Twee reacties van schrijvers.

Op het ‘gekkigheidsterras’ met een cava kurk op Julio Josephe Casias neus.

Parakleet

Parakleet is een kortverhaal dat ik schreef voor een schrijfwedstrijd. Hier twee reacties van anonieme beroepsschrijvers. Ik blij? Nee. Ik won er niets mee. En dus hopperdehop ik moet verder. De dag was verder goed en ik had nog veel te vieren. De dag, het uur, NU! Champagne op het terras, lekker zonnetje en een leuke ober Julio.

De Parakleet. – “Ongrijpbaar, tussen de regels door gruwelijk, mooi geschreven met een enkel typefoutje is dit heerlijk om te lezen. De schrijver heeft slechts enkele zinnen nodig om de lezer in zijn wereld te trekken. Nergens wordt duidelijk wat er precies speelt, waardoor de lezer geprikkeld wordt. Een prachtige inzending.”

De Parakleet – “Ik heb genoten van het verhaal. Ik werd meegenomen naar de leeggehaalde villa en voelde bijna de kou op mijn huid. De laatste alinea was interessant, vooral de zin: omdat wij niet alles weten, weten we niets. Dat is een uitspraak om over na te gaan denken.”

Lees hier het korte verhaal Parakleet van Robert Kruzdlo:

Parakleet

Robert Kruzdlo november 2022 Jerez de la Frontera.

Renate Rubinstein was een taalmepper

Herinneringen ophalen over Renate Rubinstein. Links mevrouw V. Eiram die dom gevonden werd door taalmepper Renate Rubinstein.

Mijn moeder was een taalmepper.

Ze kon iemand, het liefst een vrouw, in de zeik nemen. Vrouwen deugden niet, mannen wel. Het was haar strijdmateriaal om aardig gevonden te worden bij mannen. Mannen die een knieval voor haar maakten als zij, met haar doordringende waterige ogen, donkere stem en flirtboezem het zwakke geslacht – ja de man – kon inpalmen. Mijn moeder was een nymfomane. Dit etiket werd haar geschonken door de natuur. Biologisch en vooral niet psychologisch! Voor sommigen was zij een viespeuk. Een allergie voor valse emoties als het moest. De natuur wikt en weegt op haar manier. Mijn moeder was een ijktoon voor muziekanten. De fluit. Ze had het vaak over een fluit. Ze had nooit rust. Nooit heeft ze geweten wie haar vader was. Ze was permanent recalcitrant en afhankelijk van mannen. Ze wilde dompteur worden en haalde haar diploma in 195.. Dierenpark Valkenburg Klant’s zoo.

Ik weet niet beter dat toen ik 6 jaar was zij, …zij mijn moeder meer dan 6 vriendschappen achter de rug had. Gezellig was het in huis: clowns, cowboys, trappisten circus artiesten, leeuwen- en berentemmers en ga zo maar door. (Directeuren, afdelingshoofden, militairen, leraren en andere vergelijkbare diensten.) Ik zag het allemaal met kinderogen aan. Nu nog steeds. Mijn herinneringen zijn helder.

Ze had ook zware depressies. Drank hielp haar er overheen of soms er onder. Door haar geflirt kan ze haar somberheid verbergen. Soms was ze bij het gênante af vrolijk. Zelfs als ik erbij was. Ze had geen vader maar loods aan vrienden. Haar overlevingsstand. Ik heb haar soms in grote woede zien ontsteken. Dan gooide ze alle spullen van een geliefde uit het raam en zwaaide met de kachelpook. Mijn moeder was een sterke vrouw. De natuur deed haar werk. Een lastpak voor haar moeder en grootmoeder die ze op een intelligente manier financieel kon leegplukken. Alle drie konden ze niet zonder elkaar: trois fous.

Mijn moeder had twee hoofden in haar kop. 1 biologische en 2 hoe gebruik je het. Doordat ze voortdurend verliefd was en slapeloze nachten had is er in de buurt veel gestookt. Ze is een hoer voor de een en een vriend voor de ander. Nieuwe liefde maakt haar sterk, haar zelfvertrouwen groeit en ze poetst het huis. De schrijver Carmiggelt schreef mij een brief dat vrouwen in de keuken thuishoren. (1978) Hoe kom ik hier ineens op? Laat maar…

Mijn moeders humeur was voor mij geen mietje. Het liefst stuurde zij mijn naar een klooster. Niets bleef onder de rader bij ons thuis. Zelfs liep er een periode een aap door het huis. Ik werd er mee vergeleken en waarom ook niet? De aapmens, vuurmaker, spelend met werktuigen, is immers een man.

Mijn moeder kon liegen, verdwalen, fantaseren en was een heks. (De heks, lees Uphoff hierover.) Ze had complexe leugens die zij niet fabriceerde maar haar biologisch afkomst. Hoofd 1. Zo vond ze altijd haar levenslust.

Mijn moeder had een allergie voor valse emoties en zocht haar hele leven de ware emotie. Die heeft ze nooit gevonden. Zo is de natuur nu eenmaal. Ze kon zich er niet bij neerleggen en werd gek.

Je kan op mijn moeder psychologische etiketten plakken – die zijn erger dan het biologische etiket – je zult nooit dichter bij haar gekomen zijn.

Ik denk nu ineens aan Renate Rubinstein. Mijn moeder en Renate waren elkaars spiegelbeeld.

Ik belde Charlotte Goulmy. Over Renate koos Charlotte voor een psychologische label, ik voor een biologisch label. Het is maar hoe je bent opgevoed.

.

Robert Kruzdlo Amsterdam 2022 november.

.

Lees een essay in TEEF van Nicolai Jerez die mij volgt: https://www.tijdschriftteef.com/essays/de-kunstenaar-schrijver-moet-moed-krijgen-om-zijn-nieuwe-wereld-te-leren-kennen

De ziel in een doos: De Nazi kogel.

Robert Kruzdlo 1959

Het was 1959, een hete zomerse dag en ik was kindongelukkig. Het was een extreem droge zomer, de druk op de waterleiding was laag. Het teer droop van de strandhuisjes en op het duinzand kon je een ei bakken. De koeien werden mager en stonden in het duinbos bijeen. De bomen hadden vreemde vormen doordat de takken door de bezetters rücksichtslos waren afgezaagd. De wind deed de rest. Eén boom was wereldberoemd, de Mondriaan boom. Een zinderende juli zomer, 39 graden en er was nog geen druppel hemelwater gevallen. In het dorp was nog een put die water gaf en waaruit met een emmer aan een ketting water omhoog werd gehesen. De lucht boven de kerk leek rood van het hete duinzand. Ik was nog nooit zo bruin geweest. 

