsauto’s rond te rijden. De anderen keken jaloers en lacherig toe hoe de vetkuiven zich vermaakten in de botsauto’s. De meisjes smoezend en schuins naar de jongens kijkend, de jongens, dwaas en verlegen terugkijkend en soms bruut commentaar gevend op het uiterlijk van de meisjes. De meisjes fluisterden en kozen de stomste, de domste jongen uit, het werd hun slachtoffer, wat gekunstelde lachjes opriep. Ingewikkeld gedoe, vond ik. 

Plotseling maakte een meisje zich los van de groep. Ze kwam met trage stappen op mij en de schiettent toelopen en zonder iets te zeggen legde ze een gulden neer.

“Dan mag je vier keer vijf schoten doen,” zei ik volleerd. 

Het was hetzelfde meisje dat gisteren een tijd voor de schiettent had rondgehangen.

“Hoe heet je,” vroeg ik rap, zonder haar aan te kijken.

“Wolk, Roos Wolk,” zei ze zacht en drukte de luchtbuks tegen haar schouder. Nogal onhandig. Ik hielp haar.

“En jij,” zei ze zacht.

Een verschrikkelijke opwinding joeg als een ellendige bloedstroom door me heen. Mijn wangen gloeiden en in een flits, minder dan een seconde welde het een gevoel van verliefdheid in mij op.

Ik noemde mijn naam en dorst haar niet in de ogen te kijken. Ze hield de luchtbuks aan haar schouder zonder te schieten. Haar nagels waren bloedrood gelakt. Ik keek naar haar oorschelp en naar het plukje haar dat over haar slaap en oor viel. Meer niet. Een seconde lang, misschien korter. Het wond mij nog meer op. Het bloed klotste in mijn keel, alsof ik het kon uitkotsen, en ik bleef slikken, maar dat hielp niet. Waarom weet ik niet. Zo’n detail, vreemd. Haar lange wimpers trilden in de zwoele lucht, haar wangen licht gepoederd. Haar gezicht kon toveren, en toen ik probeerde om haar te helpen, – er waren weer enkele secondes verstreken, gaf iemand een harde klap op de toonbank: “Sukkel, we willen schieten.”

Het was de jongen met lang zwart haar, scherpe neus en een dun snorretje, pukkels en vlammende groene ogen, de jongen die ik eerder bij de bakker had gezien, ook hetzelfde groepje. Ik laadde het geweer en ging een eindje van hen af staan. Het meisje keek toe hoe hij bij het eerste schot een foto schoot. De andere jongens joelden en zeiden dat Neus, ja zo heette hij, de beste schutter was van de stad was.

“Wedden, “ wierp een van hen mij vijandig toe.

“Kom maar op, “ zei Neus vurig. Zijn handen grepen naar een ander geladen luchtdrukgeweer. (Nu lijkt hij een wedstrijd met de ik-figuur te willen aangaan, maar dat wordt in de volgende regels overklast.) Een van de jongens griste het houten bakje met kogeltjes weg. Ik trok hard aan zijn trui terug, zo hard dat ik een pluk wol in mijn hand had. Een jongen wilde mij met zijn vuisten op mijn handen wegslaan en voor ik wist wat er gebeurde hadden ze allen luchtbuksen op mij gericht. Ik voelde me alsof ik voor een vuurpeloton stond.

“Hier, net als in de oorlog, we schieten op je domme kop, die zigeuner, jood,” riep een dikke knaap met varkensogen schel. 

“Zigeuner, we zullen je een lesje leren, blijf van onze meisjes af,” zei Neus ranzig, en uit zijn mond floot een spuugklodder op mijn gezicht. Woedend zei ik dat ik geen zigeuner en Jood was. Dat had ik niet moeten zeggen. Ik had mijn mond moeten houden. Er kwam een valse glimlach op mijn lippen. De woorden Jood en zigeuner klopte harder in mijn hoofd dan mijn hart. Ze spande de luchtdruk geweren en richten die op mijn hoofd. De klodder spuug liep in mijn mondhoek. Ik dorst die niet weg te vegen, had ik dat wel gedaan dan hadden zij dat als uitdaging gezien: langzaam met een grijns met mijn mouw afvegen, zo dacht ik in een flits. Niet doen, tegelijk.

