Dwars door iemand heen kijken omdat muziek verbindt.

.

Ik zat op mijn favoriete bankje in het centrum van Sevilla Spanje. Er kwam een vrouw naast mij zitten. Sip. Haar lichaam straalde eenzaamheid uit. Ze had het ook warm. Op dat moment was het 38 graden en het zou 42 graden worden. Ze zuchtte en tegelijk keken wij elkaar aan: ‘In mijn kamer is geen airco.’

‘Dat is s’nachts niet leuk.’

‘Ik raak eraan gewend, douch om de paar uur.’

‘Waar kom je vandaan?’

‘Ukraine, vluchtelingenstatus en opgevangen door een familie hier. Lara, en jij?’

Ze weende. Het werd ineens zo stil. Ik bewoog mij haar richting op. Haar hoofd lag op mijn schouder. 

‘Je bent de eerste,’ zei ze onder het drogen van haar tranen.

‘De eerste wat?’

‘Waar ik mijn verdriet kan laten gaan.’

‘Roberto, vertel maar…’

En toen vertelde ze haar verhaal. Op de achtergrond geklepper van ooievaars.

Dagen later. Weken later. Hetzelfde bankje.

Op het moment dat ze vertelde dat ze zo vrolijk werd van mij, kwam de pastoor van de kerk langs. De kerk die aan het plein ligt. Ik kende de goede man en vroeg: ‘Heeft u een kamer voor deze vrouw?’

Uitleg. Vragen en antwoorden. Gelukt? Ja.

De dag erna kwam Lara met het bericht dat ze een kamer had met airco. Zij blij. Ik blij.

Een jaar verder. Lara, werd verliefd. 

‘Ik ben verliefd,’ zei ze, ‘maar zo snel wil ik niet gaan samenwonen.’

Een paar maanden later was Lara verhuisd. We zagen elkaar geregeld en zoals Lara altijd met haar pretoogjes vertelt: ‘Roberto, ik word altijd blij als ik je zie.’

Op de achtergrond, op de torenspits, ooievaar geklepper.

Een tijdje geleden heb ik op eigen initiatief, een etentje gemaakt…, ook voor mijn vrienden Lara en vriend, Ute en vrienden, Magarita en aanhang. (Die ik niet noem uit piëteit.) Muzikaal entertainment diner? Op dat moment wel. Een kluwen muzikale mensen bijeen. Lara, filmde. Lara, glunderde en genoot. Ze vergat alles en meer, ze bouwt haar nieuwe herinneringen op over mij, mijn gastvrijheid en edelmoedigheid. Een vreemdeling kan niet alleen zijn zonder de ander. Ik kookte stiekem voor Lara! Hoor je de ooievaar al klepperen?

Hier het filmpje dat inmiddels 230 keer is bekeken. Te zien zijn mijn lieve vrienden o.a. Lara, Magarita, Ute, en Roberto de kok. Zang, muziek verbindt. Nu ja, nu niet meer. Terecht een moeilijk gekriebel voor een man om vrouwen te begrijpen die van jeuken houden. Flamoes met champagne? Nietzsche zei al: ‘Neem de zweep mee als je naar de vrouwtjes gaat. Ik heb er veel jeuk aan overgehouden en dat is terecht. Een misbaksel ben ik ook.

Lara, dank dat je mij en vrienden op je telefoon hebt gezet. Ik heb er zeker ook recht op om de wereld te laten zien hoe ik een vluchteling heb weten te redden. Heterofenomenologisch is iets anders dan…! Misschien kun je de beelden op je telefoon wissen want ik wil niet als een Bellerophon bekend staan.

Kok Roberto Kruzdlo met schort. Dank aan vriendin Lara die dit filmpje heeft gemaakt en…, ook elders op internet is te zien..

Als de meerderheid van de aanwezige vindt dat ik dit filmpje niet mag tonen dan hoor ik dat graag.

Sevilla 2023 Spanje

Robert Kruzdlo 

Uitbesteed

W. J. Vosser 1956 Maastricht.

Autobiografische fictie: Vosser Walter Joseph wordt door zijn moeder in zijn jeugd drie keer uitbesteed. (Kinderarbeid.) De eerste keer wordt hij aan een man met een scheve mond meegegeven. Hij gaat werken op een kermis te Nijmegen. De tweede keer wordt hij uitbesteed aan het Dierenpark te Amersfoort en de derde keer moet hij in Alkmaar in een kaasfabriek werken. Hij is dan veertien jaar. Mijn boek gaat over hoe Vosser dit overleeft. Hieronder een korte beschrijving van de rit die Vosser en de man met de scheve mond maakt richting Nijmegen. Het regent verschrikkelijk en zijn kleren zijn nog nat van de regen.

.

Hossend tussen de regengordijnen door doemen rechts en links modderige afritten en boerenlandwegen op. Langs de kant staan houten rekken, waarop rijen lege melkbussen op de kop staan. Boven het boerengeriefgroen jagen grauwwitte neerslaande rookpluimen omlaag, rijzen en verdwijnen in de grauwe regen. Veel prikkeldraad en wat koeien. Soms een magere knol, druipend met zijn kop naar beneden onder een schamel afdakje. De regendruppels op het zijraam die ik in een begonnen halfslaap volg en die door de vaart van de auto horizontaal, trillend naar de rand van de zijraampjes lopen, hebben iets magisch. Elke regendruppel vangt de wereld anders. Ik dommel in en schiet met een stuip wakker. De lawaaierige ruitenwissers zijn er plotseling weer mee opgehouden. Gevloek. Hij spuugt. Ik schrik. Klap met een vuist op het dashboard. Remmen. Fleem op de voorruit. Die zal niet opdrogen. 

Nerveus verdwijnt het puntje van zijn pink in zijn platte neus. Dat haat ik, zijn platte neus vol rode puntjes leeg te zien lepelen. Het weer haat ik ook en de gedachte aan een leven dat op punt van omvallen staat, maakt mij boos. Wat is de toekomst? Ik ben zó moe en heb alleen maar vragen die ik nooit zal kunnen beantwoorden. Zinloze vragen en nog eens vragen. Ik bijt op mijn tong. 

Binnen in de auto wordt de situatie slechter dan buiten. Mijn stinksokken en -schoenen zijn nog nat. Alles wat grijs en nat is, is zonder enige betekenis. Het enige wat nog kleur heeft, zijn de gerafelde ansichtkaarten van half blote dames die achter een gespannen elastiek, dat over de breedte van het plafond is gespannen, gestoken zitten. Aan een rafelig koordje hangt een pen met blote tieten, een gebroken rozenkrans, een gebit en twee ringen. Trouwringen?

Even heb ik vanuit mijn ooghoeken naar zijn silhouet gekeken. Misschien is hij geen Hollander? Per slot stammen wij van de aap af. Ik schaam mij om schuin naar zijn stompe sneus met putjes te kijken. Mijn kleren krimpen en plakken, een dwangbuis aan mijn lijf. Mijn kont blijft nat. Ik heb niet het gevoel gevangen te zitten of zo…, ik kan geen kant op. Dat wel. Dat zei moeder vaak: ‘Ik kan geen kant op.’ Dan stond ze weer in de lucht te gebaren.

‘Hoe heet je?’ vraagt hij zonder zich om te draaien. ‘Je moeder heeft het mij verteld, maar ik heb niet alles verstaan of ben het vergeten.’ 

‘Vosser!’ roep ik hard boven het lawaai uit. 

‘O ja, dat was ik vergeten, Vosser Walter uh, Joseph…’ 

‘Ja, zeg maar Vos,’ zeg ik. Liever niet Vosje. ’En u. Uw naam ben ik ook vergeten.’ (Wat niet waar was.) Ik kijk hem met een oog aan.

‘Ze noemen mij Scheve Kees, mag jij ook doen, Kees of Scheve Kees, maakt mij niets uit. Maar kijk, zo vinden we de weg naar…, uh nooit.’

Hij draait zich om. Ik kijk door het zijraampje naar buiten. Zijn bars gezicht spiegelt even bleek als gips in de ruit. Pas toch op Scheve Kees, wil ik zeggen.

‘Ik zie niets Kees, net als u,’ zeg ik haastig. ‘Ik zie hetzelfde als u, zelfs als ik samen met u naar buiten kijk of op de wegenkaart.’

‘Slim, maar je hebt gelijk, samen komen we er ook niet uit. Wat weet je van de oorlog? Bombardementen? Steden die zijn vernield, verwoest omdat de piloten door het slechte weer niet goed uit het vliegtuigraampje konden kijken en zo de afgesproken vijandelijke doelen misten? Die bommen vielen op Nederlandse steden, dus zeg maar op de verkeerde plekken. Niets aan te doen, maar we rijden door tot er een afslagbord opdoemt,’ bromt hij, ‘of totdat iemand, een boer of een fietser, wil stoppen om ons de weg te wijzen. Kloteweer. Wat moeten die piloten niet gezien hebben?’ 