Mondriaan boom Domburg Zeeland

Na schooltijd rende ik direct naar zee om te zwemmen of door de duinen te slenteren. Meestal alleen. Liever alleen om te dromen over de prairie. Met mijn gerafelde schooltas waarin een kwart liter melk en een boterham zaten. Niet altijd want soms was er thuis een groot geldgebrek. Eerst raakte de suiker op, toen de koffie, boter en dan werd er gepoft bij de bakker. Als er geen alcohol was, begonnen ze – moeder, grootmoeder en vader met de deuren te slaan. Het leven begon iedereen te vervelen als in een roman. Vader schreeuwde: ‘In Java daar hebben ze honger, lees Multatuli.’  

De lucht kleurde rood van de hitte.

In de schooltas had ik een kleine handdoek en een boek Arendsoog. Ik droeg een cowboyhoed en keek met halfgesloten ogen uit over de duinen, landinwaarts, op zoek naar het gevaar, gewapende mannen die je wilden beroven. Het gekke was dat, als ik fantaseerde, ik er niet bij denken moest. Deed ik dit wel, dan spatte mijn droom uit elkaar. Dan fantaseerde ik opnieuw in de hoop dat de droom terug zou keren. Ik denk nu dat ik daar als enkeling verstopt in een duinpan mijn gelukkigste jeugd had.

Op een dag lag ik in een duinpan, in de schaduw van een bloeiende ‘rosa rugosa’ en speelde met het zand dat ik tussen mijn vingers liet weglopen. Plotseling stootte ik op iets hards dat onder het zand verstopt lag. Ik groef het uit. Het was een zilver pakketje waaruit scherpe koperen punten staken. Ik opende het en een reeks kogels, groter dan mijn middelvinger, die met elkaar verbonden waren door een slede, vielen op het zand. Ik groef verder en diepte een houten kist vol kogels op. Ik schrok, keek om mij heen en bedekte alles weer met zand en in mijn schooltas verstopte ik een kogel.

Ik wist dat, als je oorlogstuig vond, je dit meteen aan de veldwachter moest doorgeven. Er lag in de duinen meer munitie uit de tweede wereldoorlog. Maar de kogel wilde ik zelf houden. Een kogel, misschien voor een pistool, uit een cowboypistool?

Onderweg kwam ik dikke Tromp tegen aan wie ik mijn vondst vertelde. Ik toonde hem de kogel als bewijs. Tromp was een domme jongen, die moeilijk mee kon op school. Ik hielp hem met opdrachten en soms slopen we, in de winter, vakantiehuizen binnen. Dat was gemakkelijk. De wind stuwde zoveel duinzand tegen de lage huisjes dat je gemakkelijk op het dak kon stappen en via het dakraam naar binnen kon glippen. We aten alles wat eetbaar was op en zelfs nam ik het mee naar huis. Nee, er werden geen vragen gesteld. Ik hoor u denken.

We verscholen ons onder de Hooge Hill tussen de rozenbottelstruiken en dikke Tromp bestudeerde de huls, de onderkant en maakte een vuurtje. Hij had altijd lucifers bij zich. Altijd moest hij een vuurtje maken op het strand. Toen het vuurtje knetterde legde hij de kogel in het midden en blies het vuur aan. We wachtten af wat er zou gebeuren. Er gebeurde niets. Teleurgesteld namen we afscheid.

Dikke Tromp was een paar meter van mij verwijderd, ik was gebleven om het vuur met zand te bedekken en op dat moment zag ik dikke Tromp wegrennen. Tegelijk kwam er een meisje, staand op haar trappers mijn kant op fietsen. Een meisje met een hoofddoek. Het was Melita Muller, een Duits meisje. Het gezin Muller waren de eerste badgasten uit Duitsland die zich na de tweede wereldoorlog mochten vestigen in Domburg. Vader viste elke dag. Hij ving veel platvissen en schepte garnalen. Moeder stond een eindje verderop van de paalhoofden mosselen te plukken terwijl wij kennis maakten. De dorpsbewoners hadden er moeite mee. Ze vermeden het gezin. In de kleine dorpskerk waren ze niet welkom. 

Een paar dagen geleden had ik de familie op het strand ontmoet. We waren de enige. Melita was meteen naar mij toe gelopen en gaf een slap handje. Ze was een paar jaar ouder. We gingen wandelen in de duinen en zeiden niets. Ik voelde een hoop en het verwarde mij als ik eraan dacht om haar te vragen, bang dat zij meer zou vragen dan alleen mijn naam. Vanaf die dag ginegn we zwijgend met elkaar om en zo af en toe verborgen wij ons tussen het helmgras.

Ik was meteen verliefd op Melita. In nog minder dan een seconden en nu naderde zij…, kastanjebruin met stevige tred op haar trappers. Ze zwaaide. Ik was van plan haar het verhaal van de kogels te vertellen. Vreemd niet? Ineens dorst ik iets te zeggen. 

Dus zwaaide ik terug en zij riep: Hé cowboy. Ze slingerde haar fiets tussen de rozenbottelstruiken. Ze moest lachen om mijn cowboyhoed. 

‘Ik ruik vuur.’

Toen een harde knal.

Mijn oren piepten en mijn linker slipper werd nat. Uit mijn linker scheenbeen vloeide bloed. Ik schrok heftig, mijn hart deed me kokhalzen. Ik keek op van mijn been en zag een eindje verderop Melita met haar fiets op het zandpad liggen. Het eerste wat ik dacht was weg hier. Ik rende huilend naar huis, in paniek riep ik dat ik gevallen was en gelukkig stond de buurvrouw in de gang die… 

‘Wat heb jij?’ vroeg ze terwijl ze naar de bloedende open wond keek.

‘Ik ben op de stoeprand gevallen’, zei ik zonder te horen wat de buurvrouw in paniek terug kakelde.

Ze begon krielkippig te huilen.

‘Kom naar de keuken, hier ga zitten.’

Ze depte de wond en hield de twee stukjes wondvlees bijeen. Wat nu? 

‘Het was een grote snijwond en er is een stukje bod uit je scheenbeen.’ 

Zij bleef maar huilen. Ik leek wel van ijs, ik begon te rillen en het gepiep in mijn oren bleef.

De bloeding was moeilijk te stelpen. De buurvrouw was daarom naar de dokterspraktijk gerend maar die was niet thuis.  Na een tijdje kon ik gelukkig beter horen maar het gepiep in mijn oren bleef. 