“Stomme gans, mot je nie naar school, zigeuners, Joden hebben geen verstand hé. Pang, pang, pang gaan we doen.” 

De dikke gaf met de kolf van de luchtbuks mij een harde klap tegen mijn buik. De luchtbuks viel kletterend op de grond. Toen ik hem van de grond wilde oppakken om mij te verdedigen, grepen de andere jongens mij stevig beet. Nu, ik kon geen kant meer op. Na een paar seconden trokken tientallen handen mij kop en kont over de toonbank. Ik verweerde me zo goed als maar kon, maar mijn hele lichaam begon pijn te doen. Ik hield mij slap om de stompen op te vangen. Ik trilde, mijn lichaam was volstrekt een vreemde geworden, een lijf die ik weggegeven had om te martelen. Er moest nu een wonder gebeuren, anders zou ik door de jongens vermorzeld worden en mijn lichaam niet meer terug krijgen. Ik zag bijna niets meer en toen ik in mijn broek begon te plassen van angst, zag ik dat het mooie meisje met het lokje haar over haar oren, de luchtbuks op het groepje jongens richtte. Ineens schoot Roos, die voor me was gaan staan, Neus precies op zijn voorhoofd. Het werd stil. Niemand deed meer iets. Roos huilde en liet de luchtbuks op de grond vallen. De jongens weifelde, terwijl Roos met haar zakdoek het bloed van mijn gezicht veegde. Flinke schaafwonden en een blauw oog, een ander lichaam waar mijn geest langzaam in terugkwam. 

Toen ik weer wat begon te zien, mijn ogen branden van de tranen alsof ik uien had staan schillen, stond een eindje verderop een politieagent bij het groepje jongens, die druk gebaarden en riepen dat ik begonnen was. Precies in het midden van Neus zijn voorhoofd liep een straaltje bloed over zijn kokkel. Hij grijnsde met een rij rotte tanden. Roos stapte huilend naar de agent en vertelde wat er gebeurd was. (Blijkbaar gelooft de agent haar meteen.) Toen de jongens zich van het kermisterrein moesten verwijderen riep een van hen naar Roos: “Trut, hoer dat je bent.”

Roos hielp met opruimen en toen ik met trillende stem zei dat ik me ging wassen en een ander hemd ging halen, paste Roos op de schiettent. Het geweld leek op een film die in m’n hoofd eindeloos werd herhaald. In een film speelde ik. Mijn hoofd maakte er een film van, een herinnering met beelden die ik niet echt zag, maar wel naar keek en de waarheid zo divers was dat ik gek werd. Ik rook het bloed en voelde een stekende pijn achter mijn oog. Mijn buik deed pijn en de urine in mijn broek stonk. 

Mijn kuiten trilden en ik voelde dat zich een enorme leegheid in mijn hoofd opende.

“Hier, draag deze zonnebril, “ had Roos gezegd en haalde uit haar rugzakje een zonnebril tevoorschijn die ze bij een andere attractie gewonnen had. Ik zette de bril op mijn gehavende neus en maakte een nerveus grapje. Ik verstond haar reactie niet. Roos aaide met haar slanke hand over mijn krullend haar en gaf spontaan een kus op mijn wang. Mijn hoofd leek groter dan de wereld, alles werd kleiner, kleiner dan het heelal zo groot. 

“Je haar knettert,” zei ze lachend, “lijkt elektrisch, ik weet niet hoe dat kan, komt het misschien door je boosheid?” 