‘Ik zie niet eens koeien,’ zeg ik turend tussen de regendruppels door.

‘Dat hoeft ook niet, die zien jou ook niet, toch. Maar wat weet jij van de oorlog?’

‘Als het onweert, duikt moeder in het toilet en roept dat de Russen komen. Ze komt als het onweer voorbij is, met grote ogen en met paarse oren tevoorschijn.’

‘Zij moet iets hebben meegemaakt…’ zegt Kees met een amechtig stemmetje. Hij haalt diep adem. 

Met een ruk draait hij zich om en knipoogt met een vies gezicht. Mondhoeken naar beneden. 

Nu ik zijn gezicht goed heb gezien, begint de schaamte opnieuw op te spelen. Hoe kan moeder zo’n foeilelijke man aardig vinden?

‘Heeft je moeder dan nog nooit verteld dat ze verliefd was op een… Laat maar.’ 

Het boek KERMIS komt dit jaar uit. Het is mijn tweede boek. Er komt nog een derde nog schrijnender dan de eerste twee. Ik hoop hiermee een beeld te geven van werkende kinderen die worden uitgebuit door hun moeder.

Robert Kruzdlo Càdiz Spanje 19 februari.

Dooflicht

Dit verhaal heb ik zelf tot stand gebracht, maar is niet door mij bedacht. Het verhaal is denkbeeldig ontstaan, ergens in mijn eerste hoofd en het tweede hoofd, het schrijfthoofd, dat nooit kan waarnemen wat hoofd een doet, pas als het op papier staat, vertolk ik hoofd een. In een taalconstructie. Onder die dwang kunt u het onderstaande lezen. Ik imiteer het geheugen. 

De wind was uit het dal verdwenen. Uitgestrekt, onbeweeglijk lagen bleek verschoten oker, als een tapijt, de korenakkers tot aan de horizon. Er stroomde een woest kronkelend riviertje dat dagen geleden tot stilstand gekomen was. De kikkers kwaakten niet meer en op de slijkachtige bodem waren allerlei voorwerpen tevoorschijn gekomen: een kinderfietsje, pispot, geldkistje. Tegen de heuvels trokken de wijnranken donkere vorens van schaduwen en knisperend vielen de bladeren. De koeien door honderden vliegen belaagd, keken droefgeestig naar de drooggevallen poelen.  

De luiken die van buitenaf voorgoed terug in hun vergrendeling werden geduwd kraakten in hun sponningen. De zon verdween uit de lege kamers. Het stof had dagen rond gedwarreld als sneeuw. Het rook naar oud stof en elke donkere plek op het zeil verried de plaats waar dingen gewoond hadden. Door dit alles was toch wel duidelijk dat het moment aangebroken onomkeerbaar bleek en de sleutel nog een keer in het voordeurslot werd omgedraaid. Er bleef genoeg over om de situatie zelf in te vullen. Het huis, de tuin en het bos achter het huis, de heuvels, zij veegde het zweet van haar voorhoofd. Nerveus zocht ze in haar rugzak. Haar telefoonbaterij was op. Ze had een stapel oude kranten uit de kelder, waarop nog net een foto zichtbaar was van een vopo met een kalashnikov geweer, die over een rol prikkeldraad sprong, in een plastic zak voor de deur gezet.   

Hoe ver je ook keek er was geen mens te bespeuren. Boeren waren binnengebleven en wachtten met de pet op, bij de koude koffie, op de regen. Hoelang dit zou duren, maakte niets uit. Hun dagelijkse ritme was verdwenen en boeken lazen ze niet. Op de televisie was de paus in Afrika te zien. Witte handpalmen raakten de paus aan. 

Ze keek zo ver ze kon. Nergens een wandelaar of een auto aan de horizon. Een kraakheldere blauwe hemel met hier en daar een witte streep. Soms, als bij een wonder vielen er druppels hemelwater, loodrecht naar beneden in het stof. Zij begreep er niets van. 

Niemand, behalve ik, was getuige dat de kleine magere vrouw voor het laatst door de tuin drentelde, om het huis heen en het pad tegen de heuvel op- en afliep. Alles geurde stroef. De droge aarde en de uitgebloeide seringenboom hadden geen geur meer. De kippenren en de lege konijnenhokken, het hakblok met daarop de verroeste bijl, het gestapelde hout, overal zat heimwee. Heimwee was tijd. Ook in de opgedroogde vochtige geur van de scheefgetrokken schuren, op het knarsend grint op de binnenplaats streek zij over haar buik. De bladeren van de bessenstruiken krulden en de eikenhouten regenton waaruit zij water schepte om haar haar te wassen, waren de hoepels naar beneden gezakt en viel de regenton in duigen. Ze keek nog een keer goed naar de dingen die haar dierbaar waren. Een zakdoek had ze niet. Meer dan haar hart verdragen kon wilde ze niet meer om het huis lopen. Bij de dodelijke geurige pioenrozen ging ze plassen. Ze dacht dat ze in de ogen van een vos keek die zijn kop boven een droge sloot stak. Ze lekte urine en trok haar broek razendsnel op. Ze kuste een pioenroos en fluisterde dat ze eens terug zou komen. Onder de regenton begroef ze drie gladde stenen die ze langs de rivier, een paar kilometer hier vandaan, gevonden had. Want als ik ooit eens terug kom graaf ik ze op. Het huis werd kleiner toen ze een lang pad afliep naar de stad.

Op de heuvel, tegenover het huis, zag ze nog net het theehuis. Vandaar kon ze over het dal turen, het vervallen terraskasteel en het kleine in mergel opgetrokken kerkje waar de orgelpijpen boven het dak uitstaken, zien. Het in zonlicht fonkelende riviertje vol met bloedzuigers en vis die met hun staart tegen de brugbalken sloegen om aas, naar de geometrische wijnranken, het Toscana van het zuiden. De weg naar de stad was langer dan ze gedacht had. Er leek geen einde aan te komen. Nu waren de hoge bomen die alles verborgen en de pijn in haar buik bleef. Zonder na te denken stak ze de straat over. De pijn kon ze niet meer verdragen. Ze was alles kwijtgeraakt, ook het licht dat ze dacht nog te kunnen zien.

Ze zag een ander licht.

.

Càdiz Robert Kruzdlo 2022

Radiokruk

Vanachter het gifgroene oog van de radio klonk weemoedig de stem van een zangeres. Het oog knipoogde onophoudelijk naar mij. Of was het naar de zangeres? Het opflakkerende gifgroene oog heeft precies in het midden zwarte oogleden als van een zigeuner, een iris zeewater grijs en de pupil als eenogige koning. In het midden van de radio, op grof geweven stof dat hoofdzakelijk uit twee verschillende kleuren garens bestaat, en een derde goudkleurige draad die er doorheen meandert. De kleuren van een aars. Het doek was aangevreten door het vocht. Twee ivoren knoppen waarmee je de wijzer achter een verlichte wijzerplaat verlicht door twee kleine schaalbrandende lichtjes, kon bewegen. De glazen wijzerplaat met trapsgewijs witte letters. De wijzer stond op de goede plek vandaar dat de zangeres zong. Van de woorden op de wijzerplaat begreep ik niets. Alleen van de radiostemmen begreep ik dat ze mij een plezier wilden doen. De radiostemmen wijzerplaat, had wel vijftig radiosteden, van Hilversum tot Tokio, met altijd de goedkeuring van het groene oog. Met de groene parel kon ik precies afstemmen op het geluid van de zangeres. 

Het oog bewoog als ik aan de rechterknop draaide die de witte wijzer achter de glasplaat deed bewegen. Soms bewoog het groene oog heftig en verscheen er een witte streep in het midden. In combinatie met het gekraak, tjirpen en gesuis dat op golfbrekers leek en de onherkenbare fonetische stemmen, moest ik voorzichtig millimeter voor millimeter de plaat af tasten om zender te vinden die een helder verstaanbaar geluid gaf. De stem van de zangeres klonk dan zuiverder en het groene oog keek mij dan kalm aan. 

‘Frederic Nel,…dat is de muziek van Frederic Néll…’, riep moeder, ‘de opera van Nelll…, o wat mooi’. De L werd steeds langer.