‘Er is iets vreselijks gebeurd, had ze mij bij haar terugkomst verteld. 

‘Ik geloof je niet’, zei ze steeds, ‘er is iets vreselijks gebeurt,’ zei ze weer. 

Ze plakte met leukoplast zo goed als dat ging de wond bijeen.

‘Je vader heeft geen geld voor de dokter, je moet het hier even mee doen.’

‘Wat voor vreselijk is er gebeurd?’ vroeg ik.

Ze antwoorden niet. Zonder dat ik het wilde moest ik denken aan Melita, haar blauwe jurk met een rode vlek op haar borst. 

‘Ze hebben een meisje dood aangetroffen,’ zei de buurvrouw, ‘en je vader en moeder zijn naar de stad. Ik moest op je wachten.’ 

Ze liep naar het keukenfornuis om theewater op te zetten.

‘Mensen en een schelpkar stonden voor de deur van de dokter, die ergens in een ander dorp moest zijn. Op de schelpkar lag een meisje. Haar lichaam was doorboord door een kogel uit een Duits geweer.’ 

Toen begon zij weer te huilen.

‘Die rot oorlog ook.’

Voor het eerst keek ze mij aan en gaf mij een kus.

‘Die rotmoffen, de oorlog net voorbij en dan…’

Verder kwam ze niet. Ze zeeg ineen op de stoel met haar hoofd in haar handen en schort verborgen.

Naderhand vertrouwde ik geen mens het verhaal van de kogel toe…, ook geen enkele behandelende schoolpsycholoog of psychiater, die ik in mijn leven tegengekomen ben.

Melita was mijn grote schoolliefde. De vrouwen, die ik daarna ontmoette, waren vriendinnen en ik heb nooit meer die waanzinnige transcendente liefde gevoeld als met de zwijgende Melita. Binnen een seconde wist ik dat zij het was. HET. 

Zij was het die de eerste keer mijn piemel vast had gepakt waardoor er een verrukkelijk gevoel door mijn lijf stroomde. Dat gevoel is nooit meer teruggekeerd. Werktuiglijk misschien. 

Ik hield dus mijn mond. En, wat het ergste is, ik heb het nu opgeschreven. Als je iets opschrijft, begraaf je het met papier en inkt. Het ligt in een aardedoos. De doos opgeborgen in de kelder, de dood en nog zie ik haar gezichtje, hoofddoek, een glimlach, alsof zij zich wilde verontschuldigen: sorry ik ben gevallen. Gevallen door een Duitse kogel. Er zullen dorpsbewoners zijn geweest die heimelijk gezegd hebben: ‘Gods straf.’

Dagen later hebben ze Gòròg met zijn ronde ziekenfondsbrilletje en plastic neus, gearresteerd. De kogel kwam overeen met het Duitse geweer, dat hij bezat en verstopt had in de bunker, waarin hij door de woningnood woonde. Gòròg had een spraakgebrek en was niet bepaald geliefd bij de dorpsbewoners. Er viel met hem niet te praten. 

‘De kogel heeft het geweer verlaten op een van zijn strooptochten’, had de rechter gezegd. 

Voorgelezen uit de krant door moeder.

Ergens in een doos heb ik nog veel meer verhalen over die tijd.

Gòròg is al jaren dood. Hij had jammer genoeg geen familie, anders had ik ooit de moeite genomen mijn verhaal aan hen te vertellen. Begraven achter de muur van het kerkhof, waar ook dieven en moordenaars liggen.

De vader en moeder van Melita kwamen nog elk jaar en legden bloemen neer waar ze haar gevonden hadden, naast een klein bosje geplukte klaprozen. Iemand had er een klein briefje bij gedaan: 

Du, du liegst mir im Herzen
du, du liegst mir im Sinn.
Du, du machst mir viel Schmerzen,
weißt nicht wie gut ich dir bin.
Ja, ja, ja, ja, weißt nicht wie gut ich dir bin

Robert Kruzdlo Korte verhalen 2022.

O, o, San Miquel Jerez de la Frontera Spanje.

Voltallig bestuur Culturele week San Miquel, geheel rechts Robert Kruzdlo 2022

Een vriendelijke man kwam naar mij toegelopen en begon in het Andalu, een taaltje uit Andalusië Spanje en vooral gesproken in Jerez de la Frontera, een heel verhaal en eindigde met een vraagje: ‘U kunt zo mooi tekenen, wilt u voor ons tekeningen maken.’

‘Ons?’

‘Ja, voor de culturele week van San Miguel.’

‘O, voor de wijk San Miguel, ja natuurlijk en wat wilt u dat ik teken.’

‘Flamenco, flamenco dat kunt u zo goed.’

Weken later viel er een uitnodiging in de WhatsApp-bus. Ping.

Nu hoef ik niets te tekenen, ik had al meer dan honderd tekeningen van flamenco thema’s getekend en dus moest ik de man die Manuel heet en de organisatie AV Cruz Vieja de Barrio de San Miguel iets apart tonen. Mijn deelname zou getoond worden in een oud paleis en dat prikkelde mij om iets anders te doen met de tekeningen dan ik normaal gewend ben. Hierover later meer.

Gister 22 september 2022. Tijdens de presentatieceremonie in een oeroude Bodega Faustino González waar ik met genodigden sherry van meer dan tien jaar oud dronk, bezweet oude kaas at, herkende ik veel gasten uit Jerez. (In een bodega is de vochtigheidsgraad 90 %.) Ik ben al aardig ingeburgerd in Jerez. De eigenaar van de Bodega, twee meter lange kerel ken ik jaren en omdat ik niet van ellenlange buurtpraatjes houd slenterde ik tussen de gestapelde vaten. De geur van sherry die je overal in de stad ruikt, de zwarte eikenhouten vaten en vooral de stilte, verliet ik dronken van de geuren het prachtige honderdjaar oude pand.

Uit mijn boek de Kolonel: Boven de paleizen, Bodegas en huizen, op pleinen en langs brede lanen belegd met zwerfstenen wuiven de gepluimde kruinen van de ranke dadelpalmen. Soms twintig meter hoog, opwassend onder het mooiste blauw. Op een enorm plein spuit lawaaierig en levenslustig een fontein. Twee keer per jaar vallen de sinaasappels en mandarijnen van de bomen. Geknakt en geplet liggen ze in de goten. Niemand plukt het fruit. Door de witgekalkte muren van de bodega’s wasemt de sterke geur van sherry’s. Binnen liggen in rijen de lekkende zwartgeblakerde eikenhouten vaten hoog opgestapeld. Op de witgepleisterde gevels staan de namen van de grote Sherry landeigenaren. Ik herinner mij opeens een regel van Rimbaud: A noir, E blanc, I rouge, U vert, O bleu, voyelles/ Je dirai quelque jour vos naissances latentes.