Ik zag het. Ik hoorde het aan haar stem, die veranderd was, was ze echt op mij verliefd? Ik schrok bij de gedachte dat ze misschien verliefd op me was. Ik kon geen woord uitbrengen. Dronken van pijn en emoties keek ik in Roos ogen om te proberen, zonder woorden, iets duidelijk te maken, maar ik kon geen ‘blikwoord’ uitbrengen. Roos dacht misschien dat ik een afspraak wilde maken, misschien naar de film gaan of hand in hand wandelen. 

Nu wist zij niet dat ik eigenlijk helemaal niet de bioscoop in mocht, omdat ik te jong was, omdat de vrouw van de kassa niet van een kermiskind hield, alleen mocht ik als het licht van de filmzaal uit was snel naar binnen. Ik kon niets zeggen, mijn lichaam stond aan de grond, op drijfzand genageld, dat is het enige wat ik kon, vastgenageld staan op drijfzand. De aarde onder mijn voeten zonk weg. Roos wachtte tot ik zou zeggen dat we samen iets gingen afspreken. Roos zei: “Nu tot…” verder kwam ze niet. Ze wachtte af…, en op haar gezicht kwam een rode blos. Haar ogen werden groot en ze knipperde met haar ogen. Ze keek naar rechts, links, rechts en dan naar de grond.

Roos moeder, die haar ruw aan haar arm van de counter weg had getrokken kreeg een tik tegen haar oor en een duw in de rug, zodat ze bijna viel.

“Naar huis jij.”

Roos draaide zich naar mij om. Die blik op haar meisjesgezicht, die verschrikkelijke alles zeggende smartelijke blik: de mondhoeken naar beneden, zoals Maria opziet naar haar Zoon aan het kruis, haar rode oortjes door de petsen die ze had gekregen, en nog een keer met gebroken stem:

“Dag nu…ik…” verder kwam ze niet.

Zo heb ik het gezien van deze kant Robert Kruzdlo 1962

Robert Kruzdlo Girona Spanje 3 mei 2022

De man is de vrouw in zichzelf de baas geworden. 

After living together for twenty-seven years, Joyce and Nora got married at on 4 July 1931.

“Je had die nacht een kont vol scheten, schat, en ik neukte ze uit je, dikke kerels, lange winderige kerels, snelle kleine vrolijke scheuren en heel veel kleine ondeugende scheetjes eindigde in een lange stroom van je gat. Het is geweldig om een scheten vrouw te neuken wanneer elke neukpartij haar uitdrijft. Ik denk dat ik Nora scheet overal zou kennen. Ik denk dat ik haar kon uitkiezen in een kamer vol schetenlatende vrouwen. Het is nogal een meisjesachtig geluid, niet zoals de natte winderige scheet waarvan ik denk dat dikke vrouwen hebben. Het is plotseling de droog en vies, zoals een brutaal meisje zich ’s nachts in een slaapzaal op school zou uitleven. Ik hoop dat Nora haar scheten in mijn gezicht niet zal laten. Zodat ik ook haar geur zal kennen.’

Joyce op zijn best? Joyce die alles kon doen met taal. Onbegrensd. De drift in taal vergoddelijkt alles, niet de afgesproken taalregels. Als de vrije wil niet bestond was er geen goed en kwaad. 

Taal tuinieren, schoffelen en spitten. Wat de een onkruid vindt is voor een ander schoonheid. Taalgeleerdheid is een vak die Joyce begreep: op de schop ermee! Er wordt altijd te veel of te weinig gezegd en je bloot geven in taal is van een intellectuele naïviteit. Onschuldig op ‘taaldrift’ reageren is niet naïef, het mooiste wat er is.

‘Leven is dat wat met geweld zijn weg baant,’ Lucilius.

Barcelona Robert Kruzdlo 30 april 2022

Ernst Jünger

Ernst Jünger, (born March 29, 1895, Heidelberg, Ger.—died Feb. 16, 1998, Wilflingen), German novelist and essayist, an ardent militarist who was one of the most complex and contradictory figures in 20th-century German literature.