Na schooltijd en in het weekend luisterde ik op mijn radiokruk, een oud voetenbankje, naar de radio. Eerst knipoogde ik naar het groene oog voor ik aan de knoppen begon te draaien. Mijn eerste knipoogfase. Dan zocht ik mijn vriendjes op of ik maakte nieuwe zendercontacten. Ik had al een lange lijst aangelegd en zelf Tokio sloeg ik niet over. Kwebbelen met de radio – wat nu chatten is – tot ik tevreden was met een zender. En dat kon van alles zijn. De kruk was eigenlijk te laag. Mijn oorhoogte was net iets te laag voor de spieker. Jaren heb ik op een deel van de encyclopedie gezeten. Niemand lette op mij en ik hoefde ook nergens op te letten. Ik was er niet. ‘S nachts droomde ik van de radio, de stemmen en de zangeres die ineens begon te gillen als een geile kater.

Ik vergat de buitenwereld en werd één met de radio. Verslaafd was ik. Soms hield ik een oor tegen het stof van de radio. Op die manier kon ik minder achtergrondgeluiden horen. Koptelefoons bestonden toen nog niet. Het maakte soms niets uit hoe hard de radio stond. De radio was mijn vriend die elk vervelend geluid om mij heen verdreef. 

Ik was vaak in trance, ging een beetje dood. De radio verplaatste mij een beetje weg van de wereld, weg van de volwassenen; naar de rand van de wereld en ik was niet meer te bereiken. Pas als een radiostem het definitieve einde aangekondigd had van een of ander programma, dan knipperde het oog alsof het wilde zeggen dat ik aan de knoppen draaien moest. Ik ging steeds later naar bed.

Ik mis het oog nog steeds. Nu heb ik een Sony Xperia 1 IV 256 GB/ 5G maar ik ben niet verslaafd aan dat ding. Het beheerst mij leven niet en als ik naar een radiozender luister is de hele magie van toen verdwenen. Nostalgisch verdwenen. Ik heb vanuit deze verslagen positie een oude radio met precies hetzelfde groene oog gekocht als toen, kan ik net als vroeger de wereld in trance vergeten. Wie niet?

Arme kinderen en hun smartphones. Wat missen die straks? 

.

Robert Kruzdlo

Càdiz Andalusia Spanje.

KERMIS TAAL.

School op wielen 1963

Spreek je moederstaal

Aan de rand van de kermis, tussen woonwagens, caravans en de GMC-. DAF trucks stond een meereizende kermisschoolwagen op wielen.

Leerplichtige kinderen van kermisexploitanten moeten daar primair onderwijs volgen. Eigenlijk was Vosser nog leerplichtig, maar van zijn moeder hoefde Vosser niet meer naar school. Zij had met een vreemd wredelijk accent gezegd: ‘Dwaselijk misschien, maar je hoeft niet meer terug naar school. Wat moet jij daar nu leren. Die dingen die je daar leert, snap jij toch niet. Wij hebben  een ander hoofd, een ander verstand. Blijf gewoon wie je bent.’

Vosser die toen niet wist wie hij was las stiekem boeken, ondanks dat hij bleef lezen, trouwde, scheidde en een aantal kinderen op de wereld had gezet, kinderen die hij niet zag, kinderen die hem niet wilde zien, wist hij nog steeds niet wie hij was en deed hij vijftig jaar later alsnog een opmerkelijke poging om erachter te komen wie hij was. 

Hij stuurde, op aanraden van Durass een vrouw die hij in Parijs had leren kennen en waarmee hij een enorme zuippartij had, een verhaal op naar een beroemd Nederlands tijdschrift ‘PostPolysystem’. Het tijdschrift had slechts enkele drukken. Vosser, een amateurschrijver, dacht dat hij zichzelf op deze manier begreep.

Amsterdam juli 13 1978

Geachte redactie,

Ik ben nog steeds geen iemand als ik schrijf. In taal mag ik niet denken, ik denk aan de taal voor ik ga schrijven. Ik moet een compromis sluiten met mijn verleden. Elke schrijver heeft geen benul van de diepere gronden van zijn intentie, laat mij het daarom ook maar niet proberen. Al die boeken die ik gelezen heb is laster. Als dat niet zo is, is de schrijver zich er niet van bewust. 

Moeder wilde het zo en ik werd… wat? Een taalloos monster, een kind zittend op bed die in een soort trance met zijn bovenlichaam heen en weer bewoog tot hij door de slaap omviel. Ik mocht niet spreken en als ik het toch deed, zei moeder: ‘Wat zeg je nu weer? Spreken dat mogen de andere kinderen, geen haar die daar verandering in brengt dat jij ooit kan zeggen wat je denkt. Jij denkt niet, je kan niet denken en schrijven al helemaal niet. Taal, dat leer jij nooit. Op de lagere school kunnen ze niets met je aan. Niets. Min vier was het hoogste cijfer. Dus houd je mond.’ Moeder wist niet wat ze met mij in haar hoofd aan moest. Moeder belastte mij met haar taalkwellingen. Toen mijn moeder overleed zweefde ik boven de grond , zo verheffend als een vlinder.  

Dit schrijf ik nu. Wat is nu als ik de dood niet spreken kan. Spreken, dat heb ik mijzelf later geleerd, schrijven, dat kan ik nog steeds niet. De ander, ja. Ja, die kinderen van toen, die hadden een verstandig hoofd. Mijn naam spelde ik op mijn veertiende verkeerd. Het adres ook. Moeder heeft nooit aan de meester uitgelegd hoe en wat. Dat kon ze niet. Alle kinderen waren blij met hun eindrapport en hun ouders ook. Ik werd als iedereen weg was, geroepen. Dan zei de leraar van de zesde klas: ‘Voor de tweede keer blijf je zitten en dat mag niet. Je ouders moeten een andere school zoeken. Je bent een hartelijke jongen.’ 

Ik verstond eerst hatelijke jongen.  

Moeder schreef gedichten, met Sinterklaas en Kerst. Over mij heeft ze nog nooit een gedicht geschreven. Ik moest het niet proberen. Omdat ik de taal niet beheers, had ik ook geen tong om te spreken. Moeder heeft mijn tong afgeknipt. Het puntje. Nee, dat deed geen pijn. Pas veel later, nu ik dit opschrijf. 

Zij verdroeg mij niet en daar wende ze nooit aan. Daar is ze aan gewend geraakt.

‘Vos, doe wat, sta daar niet zo.’ 

Ze keek mij dan verwijtend aan. 

‘Nee, ik kan niet anders zijn dan u mij kneedt.’ 

Ze hoort het niet. Ik zeg het voor mijzelf, maar niet hardop. Toch hoort ze het. 

‘Vos, wat sta je daar nu?’

Zo ver bracht het leven ons. Ik kan het haar nu niet meer vertellen. Zover ben ik nu.

Toen ze drie dagen dood op bed had gelegen, hebben ze haar in een kartonnen doos gelegd. Bevroren. Dat is goedkoper. Haar blik kan ik nu nog goed bestuderen. Koud, zoals altijd. Geen verschil. Meer levend dan dood. 

Nooit heb ik de taal willen leren. Nooit. De stilte wel. Taal komt uit de stilte. Soms, als ik geluk had, zei ik iets, een zinnetje en dan zei ze: ‘Wat denk je nu in godsnaam.’ Ik zei: ‘Ja wat zeg ik eigenlijk?’ 

Alle taalregels, die ik op de lagere school moest leren, deden mij pijn. Regels als prikkeldraad. Ik begon steeds minder te schrijven tot woede van de leraar. Op een dag sloot hij mij op in de kelder van de school. Stilte. Ik wachtte af. 

Moeder sprak, spreekt op haar plaats. Nooit op een andere plek. Op je plaats, ‘en place’ moest ik zijn.  Bewogen onbewogen blijven. Een nummer, getemd, dood. Taal zal van mij niemand anders maken dan wat ik al ben. Zonder commentaar, interpretatie, zonder betekenistoewijzingen ben ik. ‘Vos, je bent alleen maar het, het ding van moeder’, zeg ik tegen mijzelf.

Op een dag, ik was veertien, ontdekte ik, hoe weet ik niet meer,  dat ieder mens twee hoofden had, een dat stil alles uitzoekt en het andere hoofd dat lawaai maakt. Nu ik dit verhaal van mijn tweede hoofd heb verteld, van mijn eerste weet ik niets, net als jullie, ben ik heteroverstandelijk.  

Elk boek geeft mij, voor een kortstondig moment, de zalige illusie wie ik ben. Als lezer slachtoffer. 

Ik heb nu de aandacht op mijzelf gericht dankzij mijn moeder.

Met vriendelijke groeten,

Joseph Walter Vosser

P.s.