Tekening Robert Kruxdlo 1,80 X 2.0 meter Palacio de Villapanés Jerez de la Frontera.

Tekeningen Robert Kruxdlo 1,80 X 2.0 meter Palacio de Villapanés Jerez de la Frontera.

Wordt vervolgd Robert Kruzdlo 2022

(Sinds 2016 heb ik in Amerika -Main, New Hampshire New York en Spanje, Andalusië in 14 verschillende steden gewoond. Tussen dode vulkanen, in oerbossen en aan grillige kusten. Alleen! In tegenstelling tot wat de grote fantast J.L op zijn blog De Bodemloze Beeldentuin beweerde ben ik sindsdien zeer gesteld op mijn eenzame zwerftochten en deel ik nooit meer een bed met een vrouw. (Ik of een ander zal hem op een dag juridisch wreken.) Maar inmiddels heb ik talrijke bijzondere vrouwen ontmoet.)

Het meisje met het rode haar.

Meisje met het rode haar 2021

2021 februari

Ook vandaag is de wereld niet veranderd. Het is februari. In het dal van Gyrus in de buurt van de Limbische bergketen en niet ver van Huesca dat stad betekent, dragen de olijfbomen pas ontloken bloesem en op de flanken van de gesplinterde rotsachtige bergen, tussen menshoge cactussen bloeit rozemarijn. Op het smalle gevaarlijke pad dat door de heuvels kronkelt, richting de zee, fladderden voor de voeten kleurige vlinders. Verscholen tussen de cactussen kwelen, in hoge tonen, de woerhennen en honderden wandelende takken vliegen op als je hun schuilplaatsen passeert. Onder een lage middagzon liggen landinwaarts de hoge, klifachtige, bergkammen die, zo nu en dan, in asgrauwe wolken worden gehuld. Voorzichtig ga ik voetje voor voetje over het oneffen pad. De uitgestrektheid beangstigt mij. Ik vraag mij af hoe de hersenen dit allemaal kunnen opnemen! Het zijn raadsels diep in mijn hoofd, de een nog raadselachtiger dan de ander die elkaar verdringen en blijft de wereld in al haar raadselachtigheid hetzelfde. Antwoord krijg ik niet. Wat is belangrijker, ik die hier op 1300 meter wandel of dat wat zich in mijn hoofd afspeelt?  

Toen ik voor wat voor een reden dan ook onder een staalblauwe hemel even stil stond en uitkeek over de snaarheldere zee, had ik geen idee hoe ik mijn dagen hier, tussen de heuvels en de bergen met diep beneden mij de zee verder zou doorbrengen. Ik volgde de bootjes op zee die met vette witte snorren door het water kliefden, snoof de aromatische geuren van de bomen en planten op en liep moeizaam verder. Ik had zeker acht uur gelopen. Onder het hoogste hemeldak dat ik ooit had bereikt, over de met de hand uitgekapte en slingerende rotspaden in zuidelijke richting dacht ik na, in stilte, over wie ik ben en over het meisje met de rode haren die ik een tijdje geleden ontmoet had. 

De avond ervoor had ik te veel gedronken en slecht geslapen. Als het pad steil naar beneden laveerde, of langs een rand van een ravijn de hoek omsloeg, hoorde ik een stem in mijn hoofd, dat ik beter terug naar het dorp moest keren. Maar dan antwoorden ik dat het niet lang hoefde te duren, nog twintig minuten en ik was beneden en de angst zal dan verdwijnen door de oprukkende schoonheid van de natuur: het dal van Gyrus want daarom was ik hier. De bergen en de zee spraken mij toe te blijven en de vrees voor al die weidsheid verdween.

Ik moest denken aan het meisje met het rode haar. Dronken lag ik in haar spichtige armen en praatte en praatte maar door. Er kwam geen einde aan. Ik zei: ‘Ik wil je schilderen en tekenen.’

‘Dat mag.’ Zei ze.

‘Naakt,’ zei ik.

‘Ook naakt,’ zei ze met een dalende stem en blies zacht in mijn oor en over mijn bruingebrande gezicht.

‘Maar dan gaan we ook neuken,’ zei ze met een donkere stem.

‘Dan gaan we ook neuken.’

September 2022 Robert Kruzdlo

(Sinds 2016 heb ik in Amerika -Main, New Hampshire New York en Spanje, Andalusië in 14 verschillende steden gewoond. Tussen dode vulkanen, in oerbossen en aan grillige kusten. Alleen! In tegenstelling tot wat de grote fantast J.L op zijn blog De Bodemloze Beeldentuin beweerde ben ik sindsdien zeer gesteld op mijn eenzame zwerftochten en deel ik nooit meer een bed met een vrouw. (Ik of een ander zal hem op een dag juridisch wreken.) Maar inmiddels heb ik talrijke bijzondere vrouwen ontmoet. Meisje met het rode haar is een van hen.)

Nooit weer komt die zomer voor hen.

   

Moeder 1955 koopt een televisie 1250 gulden.

Deze nacht word ik wakker met een koude neus. Een kil briesje glijdt door de kamers terwijl alle ramen en deuren gesloten zijn. Niet dat ik het koud heb, de muren van het huis zijn nog zomers warm. De nacht is erg gehorig, ik luister naar het aanzwellend water van het riviertje. Dan moet het achter de bergen regenen. De geluiden van de blinden knerpen. In het huis, een oude watermolen, liggen de tegels af te koelen van de hete zomer. (Flits: Straks bevriest de winter het vuur.) In de winter kan ik slechts een kamer verwarmen zodat de ijzige winter niet als een slang om mijn botten heen kronkelt. De haren rijzen nu al op mijn armen nu de zomer achter de bergen op de vlucht is en het laatste vleugje zomer uit het huis zal vertrekken. Ik haal een deken uit de kast.

   In mijn dromen zaag ik hout, kijk ik naar de lange rijen stapels houtblokken, de dikste waar straks de bijl in moet. Al die trappen weer op met in de mand stapels geurig eiken, olijf of den. Ik kijk in feite naar een ander hoofd.

   De bladeren vallen nog niet van de bomen en toch ritselt er af en toe een blad van een plataan door de steegjes en over het plein of het nog niet voorbij is, ontvouwt zich langs de natte berm een bloem, zelfs vlinders dansen over het asfalt, ze gaan de dood tegemoet. De klok tikt trager dezelfde seconden als toen het zweet van mijn voorhoofd viel. Nu schijnt de zon nog en ik loop zonder shirt naar zee.