Zien is bij Jünger nooit iets louter passiefs – het is eerder een vorm van ‘aanval’. Het is hem voldoende om overal waar van Gestalt sprake is ‘een lege plaats, een venster open te laten, dat door de taal slechts kan worden omraamd en dat door de lezer met een andere bezigheid dan het lezen moet worden ingevuld’.

Zien is wat vanuit de geest “voor-ogen” komt. Zien is wat de werkelijkheid op je ogen drukt. De mens kan nooit zien waar precies het zien – fysisch, neuraal, biologisch – vandaan komt. Het brein is ontoegankelijk, de werkelijkheid is ondoorgrondelijk. Zien is volgens Ernst Jünger boven iedereen en alles staan. Ethisch, esthetisch en misschien zelfs boven de kunsten staan.

Zien is niet dwars door mens en dingen kijken, maar … och kijk en luister.

.

Barcelona april 27 2022 Robert Kruzdlo

Poëtica prop van KIRAC monoloog.

Bestel een nieuw hoofd bij KIRAC

Onderstaande woorden, zijn de woorden van KIRAC medewerkers. Door mij aaneengeregen en als een mozaïek over de vloer uitgespreid. Waarom? Nu, dit zijn de echo’s van hun woorden waarvan ik vind dat de semantiek heel bijzonder is.

Wij zijn solidair met de slachtoffers van de kunsten, wij HEERLIJK HELDER KIRAC zalven de culturele zonden want je vecht altijd tegen je (de) cultuur en… je wordt daardoor door de cultuur beloond, cultuur is een onbevredigd genieten, grappig de dood te zien in onze cultuur…, leven met tegenstrijdige gevoelens, bottom up, top down, zwart wit, dat portret laten zien, de innerlijke tegenstellingen, niet één kant als het cynisme laten zien van jezelf maar ook het hondse: zoals je ouders ook waren, en, hun voorouders, de biologie van de mens, balanceren op een koord van de homeostase, balans…, de kunst moet hier naar kijken, (sic, zegt de woordvoerster van KIRAC) hier een portret van maken, ontmaskeren, ledigen en je vijand in jezelf omarmen, de tegenstelling van het neuraal innerlijk en de dove werkelijkheid, dat moet de kunstenaar laten zien, deze feiten zijn saai, daar kun je géén geld mee verdienen, niemand zal je uitnodigen om de verscheurde mens die hij eigenlijk is te laten zien, KIRAC wil op een nieuwe manier met de waarheid omgaan, met de KUNST, gewichtloos tussen wat in je brein en in de werkelijke werkelijkheid, enzovoorts.

Eigenlijk is wat Robert Kruzdlo TUSSENMENS noemt een antwoord op KIRAC waterval. Hoe je je ook verplaatst, van de ene plek naar de ander, vanuit het binnen, vanuit het buiten, de natuur maakt je slachtoffer en niet de cultuur, KIRAC of de critiek. In de tijd van Honoré Balzac (Tours20 mei 1799 – Parijs18 augustus 1850) waren de problemen precies hetzelfde als nu: Libertijnse stront. Zelfs Markies de Sade bewees dat je in alle gaten van de libertijnen kon neuken, pissen enzovoorts. M.a.w. ‘Tussenmens-kunstenaar’ kent deze plek, is zich bewust van zijn lichaamsgewicht, hij weet zijn plaats en pas dan … als zij/hij het lef heeft de onzin van zijn zinvolle projectie in te zien, en dat inzien = het HET genoemd wordt: HET BEWUSTZIJN, daarover heeft KIRAC over en natuurlijk niet. Jammer. Maar gelukkig, er is WEL één antwoord mogelijk op al dit bagger, het libertinisme: de liefde¿

Helaas…, liefde duurt korter dan het leven van een kunstenaar. Op naar een nieuwe naar stront riekende beschaving. Leven de vrijheid, maar dan zonder dat een ander zijn macht oplegt op een ander. KIRAC verkoopt koppen op laagwater.

Wordt vervolgd.

Barcelona Robert Kruzdlo april 21 2022