Ook ik schreef in het zand,

voor wie ik zal heten en

mij verlaten heeft zij zal

ten schande staan

mij uitbesteden

en vergeten nooit zal

zij weten wat ik schreef

in het zand

.

Robert Kruzdlo Cadïz Spanje 2022

Frambozen literatuur en het literair kapitalisme.

Wat is literatuur?

In de jaren twintig van de vorige eeuw deed in literaire kringen het gerucht de ronde dat de schrijver Hofmannsthal de spot dreef met Stefan Zweig (1881 – 1942), die hij altijd verachtte, door hem erwerbszweig te noemen. Een spel met de achternaam van Stefan Zweig dat commerciële tak betekende. Zweig was in zijn leven de best gelezen schrijver in Duitsland en dat kwam doordat hij van zijn vak schrijven een redactionele marketing maakte en een bedrijf was. Het Salzburger Literatuurarchief digitaliseert het ‘Hauptbuch’, een document dat onthult hoe de Oostenrijkse schrijver zijn productie regisseerde alsof er een lezers-fabriek bestond: meer een bedrijf dan het klassieke idee van de eenzame schrijver achter zijn bureau. Literaire marketing door Arnon Grunberg gaat wel heel ver. Vooral in het Grunbergse-psychologiseren is iedereen een dader en slachtoffer tegelijk. Slachtofferhulp is niet ver weg.

Op een blauwe maandag wist ik in een flits wat literatuur is. Literatuur heeft niets met cryptogrammen invullen te maken, maar de lezer pijn doen. Literatuur is als de lezer denkt dat hij Marek van de Jagt, Kafka, Rosie, een psychiater, jodin of een lustmoordenaar et cetera is.

Lezen dat je een dweil bent onder de dweilen en niet alleen je buurman of -vrouw. Ik sta in de boeken van A, beschreven als de lezer van zijn eigen stront, verkrachter van het woord. Ik dacht op die blauwe maandag: literatuur is een mensenfabriek geworden waarvan de schoorstenen moeten blijven roken. De ovens van de letteren moeten blijven knetteren.

Nu elke lezer een dweil is, neem ik het voortouw: ook de schrijver is een dweil. 

Literatuur is een bord spaghetti met veel tomatensaus en gesmolten kaas dat over het hoofd van de lezer wordt uitgestort. Lezers tekortkomingen is lezersplezier. Alle vuiligheid in zijn kop wordt breed uitgesmeerd tot een pageturner. De sadomasochist betaalt voor zijn genot. 

De lezer geniet niet van een frambozentaartje, de lezer geniet van het gat dat gaapt tussen wat hij is en wat hij niet is. Hij is een tussenmens.

De schrijver kan zichzelf, noch de werkelijkheid beschrijven. De lezer wordt ondergepoept met zijn mateloze woorden. 

De lezer kan niet genoeg krijgen van zijn beul.  

Hij wil gekwetst worden, doorboord door duizenden mitrailleurpennen, zijn lijf doorboord, voelt hij zich een trotse uitvinder van zichzelf. Hij is zijn eigen beul geworden en snakt naar meer.

De schrijver speelt onder één hoedje met de lezer, zelfbedrog. Er is geen hoop of troost. Er komt een dag dat er geen lezers meer zijn. Er zijn alleen daders van het kwaad. Wees helder en beknopt, persoonlijk, zodat iedereen weet dat zij, de schrijver en de lezer, het ras, een potje spiering is.

Het tragische noodlot dat ons wacht is dat niemand medelijden kent. Iedereen wordt je vriend. Samen kun je Gods aars likken, want alleen hij weet wat hij doet.

De literatuur is een taalfabriek vol enthousiaste medewerkers en lezers geworden. Schrijvers winnen prijzen over de ruggen van de lezer. Hij wordt rijk door de wereld waar hij in woont af te zeiken. Laat de schoorstenen van de schrijffabriek roken zoals ze de hele geschiedenis hebben geroken. Schrijven maakt vrij.

Niemand hoeft na te denken, te praktiseren. Lezen zul je. 

Nu het zo dicht bij u komt, de schrijver zich als hoofdluis op uw kop heeft genesteld en de jeuk nooit verdwijnt, kunt u trots zijn op uw lezerschap. Duizend boeken zullen als ‘spieringspaghetti’ met het bloed van alle slachtoffers, met gesmolten lichamen van alle oorlogen, u overgieten. U, de seniel, die het nog niet weet, zal ondergekotst worden door uw favoriete schrijver. Hij, de baas van de literatuurfabriek, zal u nooit antwoord geven op uw prangende vragen.

Hij, die nog niet de Nobelprijs voor literatuur heeft gekregen, zal zijn lezersschaapjes hoeden. 

Zolang de schoorstenen blijven roken, is er hoop voor hem. De lezer zal hem een worst wezen, die maakt hij zelf wel.

Niet zo lang geleden heeft hij een prijs gewonnen. Aan die prijs is een bedrag van honderdduizend euro verbonden. Hij moet zeventig procent besteden aan een speciaal project, een project dat anders is dan wat hij tot nu toe op zijn terrein ondernomen heeft. 

Hij moet nog één project ondernemen, dat plan verafschuwt hem. Ik doe een voorstel: een wereldreis maken met de neuropsycholoog, de beroemde literaire wondprikker Michiel Houellebecq en leermeester Marek Hlasko, die hij als brokkenkadaver in zijn rugzak moet dragen. Een molensteen om zijn nek met de inscriptie: ‘U moet elke dag geld verdienen’.

Tot slot: Sommige schrijvers lijken op een menselijke computer, het zijn ‘nullen en enen’ en schrijven honderden boeken. Of zij iets bijdragen tot een menselijke evolutie moet duidelijk zijn: nee!

Een lezer die ooit psychische schade heeft ondervonden bij het lezen van een frambozenboek kan aangifte doen.

Robert Kruzdlo

Cadiaz Spanje 2022 december

*De villa waar de joodse auteur Stefan Zweig die op 23 februari 1942 Petrópolis (Brazilië) zelfmoord pleegde, is in eigendom van een erfgenaam van de Porsche-clan, een medewerker van het nazisme!

Een mens heeft twee hoofden.

Foto Robert Kruzdlo Famillie Jesus Sixto Alva

Ik zat gister op het terras tegenover Las Cuadras te blokken op een korte tekst. Ik doe dat niet vaak want ik ken veel mensen in de stad en die willen, als ze mij zien, altijd een kort gesprekje. De zon scheen en het was T-shirtwarm. Ik werkte aan een tekst De Parakleet. Op het plein verscheen familie Jesus en aanhang.

&

De stad waar ik woon is geen wildernis als het centrum van Amsterdam. Vrouwen worden niet nagefloten en fietsers rijden niet door het rode stoplicht. Hier lopen pubers met een topje, ultra korte broek en een naveltruitje. (Lees hier hoe ultra rechts Nederland met pubers omgaat, over de angst cultuur in de grote stad.) Amsterdammers zouden hier een vakantie moeten komen vieren.

Dit schiet door mijn hoofd en meer…in een flits. Het andere hoofd, dat van mij, mijn hoofd dat nadenkt zoekt naar woorden en zinnen. Een gave. Ik heb twee hoofden, net als iedereen maar niemand maakt er een onderwerp van. Ook in de literatuur is dit onderwerp NIET te vinden. Het sluit niet aan de literatuurwetenschap en taalwetenschap. Jammer dat regels dit verhinderen. Of toch, je komt het tegen, zo nu en dan in deel twee van De Russische romans van Vladimir Nabokov, in het verhaal De gave: ‘Mijn gedachten keren zich naar het andere, het niets.’


Nabokov bedoelt het andere hoofd dat hij nooit zal leren kennen en waar hij uit het niets moet putten om herinneringen op te halen.

&

Gister was ik onder een van mijn schilderijen in slaap gevallen. Mijn zoon had de foto gemaakt. Ik droeg het masker van een valselijke toneelspeler, de lelijke schoonheid van een monster met de trekken van een mens die niets te vertellen heeft.

Schilderij Robert Kruzdlo 3 X 2 meter Wij gevoel van Annie Ernaux (Klik hier.)

Aan het werk. Nog een keer tekst verbeteren en dus…

Moeder zegt met haar vorkige stem: ‘Ga jij eens sneeuwscheppen.’ 

  Ik druk met de achterdeur de sneeuw weg. Op de sneeuw ligt een fondant zilverlaagje ijs. Het hellingbos staat ongelukkig verscholen in een doffe witte mist. IJzel valt ritselend uit de kruinen van de kermende bomen, druppelt van de glazige zwarte twijgen en boort gaatjes in de sneeuw. Mijn bevroren voetstappen van gister cirkelen nog rond de villa. Het enige wat ik kan is kijken zonder woorden. Woorden die komen toch wel. Achter het raam met ijsbloemen, tussen de dampende was zit moeder met haar mimische rug gebogen voor de brandende kachel. Ze heeft een hekel aan haar rug die veel heeft meegemaakt. Die rug komt nooit meer recht. 