   Een jonge vrouw zit in de branding op een steen. Haar lichaam gebogen, en…, ik weet niet of zij het weet of ik het mag zien, ik zie dat ze weent. Haar tranen kan ik niet zien. Ze lijkt moe, zo moe van alles dat ze zich in zee laat zakken. Met de palm van haar handen veegt ze soms over haar ogen en wangen. Ze brult onderwater want ze komt lucht happend boven en kijkt over het water, naar de horizon en begint te zwemmen. De golven slaan kolkend tussen de stenen, in mijn oren alleen geruis. Wat zag ze? Wat leidde haar naar haar verdriet? Waarom zie ik alleen haar verdriet en niet de reden? Waarom zien we een schilderij en niet het andere dat het schilderij maakt. 

   Ik volgde haar en wilde het andere meisje zien, HET en niet de buitenkant die kleiner en kleiner werd. Het meisje dat het meisje aan het huilen bracht, weten waar haar verdriet vandaan komt. Boven haar rijzen oude bloemkoolwolken, wolken die daar al uren in het Delfsblauw staan hoger en hoger. De bloemkoolwolken komen niet dichterbij en zij…? Waar is de vrouw? Ik kan haar niet meer zien, ik zie alleen maar de zee vinnige scherpe plooien, groen en azuurblauw en geruis in mijn oren. Verblind kijk ik naar de glinsterzee en zijn kleuren. (Zoals in Eline Vere.) Ik krijg een droge tong. ‘Het is voorbij,’ zeg ik tegen mijzelf. Stijfjes sta ik op…, kijk nog een keer om en loom, moe zoek ik naar die ander in mij. Naar waar de verhalen vandaan komen. En niet naar het verhaal dat nu alweer op papier staat. 

   ‘Wat een verhaal…, dus je hebt nooit iets vernomen van haar. Niemand die?’

‘Nee. Ik heb op het gemeentehuis nog vragen gesteld, ze keken mij aan of ik gedroomd had, te veel gedronken.’

‘Ook de kranten niet.’

‘Ook de kranten niet.’

‘Maar de nacht die volgde moest ik vaak aan de verdwenen vrouw denken, aan die merkwaardige gebeurtenissen aan zee, maar ook, – het verhaal kan misschien vreemd voor je zijn, moest ik denken aan het Fietsmeisje. Toch vind ik het waard het jou te vertellen. Het gaat over het Fietsmeisje, het meisje uit het dorp Selva de Mar waar ik woon. Ze komt elk jaar met de familie uit Madrid op vakantie. Ze hebben er een huis. Omdat ik er geen aanstoot aan wil geven, het je eerlijk wil vertellen, hoop ik dat je mijn gedachten niet belachelijk maakt. Het heeft nooit in mijn dromen mijn zaadblaasjes geleegd. Dit voorval en de prangende vraag, voor het geval je denkt is een ook een zoektocht: wat deed het Fietsmeisje besluiten om…. Hoe wordt iemand zoals zij is. Schroom voel ik niet, toch hoe zeg je dit, de eerlijkheid wint? Iedereen heeft het recht alles te doen, te zeggen als hij maar niemand kwetst. Maar je ziet soms het tegendeel. Bijvoorbeeld een geloof, een geloof in God die haar wil, macht op dat van anderen oplegt. Hun hoofd zit vol met verkeerde informatie die ze zijn tegengekomen in boeken. Boeken uitgegeven door beroemde uitgevers. Met slimme websites drogeren ze mensen met ideeën die vals zijn. God inmiddels een ceremoniemeester geworden wil nog steeds heersen over de natuur, het universum, de evolutie. Dat is niet goed, dat is geen democratie. Er is iets faliekant mis met de democratie als dit gebeurt. (Kijk maar eens naar Catalonië nu.) Goed, ik dwaal af. Misschien is het allemaal erg brutaal hoe ik naar de dingen kijk, erover denk, toch is het een eerlijke zoektocht. Misschien vind je het vervelend als ik het heb over het fietsmeisje, maar ik zag het maar op een manier en ik blijf erbij.’

‘Wat zag je.’

‘Ik zag in het fietsmeisje dat nog geen achttien jaar was, mijn moeder. Ik schaam mij om je dit te moeten zeggen, ik zag mijn moeder, en dat schokte mij. Het verhaal over mijn moeder zal ik nu niet vertellen. Wat hier gezegd moet worden, wat ik wil verduidelijken, omdat het allemaal zo opzichtig gebeurde is…, waarom zie ik zoiets als mijn moeder in het jonge meisje. Aan de buitenkant lijkt het Fietsmeisje niet op mijn moeder en toch. Ik was ervan overtuigd en dat vond ik niet meteen leuk: het fietsmeisje lijkt op mijn moeder.’

‘Waarom vertel je dit?’

‘Omdat ik wil weten waarom zij mij plotseling omhelsde. Wat was haar drijfveer? Uit welk hoofd’

‘Aan die kus ligt het niet, die was zacht, vertederend prachtig, mooier kan niet. Ik heb gezien en gevoeld wat er in mij gebeurde en niet alleen op dat moment, zeg maar wat als kus gebeurde, maar duizenden dingen meer. Er gebeurde zoveel meer, zoveel meer…. Precies dacht ik, zo was mijn moeder, Fietsmeisje haar ogen en die van mijn moeder, precies zo heb ik het in het Fietsmeisje haar ogen gezien en ook in moeders ogen toen ik klein was.’

‘Wat gebeurde eraan vooraf?’

‘Het was heel laat. Ik had een lange wandeling over het strand gemaakt. In het dorp Selva de Mar was niemand op straat. Het enige lawaai kwam van de grillo’s, krekels in de bomen. Ik liep naar mijn woning en achter mij hoor ik een auto stoppen. De auto rijdt achteruit van het pleintje en verdwijnt langzaam tot ik niets hoor dan de krekels. Ik moet nog twee steegjes door voor ik de sleutel in de oude zware voordeur steek. Achter mij hoor ik plotseling geschuifel. Ik keer mij om en daar staat met haar schoenen in de hand het Fietsmeisje. Ze laat haar schoenen vallen en omhelst mij. Ze kust mij en drukt mij tegen de deur die openvalt.’

‘De rest hoef ik niet te horen.’