  Overgrootmoeder zoekt in haar tasje naar haar bril en zakdoek. In geval de post weer slecht nieuws brengt. Getergd kijkt ze tussen de onderbroeken met veters, naar buiten. Ze kijkt blindzicht. Kijkt naar binnen en stuit op zachte ijsbloemen op haar ziel? Mij ziet ze niet staan. Wat ze ziet kan ik misschien raden. Op de keukentafel ligt een stapeltje post.

  Krakend verdwijnen mijn voetstappen in de sneeuw. Ik wil mij voorover laten vallen. Later zal iemand, een hond misschien, mij vinden maar, ik draai mij om en kijk vol wroeging naar de villa. De villa, behalve de bijkeuken, is leeggehaald en verbeurdverklaard ook kan elk moment moeder uit huis geplaatst worden.

De villa lijkt op een oude foto, korrelig, rafelig en onscherp, die ik nog steeds bewaar.

‘De autoriteiten kunnen mij verder geen pijn meer doen,’ heeft moeder gezegd,

…pijn dat doe ik mezelf wel aan.

  Voor de mannen het huis kwamen leegruimen – wij, overgrootmoeder, oma en ik, hadden onze koffers veilig in de kelder verstopt – heeft moeder, met hulp van het klissende crapuul uit de hoerenbuurt, waardevolle dingen, schilderijen, etsen en de staande klok verpatst. Daarmee heeft ze de rekeningen van de kroeg betaald. Die gedachte doet vrieskou pijn. Onderwijl schep ik sneeuw, een pad van de voordeur naar de straat en schiet ongenodigd deze zin in mij op:

…een vrouw die met haar geslacht betrokken is bij alle dingen van het leven – geboorte en dood – heeft een kerel nodig, een vent om haar recht te halen. Een broger had moeder niet meer. Haar rechten verspeelde ze keer op keer. 

*

Iemand stuurde mij een filmpje van mijn expositie in Bar Bujío.

4 stijlen door één persoon verzonnen.

Robert Kruzdlo 2022 Cadíz

Parakleet

Robert Kruzdlo 1956

De Parakleet.

Ik ga opnieuw de bijkeuken, met vier afgebladderde muren en een zwartgeblakerd plafond, binnen. In de hoeken hangen loom stoffige spinnenwebben. De gootsteen boordevol met vuile vaat. Een dode witte hoen haan ligt op de rand van het aanrecht, met zijn kop naar beneden. Tussen de muren gespannen waslijnen zijn afgeladen met wasgoed. Van de ruiten stroomt condens. Op de rotte vensterbank liggen plassen water die ‘s nachts opvriezen. De zon kan niet binnendringen. In de bijkeuken schemert de dag en er brandt altijd een peertje licht. Een magere vrouw, mijn moeder, zit ineengedoken voor de kachel. Het vuur danst in haar ogen. Moeder staart onzalig, licht voorovergebogen naar de brandende kolenkachel. In haar ene hand een koperen pook en in de andere een peuk. De ellebogen rusten op haar knieën. Op haar witte handen en gezicht flakkeren de schaduwen van het vuur. Haar handen hebben veel doorstaan. Achter haar rijen wasgoed: handdoeken, washandjes, hemden, onderbroeken, badstof maandverbanden, nylonkousen en de trouwjurk. Vanuit de keuken, de enige verwarmde ruimte van de villa, zijn door het met ijsbloemen begroeide raam vaag de besneeuwde tuin en het hellingbos te zien. Zacht als een verbleekte foto. Gister heeft moeder ook niets gezegd. Ze spuugt op de kachel voor ze er kolen in schept.

Om haar schouders heeft moeder een deken geslagen. Ze heeft het altijd koud. Het liefst zit ze op de kachel, zo kouwelijk zijn haar blik en handen. Onafgebroken rookt ze met de hand gerolde sigaretten, die bij het inhaleren fel oplichten. Een paar seconden later verlaat de sigarettenrook tegelijk neus en mond. 

…in een flits, komt uit moeders oren rook.

Moeder wil niet weten hoeveel ik van haar houd. 

‘Liefde moet ergens zijn, maar waar, in het mortuarium?’ heeft ze ooit gezegd. Ze zou in razernij ontsteken als ik toch zal zeggen: ‘Moeder ik houd van u.’ 

Nu weet ik het niet meer. Wat betekent liefde en wat kunnen woorden zoals liefde nog zeggen? Liefde eindigt in pijn en verdriet. Ik kan mij geen moment herinneren dat liefde iets was dat je kunt voelen. Warmte zou ik willen. Maar wat is de wil waard? 

‘Het is hier koud,’ zegt ze steeds, ‘verdorie wat is het hier koud. Ik voorspel jullie, mijn leven zal nog een tijdje duren, met of zonder liefde.’

…moeder is een stofnest.

Ze kamt haar haar niet meer. Het elastiek dat haar haar in een knot bijeen houdt, zit vergroeid. Uit haar afgedragen sloffen steken haar tenen. Met een snedige stem: ‘Wat sta je daar nu weer?’

Ik schrik, moeder in haar zelfkastijdenkooi met onzichtbare tralies, die alles smoort en verteert in stilte heeft iets gevraagd. Ik weet dat ik niet moet antwoorden. Alleen het geroezemoes van de brandende eierkolen is te horen, vuur is haar enige troost. Er is niets te redden dan wat blijft. Het nu. Ik weifel, wat zal ik doen? 

De stilte maakt me gek. Woorden die geen vlees meer worden. Ik durf haar niet aan te raken en het over mijn ziekelijke heimwee te hebben. ‘s Nacht huil ik. 

…wat sta je daar nu? Straks schiet je wortels.

Hitte en kou. Wij beoordelen elkaar onophoudelijk verkeerd. Het bewustzijn, de geest en de taal hebben zich verstopt. Metafysisch hebben de woorden geen enkele nut. Haar schaduw, de schaduw van de was op de met ijsbloemen begroeide ramen gaat boven de metafysica uit. Daarom kijkt moeder geobsedeerd naar de vlammenzee. Haar onsterfelijkheid is dat je van haar geen beeld of afschaduwing kunt maken. 

Mentaal heeft zij zich afgekeerd van de wereld, de werkelijkheid en de feiten. De wereld om haar heen stelt niets voor. Ze is klaar. Vandaag is het mijn laatste dag. Vandaag vertrek ik met overgrootmoeder Pointilleux of Pieter en oma An naar Domburg, Zeeland. Naar een villa aan de voet van de hoogste duin van Nederland. Er zijn ook een bos, tuin en een aparte lagere school voor katholieken en protestanten en niet-gelovigen, heeft oma gezegd. Moeder, die wil blijven.

…sta daar nou niet zo, wil je onkruid.

Op de door de houtworm aangevreten poten van de keukentafel staat op het plastic tafelkleed bezaaid met brandplekken, kratertjes als ogen, een pot zelfgemaakte pruimenjam met schimmel. Er ligt een rond witbrood van twintig cent dat stinkt, een mes met een bakelieten heft steekt in een homp donkergele boter. Een verbrande snee brood op een Verkade theelichthouder. Een gedeukte aluminium koffiepot. Het is negen uur in de ochtend. Ik sta in de deuropening en wacht op een commando. 

Moeder heeft de sigaret tot een stompje gerookt. Als ze bijna haar lippen of vingers verbrandt, opent ze nonchalant, met haar pantoffel, de klep van de kachel en schiet ze met duim en wijsvinger het stompje sigaret tussen de heten kolen. Onmiddellijk rolt ze een nieuwe. Met haar witte tong likt ze vanuit het midden van het vloeitje naar rechts, dan naar links, drukt de plakkant aan en steekt de sigaret met een opgerolde krantensnipper aan. Ze kreunt en hoest nooit.

…godganselijke dag en blijf daar niet zo staan.

Geruisloos loop ik naar het aanrecht vol vuile vaat. Uit de kraan druppelt cijferloos per seconde water. Het maakt dat alles tijdloos is. Een teiltje is tot de rand gevuld met ongeschilde aardappelen vol kiemende scheuten, een pier kruipt over de rand, een lange regenworm. Hij valt kronkelig op de granieten vloer. De paarse kop van de dode witte haan die over de granieten aanrecht hangt, was gister nog rood. Nu zwart en met uitpuilende ogen, hard als steen.

…zijn dode hersencellen weten dat we hem hebben vermoord.

De besmeurde hakbijl ligt naast hem. In een aardappel steekt een mes zonder heft. Op de kachel kookt het water. Straks gaat overgrootmoeder de haan kaalplukken. Ik draai de kraan dicht. Ik wil op de pier gaan staan.

…kijk niet zo, zegt moeder zonder mij aan te kijken.

Moeder kijkt naar het gebroken mica glas waarachter vlammen dansen, in kleuren, rood, geelblauw, oranjezwart en soms paarsrood. Naast de kachel staat een onopgemaakt bed. Een kolenkit met eierkolen uit de staatsmijn Emma. Plotseling draait moeder zich om.

…waar kijk je nu naar, nu ja zeg?

Ik schrik. Ze richt zich eindelijk op. Ik vrees haar, maar gelukkig beweegt ze. Ik kijk naar haar stoffige, uitgedroogde gelaat, dat door de vuurgloed in haar gelaat getrokken is. Ik zeg: ‘De haan bloedt niet meer, er ligt bloed op de vloer.’ 

‘Het moet ergens heen,’ zegt ze en staat op. Eindelijk.

…ga eens opzij wil je.

Overgrootmoeder en grootmoeder komen bonkend van de houten trap. Ze hebben boven alle kamers van de villa geïnspecteerd en keren teleurgesteld terug de bijkeuken in: ‘We hebben niets meer,’ met een zucht, ‘alles hebben die kerels weggehaald, zelfs het slaapkamerzeil hebben ze meegenomen. Moeder graait in haar schortzak.

…een stapel post, zegt moeder en sta daar niet zo, ga sneeuw scheppen.

‘Hoe kom je aan die post?’ vraagt grootmoeder en zet grote ogen op. Ze gaat zitten met haar boezem op de keukentafel.

…wat maakt dat nu uit?

Het hellingbos ligt verscholen in een doffe witte mist. De ijzel die uit de kruinen van de bomen valt, ploft op de sneeuw en boort gaatjes in het tapijt. Op de sneeuw ligt een zilver laagje ijs waarin mijn voetstappen van gister nog te zien zijn. Het enige wat ik kan, is kijken, zonder een woord zien. Door het raam, tussen de was door, kijk ik naar moeder. Haar rug heeft mimiek. Haar rug hoort in een andere ruimte en nu niet hier, bij haar. Ze heeft veel meegemaakt.

Overgrootmoeder zoekt in haar tasje naar haar bril en zakdoek. In het geval dat ze de post moet doornemen en moet huilen. Getergd kijkt ze tussen de onderbroeken met veters naar buiten. Ze kijkt met een blik van een blinde en denkt: gaat hij nu sneeuwscheppen? Ze ziet iets anders dan er is. Misschien alleen de ijsbloemen? Mij ziet ze niet staan.

Krakend verdwijnen mijn schoenen in de verse sneeuw. Dan draai ik mij om en kijk naar de villa. De villa die, behalve de bijkeuken, leeg is gehaald, verbeurd verklaard is en elk moment kan moeder uit huis geplaatst worden. De villa lijkt op een oude foto. Korrelig en rafelig. Wij, overgrootmoeder, oma en ik hebben onze koffers veilig in de kelder verstopt. De autoriteiten kunnen mij verder geen pijn meer doen, heeft moeder gezegd, en dat lucht op.

…pijn dat doe ik mezelf wel aan.

Voor de mannen het huis kwamen leegruimen, heeft moeder met hulp van klissende crapuul uit de Stokstraat, een hoerenbuurt, waardevolle dingen verpatst. Daarmee heeft ze de rekeningen van de kroeg betaald en wat over was in een oude sok onder het aanrecht verstopt. Je zou in het centrum van de stad, de kroeg, in het tweedehandswinkeltje De Traan, antiekwinkel Koperpoets en misschien in cafés naar de spullen kunnen zoeken. Die gedachten doet pijn. Onderwijl schep ik sneeuw, een pad van de voordeur naar de straat. Dat heeft moeder gezegd, nu weet ik het weer.

…een vrouw is met haar geslacht betrokken bij alle dingen van het leven, maar dan heeft ze wel een kerel nodig, een vent om haar recht te halen.

Bezweet slenter ik door het besneeuwde verwilderde. De sneeuw kraakt en knerpt. Ik luister aandachtig naar mijn voetstappen. Vroeger bloeiden de seringen, wit en paars en de kersenbomen, nu staan er alleen zwarte stompjes, die boven de sneeuw uitkomen. De zaadbollen van de uienbloemen op paarsachtige stengels zijn bevroren. De twijgen van de bessenstruiken staan roerloos diepzwart axonaal. De pruimenboom is er ook niet meer. De wortels onder de sneeuw, de zelfdenkende zeefcellen, de zelfdenkende wortels zullen nieuwe zelfdenkende twijgen maken. Er komt geen mens aan te pas. De laatste zomer heb ik met een huisschaar het gras stukje bij beetje geknipt. Blaren op mijn vingers. De geur zal ik nooit vergeten. Sinds moeder raar doet, wil geen kind met mij spelen en als dat toch gebeurde, wist ik in paniek niet wat te doen. Dat heb ik nog steeds. Ik sla alle uitnodigingen af. 

Kan de definitieve verlossing, het einde van deze situatie nu eindelijk beginnen? Immers, in de villa zal er nooit meer een bed voor mij staan. Met een vertrokken mond maak ik krakend een sneeuwbal en gooi die zo hard ik kan tegen de ruit van mijn slaapkamer. In de ruit komen barsten, gooi harder sukkel! De sneeuw plakt aan het gebroken glas, maar de ruiten breken niet. Nog harder. Wie zal de ruit vernieuwen? Een wak komt in de ruit, dan splijt het in stukjes. Mijn leven, stukjes glas die tussen de besneeuwde pioenstruik vallen. Oma’s lievelingsplant. 

‘Waarom, weet ik niet, met moeder gaat het steeds slechter, waarschijnlijk heeft ze nog een kans, als ze de poot van de haan opeet’, heeft grootmoeder gezegd.

De woordloze stilte in de tuin, de villa, het bos, maakt dat de wereld, de werkelijkheid simpel in elkaar zit. Ik voel geen woede, machteloosheid noch haat, nee, eerder opluchting dat het verleden geen recht meer heeft van spreken. Heimwee zit niet in de dingen. Het zit in ruimtes, tussen mijn hersenweefsels en windsels, in het geluid van een uilenroep, tussen de sterren en… Verder kom ik niet.  

Er sneuvelt nog een ruit. Ik hoor gevloek. Ineens is alles anders. Ik zie niemand, schreeuw terug. Van de dakgoot vallen geen mussen van de kou. 

De definitieve heimwee achter mijn ogen zeurt onafgebroken aan mijn kop, liever had ik dat gevoel nooit toegelaten, nu is het te laat. Mijn tranen blijven droog. Ik zal de herinneringen naar elders meenemen en als je het met je meedraagt, gaat het nooit meer weg. In stilte blijft het bij je, diep begraven in je hoofd. Daar gaat het een eigen leven lijden. Ik moet denken aan de kop van de witte haan. 

Als het stil is, zoals nu, is de tijd er niet. In de villa mag geen klok de tijd aangeven, had moeder gezegd. Overgrootmoeder heeft haar wekker verstopt. Oma heeft gelukkig haar Swiss reiswekkertje nog. Tik, tak, tik komt vaak ongevraagd in mijn hoofd terug. De wereld bestaat niet uit dingen, hij bestaat uit zelfdenkende hersencellen.

…ben je NU al terug?

Met tintelende vingers klop ik de sneeuw van mijn broekspijpen. Mijn vingers doen pijn. Schoenen heb ik in de gang achtergelaten en nu sta ik op mijn sokken te verkleumen met mijn schouder tegen de deurpost van de bijkeuken. Hoe moeder de ruimte inneemt, is verstikkend. Ik kan niet in dezelfde ruimte erbij. Toch is er genoeg ruimte voor een olifant, haar lievelingsdier. In deze verstikkende vochtige ruimte heeft iedereen net genoeg ruimte om te ademen. Zelfs dan nog weet ik de weg niet. Op het aanrecht ligt nog steeds de bijl, besmeurd met zwart hanenbloed. De bijl rust uit, denk ik. Op de brandende kachel staat een pan water waarin de geplukte haan drijft. Altijd staat er een pan met borrelend water op de brandende kachel. Zo wordt de was nooit droog. Onder mijn voeten ligt een plas.

…heb je nu de sneeuw bij de voordeur weggeschopt?