‘Nu dat is nu precies wat mij kwetst. Ik snap je, we hebben allemaal in ons leven manieren om gevoelens in hokjes te stoppen en te verdelen, zo hebben we zo min mogelijk met tegenstrijdigheden te maken. Wil jij niet weten waarom je zo denkt? In de hemel wachten mij 76 maagden, wedden. En zo denken nog steeds meer dan 120 miljoen Amerikanen.’ 

(Sinds 2016 woonde ik in Amerika en Spanje in totaal 14 verschillende steden. Alleen. In tegenstelling tot wat een fantast J.L. beweert op zijn blog Bodemloze Beeldentuin ben ik zeer gesteld op mijn eenzame zwerftochten en deel ik het bed met geen enkele vrouw. Ik ben “genderloosoud”. Maar inmiddels heb ik talrijke bijzondere vrouwen ontmoet. Het Fietsmeisje is een van die vrouwen.) Robert Kruzdlo Cadiz 2022

Bodemloze bodem om te vliegen.

Gim circusartiest 2022 Jerez de la Frontera

Gim.

Gim, lacht en vraagt hoe het met mij gaat. Ik antwoord niet de waarheid en omdat het al twaalf uur ’s nachts is moet ik op mijn hoede zijn. Gim, wil een biertje met mij drinken. Ik stem toe en we lopen samen naar een flamenco bar. Het is er altijd gezellig, rumoerig en harde muziek. De meeste mensen zijn tegen de tachtig, maar ze zijn springlevend, dansen en klappen mee met het ritme van de muziek. Dat lukt Gim niet. Een oudere vrouw naast Gim geeft uitleg hoe je met drie middelste vingers in je handpalm moet klappen. 12 tellen. Het twaalf-tel cyclus is moeilijk om te leren. Gim doet haar best. Ze krijgt het warm. Doet haar zomerse trui uit. De obers rollen met hun ogen. De buurvrouw van over de zeventig doet Gim voor hoe de flamenco wordt gedanst. Gim haar huid glanst. We drinken en als de tent gesloten wordt luister ik nog steeds naar haar verhalen over Porto Portugal waar ze een circusopleiding volgt. Even later staan we buiten. Het is 28 graden en de hemel lekt sterren. Gim, weet niet waar haar hotel is. Ze heeft het adres niet opgeschreven. We nemen naar een paar proeven om de herinnering op te frissen afscheid. Over lege pleinen met bruisende fonteinen, kinderkopjes lopen stellen die elkaar ondersteunen. Ze praten hardop. Dan gaat de telefoon: ‘Hier met Gim, ik ben mijn trui vergeten en nu zit ik in een politieauto. Ze geloven mij niet dat ik het adres van mijn hotel vergeten ben, kun jij het hun uitleggen. Dan een lange stilte. De batterij van mijn telefoon is op. 

Ik ben nog teruggelopen naar het café. Haar trui hing op een cactus die voor het establishment stond.

Robert Kruzdlo 2022

(Sinds 2016 heb ik in Amerika en Spanje in totaal 14 verschillende steden gewoond. Tussen dode vulkanen, in oerbossen en aan grillige kusten. Alleen. In tegenstelling tot wat de fantast J.L. beweert ben ik zeer gesteld op mijn eenzame zwerftochten en deel ik, sindsdien nooit meer een bed met een vrouw. Maar inmiddels heb ik talrijke bijzondere vrouwen ontmoet. Gim, is een van die vrouwen.)

Als je kijkt luister je…

Links Juana la del Pipa Jerez de la Frontera 2022

Antonio ‘El Pipa’ en ik kunnen het maar niet eens worden wanneer we naar New York zullen gaan. In Tabanco a La Feria, waar ik elke dag een wijntje drink komen we elkaar geregeld tegen. Och ik houd van vóór een café, voor de Tabanco a La Feria op het trottoir met schamele tafels en krukken, op te houden samen met Antonio ‘El Pipa’ en natuurlijk met het ‘JippieJaJee’ in het plat Andalu van Juana la del Pipa. (Zie foto boven.)

U snapt het niet? Goed hier wat foto’s van de mannen tijdens hun optreden. En denk nu niet als u ergens anders woont, bijvoorbeeld in Ierland, dat u iets snapt van flamenco of Spaans gitaarmuziek¡¡ Daarvoor moet je echt hier wonen. Wat kunnen deze kerels zingen. Joost mag het weten.  

De naam van de danseres ben ik vergeten. Ik heb haar meerdere malen getekend en geëxposeerd. In september heb ik in Jerez weer een expositie. De Pipa’s zullen er ook bij zijn.

Ik houd van Jerez de la Frontera want elke avond flamenco en Spaanse gitaarmuziek. Waar zie en hoor je dit…¿

.

.

Ouder optreden. Wakker worden mensen
Uit het hart en zelfs de handen zingen mee.
Al deze mensen heb ik getekent Jerez de la Frontera 2022

Kijk vooral naar de handen die meer zeggen dan het geluid uit de strot.

Robert Kruzdlo Jerez de la Frontera aug 20 2022

Leestijd 30 minuten of minder.

In de kelder van Alcázar Real de Sevilla القصر 2022 Robert Kruzdlo

Een hoofdstuk uit mijn boek KERMIS.

De brandweerauto met aanhangwagen graaft bonkend een opening door de muur van regen, die als breinaalden tegen de gebarsten voorruit roffelt. De ruitenwissers kunnen de regen nauwelijks verwerken. Hossend over kinderkopjes, door straten die bezaaid zijn met kuilen en sleuven, rijden we de stad uit. ( 1965 Scheve Kees en ik Fallibl 14 jaar oud. rk ) Achter de koplamplichten die niet ver reiken, zijn de vage ingesleten bandensporen, die de rijrichting aangeven, te zien. Door de brede plassen zijn de greppels aan weerszijde nauwelijks zichtbaar. Als de auto een bocht maakt, waaien woeste wolken filigraan hemelwater over de dampende motorkap: alsof de wereld geblust moest worden. Omdat het schakelen voor de man met de scheve mond te veel inspanning vergt, stopt de auto onder een van de schaarse lantaarnpalen. Op het moment dat ik probeer uit het autoraam naar de hemel te kijken, in de hoop een sprankje zonlicht te kunnen zien, zweept de regen hard in mijn gezicht.  

‘Sluit het raampje,’ zegt de man ruw, ‘en doe je jas uit. Hier, pak een deken, die achter je stoel ligt.’

Hij sjort zijn jas uit en werpt zijn hoed onder de stoel. We rijden weer. Gevangen in een onbegrensde en wattige luchtzee heb ik geen idee waar we heen gaan. Geen richtingsgevoel. Ik ben veertien en hij? De verwarming lijkt het niet goed te doen. Ik wil hem iets vragen of…, maar durf mij niet om te draaien.

‘Wacht…’ Hij wijst op de stuk gevouwen wegenkaart die hij zonder vaart te minderen op zijn knie uitspreidt. Mompelend voorovergebogen: ‘Deze Michelinkaart is van voor de oorlog.’ En op tijd stuurt hij de auto bij. Met zijn eeltige wijsvinger wijst hij op de kaart en slist, roept: ‘Hier moeten we naartoe, kijk hier is de volgende kermisstandplaats.’

Zonder zich om te draaien reikt hij de kaart aan. Met de beste wil van de wereld is de weg, die naar die stad moet leiden, naar de volgende kermisstandplaats, op de kaart niet te zien. ‘Nijmegen of Arnhem,’ roept hij en tuurt met half dichtgeknepen ogen naar de slingerende regen in het koplampenlicht: nu van een tegenligger. Precies op de plek, in de vouw waar het papier is gescheurd, prikt Kees met zijn eelterige pink, met een randje vuil onder de nagel door het papier. 

‘Er zit een gat precies daar waar we naartoe moeten.’ En verbaasd: ‘De kaart is niets waard en door het weer kun je je niet oriënteren.’ 

‘Draai de kaart om, duw het papier rond het gat terug, daar in het dashboardkastje is een rolletje plakpapier,’ hij wijst naar het dashboardkastje voor me. In een flits zie ik dat hij met zijn pink in zijn neus pulkt, stopt zijn pink in zijn mond en eet het snot op. Als ik het dashboardkastje open valt er een stapel boekjes uit.

‘Geef hier, niets voor jou’, zegt hij en werpt de boekjes onder zijn stoel.

Ik repareer zo goed als ik kan het gat in de kaart. In de vochtig zurige ammoniaklucht zitten we onderhand te smoren.

Een vlieg danst voor zijn gezicht. 

‘Hoe komt die kutvlieg nu ineens hier?’ 

Ik schiet in de lach en voel me ontspannen. Niet lang en te kort om hem aan te kijken.

Op de vettige kaart valt niet veel te zien. Een vervaagde kaart vol vlekken, groezelige lijnen die wegen moeten voorstellen. Onleesbare namen van dorpen en steden. Kees zijn richtingsgevoel schijnt wél te werken: ‘Hier denk ik,’ mompelt hij. Dit moet, nee hier, moet de richting naar Nijmegen zijn? 

‘Er zijn nauwelijks tegenliggers. Vreemd’ 

‘Het is zondag,’ zeg ik,’ en ontspan. 

De auto vermindert vaart. Gelukkig grommen en zwiepen de ruitenwissers weer normaal. Soms is de weg beter te zien en lijkt de regen te willen stoppen.

‘Hé hé die doen het weer. Waar kijk je naar?’

‘Ik zoek verkeersborden.’ 

Dan houden de lawaaierige ruitenwissers er weer mee op. 

‘Kutvlieg,’ zeg ik tegen mijzelf. 

‘Hé jij ook al?’

Het zijraampje openen om de vlieg te verjagen heeft weinig zin. Ik tuur slaperig naar de grijze stromende massa, alsof ik onder mijn eigen schedel, in mijn weke hersenen kijk. Er is niets te zien. Nergens staat langs de weg of op een kruispunt een ANWB-bord waarop de richting naar aangegeven wordt. Vreemd. In de stad staan op elk kruispunt een bord maar hier? Soms zijn er aan weerszijden van de weg boerderijen met schaars verlichte ramen te zien. Ik moet glimlachen, rek mij uit en haal diep adem: de natuur maakt mensen blind. Soms verdwalen mensen in een bos, op zee en in de lucht, heb ik gehoord. 

Het is bonkend en kraken en zo vervolgen wij onze weg. Soms zijn de kuilen in de weg zo diep dat we van onze stoel omhoog wippen. Er wordt niet gelachen. Inmiddels lijk ik van pudding te zijn geworden.

Hossend tussen de regengordijnen door zijn rechts en links modderige afritten en boerenlandwegen met houtenrekken waarop rijen lege melkbussen die op z’n kop staan, te zien. Boven het boerengeriefgroen jagen grauwwitte neerslaande rookpluimen neer. Veel prikkeldraad en weinig koeien. Soms een knol, druipend met zijn kop naar beneden onder een schamel afdakje. De regendruppels op het zijraam die ik in een halfslaap volg en die door de vaart van de auto horizontaal, trillend naar de rand van de zijraampjes lopen, hebben iets magisch: elke regendruppel vangt de wereld anders. Voorovergebogen, zijn handen stevig aan het stuur, kijkt hij naar het verschuiven van de weg onder hem. Naar wat precies? Ik dommel in en schiet wakker. De lawaaierige ruitenwissers zijn er plotseling wéér mee opgehouden. Gevloek. Klap met een vuist op het dashboard. Remmen. Slijm op de voorruit. 

Nerveus verdwijnt het puntje van zijn pink in zijn neus. Dat haat ik, zijn platte neus leeg te zien lepelen. Het weer haat ik ook en de gedachte aan een leven dat op punt staat van omvallen maakt mij boos. Wat is de toekomst? Ik ben zó moe en heb alleen maar vragen die ik nooit zal kunnen beantwoorden. Vragen en nog eens vragen. Ik bijt op mijn tong. 

Binnenin de auto zijn de omstandigheid net zo slecht als buiten. Mijn stinksokken en -schoenen zijn nog nat. Alles wat grijs is en nat is was zonder enige betekenis. Het enige wat nog kleur heeft zoals de gerafelde kaarten van half blote dames die achter een gespannen elastiek, die over de breedte van het plafond is gespannen, gestoken zaten. Aan een rafelig koortje hangt een pen met blote tieten, een gebroken rozenkrans, gebit en twee ringen. Trouwringen?

Even heb ik, vanuit mijn ooghoeken, naar zijn silhouet gekeken. Misschien is hij geen Hollander? Per slot stammen wij allemaal van de aap af. Ik schaam mij om naar zijn mopsneus te kijken. Mijn kleren krimpen en plakken aan mijn lijf. Mijn kont blijf nat. Ik had niet het gevoel gevangen te zitten of zo…, ik kan geen kant op.  

‘Hoe heet je?’, vraagt hij zonder zich om te draaien, ‘je moeder heeft het mij verteld, maar ik ben het vergeten.’ 

‘Fallibl.’ 

‘O ja, dat was ik vergeten, Fall …’ 

‘Ja, zeg maar Fal,’ zei ik. ’En u. Uw naam ben ik ook vergeten.’ (Wat niet waar was.) 