Ik knik. Ze denkt dat ik lieg. Moeder weet dat wat zij denkt, dat ik dat denk. Ik denk, wat zij denkt dat ik denk. Als ik iets heel anders denk, denkt zij het ook te weten, dat ik weet dat zij dat weet. Dit leidt ertoe, zo las ik later, dat we zo verstrikt raken in deze situatie waaruit je bijna onmogelijk lijkt te kunnen ontsnappen aan de regels die wij hebben gemaakt en dat is wat ik wil begrijpen. Ik doe mijn jas uit en hang die aan de deurpost. Mijn sokken ruiken naar frisse modder.    

…de bomen, het bos, die moeten ook afscheid nemen van ons, vraag niet hoe, dat weten alleen de bomen, die weten alles.

Ze haalt diep adem en begint te hoesten. Ik ga geruisloos zitten, de geur van de bouillon zit in mijn buik te roeren, terwijl dat helemaal niet kan.

De pier kronkelt onder de kachel. Overgrootmoeder heeft de veren in een papieren zak gedaan, maakt het bebloede mes schoon en kijkt mij aan zonder dat ze mij ziet. Ik schrik en zwaai met mijn hand. Ze schrikt. Op haar voorhoofd parelt zweet. Wat vraagt zij zich af? De pier kronkelt om moeders vinger. Ze legt het met een glimlach op de kachel. Ik knik en bijt op mijn tong. Overgrootmoeder laat pruttelend scheten. In haar onderbroekspijpen verzamelen zich de drollen. Ze loopt vloekend naar het toilet. De pier sist.

…de nachten zijn helder genoeg, de zon hoeft niet meer op te gaan.

‘De zon,’ zegt grootmoeder, ‘is een wereld in brand.’

Ik hoor de wind in de kachel meerstemmig rochelen. Moeder opent het deurtje van de kachel en stookt het vuurtje op. De vuurtongen schieten naar buiten. Verduisterd vlamlicht

…er komt een moment dat de wereld niet meer bestaat.

Ze loert tussen haar oogharen naar mij. 

…ga jij nu eens ergens anders zitten alsjeblief, wil je.

Op een stoel voor het raam probeer ik naar buiten te kijken. Ik blaas tegen de ruit en krab met mijn duimnagel de blaadjes van de ijsbloemen weg. Tussen de zwarte boomstammen dwaal ik af. Elke opening tussen de bomen ken ik. Het licht kraakt. Een windje is komen aanwaaien. Poedersneeuw stuift tegen het raam. Sneeuw dwarrelt hier en daar van de bomen. De kruinen trillen, barsten in de granieten lucht. Met een korrelig zonnetje op het innerlijk behang vraag ik mij af: hoe vaak zat ik hier?  

Boomwortels. Wortels die de kelder zijn binnen gegroeid. Boomwortels die onder de aarde verbonden zijn. Alle bomen van het bos hebben contact met elkaar, mensen niet. Mensen verplaatsten alleen lucht. In de omgeving van de villa hebben alle bomen van het hellingbos, dat in Limburg staat, Nederland, Europa, over de hele wereld contact met elkaar en berichten elkaar over elk ongeval, rottende, vermolmde, stervende en de dode bomen. Droom ik? Natuurlijk droom ik, ook ik mag een woordje meespreken. De wortelberichten zijn alleen binnen in de boom te horen en als je hoog in de kruin van de boom klimt en je laat vallen, hoort de boom de val. Ik droomde eens in de kruin van een boom dat ik in de lucht kon fietsen of wilde ik toen dood? Ik ben toen uit de boom gevallen. Lees het volgende verhaal maar eens.  

Boomwortels groeien door mergelsteen keldermuren. Eerst onzichtbaar komen ze cel voor cel, millimeter na millimeter, de vochtige kelderruimtes binnen. Als het regent, voeren de wortels cel voor cel een riviertje hemelwater de kelder binnen. De mens is ook van cellen gemaakt. Die cellen weten precies wat ze moeten doen. Je hoort ze niet denken, toch doen ze wat ze moeten doen. Ze bouwen ons op als levende wezens met een geest. Dat weet elke boom in ons hoofd.

…blijf met je vingers van de knoppen van de radio.

De bomen in het bos huilen niet, alleen als de sneeuw smelt of de wind huilt door de takken. Onze ogen kunnen verteren en smelten, huilen doen ze niet. Er is iets anders dat huilt. Of toch, maar dit komt pas later, nu niet. Als moeder mij recht in de ogen kijkt, smelt ik. Ik los op. Ben er niet. 

Onderwijl heeft overgrootmoeder de haan in stukjes gesneden en terug in de pan gedaan. Oma was ik vergeten, die maakt de ingewanden schoon. 

‘Kom snij jij de uien eens,’ zegt oma. Ik moet huilen omdat ik de uien moet snijden. Onderwijl het snijden huil ik ook echt. Ik smelt. Oma zegt dat dat door de uien komt.

…ik heb geen honger.

Moeder beweegt heen en weer op haar stoel. 

Als…, moeder beweegt, ze komt nauwelijks van haar plaats. Ze rilt. Als ze nu opstaat, zal iedereen schrikken.

De klok boven de deur van de wasruimte heeft een witte plek achtergelaten. De wijzers zijn onzichtbaar achtergebleven. De wijzers van de klok draaien langzaam naar boven en dan weer naar beneden, Sisyphus arbeid. Er zijn hooguit een paar uur opgegaan op de plek waar de klok heeft gehangen, een eeuwigheid. De eeuwigheid duurt nu langer, hoelang nog weet ik niet. Dat komt omdat nu alles in de breedte gaat. Onbeweeglijk staat beweeglijk de tijd weg te tikken. Overgrootmoeder gelooft in het Hiernamaals. Oma in de eeuwige wederkeer. Met alles drop en draan. Ik geloof alleen in het nu. Dus…

…wanneer vertrekken jullie? vraagt moeder stram aan overgrootmoeder.

Overgrootmoeder en grootmoeder zeggen tegelijk dat ze nog niet willen vertrekken. Toch moet het nu eenmaal. Eenmaal is bijna onverstaanbaar ‘Einmahl’, mompelt moeder. Na een lange stilte, terwijl ze naar haar handen kijkt.

…kom, jullie moeten toch maar eens gaan.

De soep staat op de kachel te pruttelen. De bouillondruppels spatten uit de pan en rollen sissend over de hete plaat van de kachel. Moeders omfloerste stem:

…wanneer vertrekken jullie verdorie nu?

Het was misschien haar stem, maar lang niet meer dan een aflatende zucht. Ze zucht woorden, al hoor je ze nauwelijks. Wij horen de woorden, kuch en zucht en daarbij rookt ze als een schoorsteen. Als ze slikt, heeft ze een adamsappel.

…laat mij maar in rook opgaan.

Iedere keer als ik dromerig naar de lege plek, waar de klok heeft gehangen, kijk en luister naar het druppelen van de kraan, die elke seconde aangeeft, wordt het kijken steeds dromeriger, waardoor de werkelijkheid steeds verder vervaagt. De ingewanden van de haan komen boven drijven. De vrouwen. Overgrootmoeder haalt de vochtige was van de lijn. Grootmoeder veegt de vloer. Moeder stookt de kachel op. Een wervelwind van stof en geuren verbindt ons en ook weer niet.

…haal jij eens een kit eierkolen uit de kelder.

Ik had het niet gehoord, ik droomde het en dus reageerde ik niet. 

…jij luistert niet.

Moeder kijkt mij met grote ogen aan. Haar lippen zijn gespannen, strak en opgerekt. Van haar wijd opengesperde ogen weerkaatst een vreemd licht, leeg en kristalhelder boos. In de pupillen zitten barstjes, scheurtjes. Haar woede is een uitbarsting van oud zeer, dat weet ze, maar ze kan er niets tegen doen. Ik ben hét. Ik, de dromer die langzaam verdwijnt, verdwijnen zal, moet. Op zulke momenten lukt het haar een lava van oud zeer, gloeiende modder, als een vulkaan, over mij te spugen. Misschien heeft ze het gezien, ik krimp ineen. Alles doet ze met een blik.

…jullie luisteren niet.

Ik laat moeder nu even spreken: Tussen de rookflarden kijk ik naar Ans’ treurig gezicht en haar haarknot. Snik. Grijs, alles bij haar is grijs. Overgrootmoeder kijkt naar de keukenvloer, haalt de bezem en begint de keukenvloer te vegen. Stof dwarrelt op. Ze heeft eerst het hanenbloed van de keukenvloer verwijderd. Ze zucht, zet de bezem in de hoek, veegt het hoopje stof op en loopt de gang op. Ik hoor de gangdeur, die met een knal opengaat. Vastgevroren. Ze klopt het blik uit. Ze komt terug en samen met overgrootmoeder lopen ze de gang op omdat zij mij geen blik gunnen. Zoonlief volgt. Je kunt van hen op dit moment geen greintje liefde verwachten. Wat anders dan? Geld is er niet. Ze denken dat ik dood wil. Natuurlijk ga ik liever dood dan dat ik dit allemaal nog langer moet meemaken. Die nuduurt mij té lang. Met die smoelwerken om mij heen, afhangende mondhoeken, driftige ogen, zo flets als spoelwater, daar heb ik geen zin in. Ze gunnen me het vuur, de slagader, de aorta van het leven niet. Luisteren, dat doen die vrouwen… toch niet. Zoonlief, hoort alles. 

Mijn dromen hebben heel veel geld gekost en we zijn nu blut. Kijk toch, die An, ze heeft mij altijd geholpen, toch ging het iedere keer weer mis. 

…gaan jullie even op de trap uitrusten, zeg ik opgewekt, de mensen van de gemeente komen mij zo halen.

Ik zeg het niet hardop: Fallilp, jongen, het heeft geen zin om daar als een gespannen boog in de deurpost te blijven hangen. Waarom toch? Mijn tijd komt heus wel, wees maar niet bang mensen. De geschiedenis van mij is niet te beschrijven, door te vertellen vertel je niets. Wie kan nu in mijn brein kijken? Alleen ik kan dingen zien in mijn brein, zonder ogen. Wacht, luister:

Ik wil hier niet langer blijven, zegt grootmoeder tegen overgrootmoeder, laten we nu gaan.

…jullie kunnen voor mij de hort op en neem de pan bouillon maar mee.

 Ik sta weer in de deuropening. Uit de kookpan met de kip komt aangebrande ranzige bouillonlucht. Afscheid is niet mogelijk. Weggaan wel. Nu moeder weet dat iedereen weg wil. In een beweging kan ik moeder tegen de kachel drukken. Haar hoofd op de kachel duwen en tegen oma roepen: Alice, moeder is voorovergevallen. Overgrootmoeder en oma staan, met hun koffers, in de hal te wachten. Ze geloven het wel.

‘Wat ruikt het hier ineens naar verbrand varkenshaar,’ roept oma amechtig vanuit de hal. Een kreet van bevrijding is te horen. De bomen weten er alles van. De schaduw van het hellingbos licht op. Het wordt verschrikkelijk stil. Tot oma haar koffer optilt. Ze mompelt: ‘Wat zal ze blij zijn als we opgehoepeld zijn.’

Ze is eindelijk in de hel, lieg ik, en loop naar de hal. 

An, dik ingepakt, stapt richting de keuken en staat stil op de drempel. Ze kijkt onthutst naar de omgevallen aangebrande hanensoeppan. Ze doet haar ogen dicht en perst tussen haar gesloten ogen zwarte tranen. Overgrootmoeder staat achter haar en heeft in haar broek geplast. Haar gelaat heeft de kleur van witlof. Ze moet het warm hebben. Ze zegt: ‘Het is al verleden, over, wat kunnen we doen?’ 

De bomen in het bos weten het allang: dat. Ik heb haar nog nooit zo gelukkig gezien. Ze slaapt. Ik had gelijk, uit haar oren komt rook.

Ik heb altijd tegen moeder gezegd, ik help u niet. ‘Blijf maar in de buurt’, had ze gezegd, had ze weken geleden al gezegd. ‘Dan kun je het aan iedereen vertellen.’

Een onzichtbare hand zal het werk doen.  

Overgrootmoeder en oma staan als twee kleine kinderen in de hal te snikken. De houten vloer kraakt onder hun voeten. De geuren, via de keuken, naar de kelder, via de wortelgaten in de keldermuur naar het bos, van het hellingbos naar provinciale domeinen, Europese natuurparken, werelddomeinen en naar alle werelddelen van Noord- tot de Zuidpool vertellen het verhaal. Moeder haar blik, houtskool verkleurde ogen, zwart, handpalmen paars, bewoog ze? Wil zij mij aanraken. Dat is niet beloofd, toch?  Alle bomen in het bos weten ervan, tot aan de andere kant van de oceaan.

Dat vinden overgrootmoeder en oma ook, want die hebben dit allemaal min of meer voorspelt, ze kan me wat! Vreemd dat mensen tegelijk aan hetzelfde kunnen denken en niets ondernemen. Nee, ik doe het niet, zeg ik tegen mijzelf op de gang. Zoals beloofd − ik kijk naar de twee vrouwen − ik ben in haar buurt gebleven. Punt. Niemand heeft de geschiedenis een andere wending willen gegeven. Daarom zijn we hier. We gaan ervoor, heeft moeder gedacht. De lucht in de gang is kil en smerig. Ik ril. Hard trek ik de keukendeur achter mij dicht. Wij schuifelen met onze koffers uit de vestibule, via het bordes de trappen af, de straat op. De sneeuw blijft gevaarlijk aan onze schoenen vastzitten, de lucht is fris. In de verte ploegt een auto door de sneeuw en komt onze kant op.

Niets vermoedend zegt de chauffeur, die in de auto blijft zitten: ‘Ben ik op tijd?’

Tot onze enkels staan we in de sneeuw. ‘Alice, we gaan’, zegt oma en kijkt naar het bordes. 

‘Nu kan alles nog meer stuk’, zeg ik hardop. Niemand luistert. 

Ik weet niet of die zin klopt. Toch heb ik me uitgedrukt als een dwaas die de waarheid kent. Achter de villa stijgt zwarte rook op. Ik ren naar boven en trek de voordeur hard dicht. 

‘We hebben de open haard geblust,’ zegt oma tegen de chauffeur en stapt met tegenzin in de auto.

De chauffeur opent de achterklep en doet de koffers in de achterbak. 

Even is het zo stil, waardoor er niets gebeurt. Kan gebeuren. We kijken elkaar aan. Overgrootmoeder zegt dat ze ijskoude billen heeft. Ik ruik niets.

We zien het nu, we kijken ernaar, als naar een film. Wat we moeten doen? Vertrekken.

‘U weet waar u heen moet?’ zegt An. 

Ik verzin de antwoorden op de vragen die niemand mij stelt. Moeder is door het vuur gegaan, moeder werd langzaam as. Of moet ik zeggen, vooral met minder bijvoeglijke naamwoorden, die het erger maken dan het al is, dat de geluiden van de kachel anders waren. De vuurhitte brulde, vuurtonen als tonen uit orgelpijpen, een requiem. De stank, hoe leg ik de stank uit? En dan moeder, hoe vertel ik ooit iemand hoe u veranderde en verkleurde, als een houtskooltekening. Over haar gezicht trok het vuur, uit haar gelaat haar ogen en uit haar oren kwam rook, denk ik op de achterbank. En haar zenuwen komen tot bedaren, zwart als verbrand papier stijgt moeder op naar de hemel. Water. Moeder haatte water. Niemand zal mij geloven. Bomen houden van water, niet van vuur.

Het is wel iets anders dan je jaszakken volstouwen met stenen en de rivier inlopen. Gas, een oven hadden we niet.

Als de auto slingerend wegrijdt, kijkt niemand om. In de zijspiegel zie ik de villa kleiner worden, tot een punt en dat was het dan. Iedereen weet wat het einde betekent van een verhaal, net bij een film, Fine, het doek wordt sneeuwwit.

We zijn − als de wortels van de bomen − op weg naar ons nieuwe huis in Domburg Zeeland. Een villa in de duinen. Mijn brein heeft geen enkel belang bij de herinneringen. De herinneringen vechten het zelf maar uit. Wie ben ik om daar iets aan te veranderen. De natuur overleeft alles. Hoe wreed iets ook is. Tot de laatste boom, op aarde. Zo is de natuur, water, aarde, lucht, vuur. De zon. 

Ik zal altijd volhouden dat het de vrije wil van het noodlot was.

Het is vreemd dat wij het kleinste van een atoom en tegelijk het einde van de oneindigheid niet kunnen zien. Oneindigheid heeft geen einde? Het kleinste van het kleinste is misschien het niets, dat wij nooit zullen zien. Precies tussen het kleinste en het grootste in staan wij. Dit heeft moeder gezegd: ‘Omdat wij niet alles weten, weten we niets.’ 

Niet alles kan precies gezegd worden. Een klein deel misschien.

.

Hoofdstuk uit het korte verhaal De Parakleet uit de bundel Sneeuwpoeierke.

Robert Kruzdlo New Jersey USA 2022