‘Ze noemen mij Scheve Kees, mag jij ook doen, Kees of Scheve Kees, maak mij niets uit. Maar kijk, zo vinden we de weg nooit.’

Hij draait zich om. Ik blijf door het zijraampje naar buiten kijken. 

‘Ik zie niets Kees, net als u,’ zeg ik haastig, ‘ik zie hetzelfde als u, zelfs als ik samen met u naar buiten kijk of op de wegenkaart.’

‘Slim, maar je hebt gelijk, samen komen we er ook niet uit, maar weet je iets van de oorlog? Bombardementen? Steden die zijn vernield, verwoest omdat de piloten door het slechte weer niet goed uit het vliegtuigraampje konden kijken, en zo de afgesproken vijandelijke doelen misten? Die bommen vielen op Nederlandse steden, dus zeg maar, op de verkeerde plekken. Niets aan te doen, maar we rijden door tot er een afslagbord opdoemt,’ bromt hij, ‘of totdat iemand, een boer of een fietser, stopt om ons de weg te wijzen. Klote weer.’ 

‘Ik zie niet eens koeien,’ zeg ik turend tussen de regendruppels door.

‘Dat hoeft ook niet, die zien jou ook niet, toch?’

Met een ruk draait hij zich om en met een vies gezicht geeft hij een knipoog. Mondhoeken naar beneden. 

Nu ik zijn gezicht goed heb gezien begint de schaamte opnieuw op te spelen: hoe kan moeder zo’n foeilelijke man, aardig vinden? 

Kees kijkt in de zijspiegel, dan in het dashboardspiegeltje waarachter een oude foto, een portret geschoven is en wrijft hoorbaar over zijn gezicht. Ongeschoren. Plotseling trapt hij op de rem. Midden op de weg staan we stil. Naar enkele haperingen slaat de motor brullend aan en gelukkig begint de brandweerauto langzaam op te trekken. De regen trommelt op het dak. 

‘God wat een geluk,’ juicht Kees met zijn handen van het stuur, ‘de eerste de beste blauwwit diagonaal gestreepte ANWB-paal, kijk daar. He-he- eindelijk tekst, nu ja, het bord zit vol roestige kogelgaten? Gelukkig het is nog net leesbaar zie je: … hem en …egen. Eindelijk, maar stap even uit wil je? Kun jij het ontcijferen? Nee laat maar, het verkeersbord wijst in ieder geval naar het oosten. Ja, dan rijen we die kant op, Arnhem of Nijmegen, dat moet het zijn. In ieder geval hier naar rechts,’ roept hij opgewekt en sluit het zijraampje: zijn haar en schouder zijn weer kletsnat. 

‘Veeg het condens eens van de vooruit, hier neem mijn zakdoek.’ 

Hij trekt uit zijn broekzak een vochtige verfrommelde prop tevoorschijn.

‘Doe ik niet,’ zeg ik en probeer met mijn mouw de beslagen voorruit droog te vegen. Het helpt nauwelijks.

‘Ik doe het wel,’ snauwt hij bot. 

De autoruit komt vol vette vegen te zitten. Kees, trekt zijn mouw van zijn jas over zijn hand en begint opnieuw. Het lukt aardig. Onderwijl besef ik, terwijl de kromgetrokken kaarten van de halfnaakte vrouwen mij toelachen, dat ik zijn opdrachten maar beter opvolgen kan. 

‘Je moet goed naar Scheve Kees luisteren hoor ik moeder zeggen.’

Omdat de stem van de scheve mond niet boven het lawaai van de motor uit kan komen, die ineens zorgelijke geluiden maakt, wijs hij met heftige gebaren tussen mijn benen. De auto komt glibberig langs de kant van de weg tot stilstand, krakend zwaait de autodeur open en hij verdwijnt in de regen.  Even later kruipt hij mompelend en kletsnat terug de auto in: ‘Moet jij niet pissen?’

Ik knik van nee, ja toch, en ik had geluk, de regen was even opgehouden. Voor mij een straaltje zonlicht dat tussen de wolken doorslipten. Ik sprong in het hoge natte gras, knoop mijn gulp open. Een uur geleden had ik hem niet willen vertellen dat ik hoge nood had. Zelfs nu had ik moeite om in zijn buurt te plassen. Een groepje wasemende koeien stoet op mij af en vlak voor mij houden ze stil. Ze kijken met lodderogen. In hun karkassen, zo mager zijn ze, bewegen de longen tegen de beschermende tralies. Soms likt hun tong langs hun neusgaten: die kunnen vast niet zeggen dat het vandaag klote weer is, dacht ik en pis met een grote boog hun kant op. Mijn gezicht tintelt. Langzaam en onafwendbare krijg ik een erectie. 

.

Sevilla Spanje 2022 19 augustus Robert Kruzdlo

Zelf meegemaakt.

STILLE

WOORDEN

WOORDEN

KERMEN 

Het eeuwige leven volgens Bram Vermeulen

Begin van mijn boek KERMIS

Alleen ik kan over de jongen Fallibl, schrijven. Hij, geen kind meer en ook niet volwassen wilde op zijn twaalfde bioloog worden. Het had niets met dierenliefde of aaibeluste gedrevenheid te maken. Ook niet door een bananenschil in een glas melk te dopen om na een paar dagen de pirouettes van eencellige amoebe onder de kindermicroscoop te volgen. Ook had het niets uitstaande met het doormidden snijden van naaktslakken om de hersencellen te vinden; een wonder hoe zo’n diertje met twee neuronen alles kon doen, terwijl een mens er ontelbaar meer heeft. Alles van de mens, zo schreef hij in zijn schoolschrift, zal op een dag onder een microscoop te zien zijn.

Het geschiedde op de eerste dag van de zomerschoolvakantie 1963 razendsnel. Zijn moeder maakte hem voor zonsopgang wakker en zonder iets te zeggen gaf ze hem een briefje waarop stond welke dingen hij moest inpakken en zette een klein leren gerafelde koffertje naast zijn bed. 

‘Je gaat op vakantie,’ had ze op de gang gezegd. 

Uren later kwam ze terug. Ze had haar jas en een hoofddoek omgedaan. Haar lippen waren felrood gestift, ze rook bouquet naar manzanilla: ‘Kom we moeten gaan,’ zei ze in de deuropening en liep de trap af, de lange donkere gang door, naar de voordeur. Hij schoot in zijn kleren en propte het lerenkoffertje met een sticker van Bad Hotel Domburg erop, vol met wat op het lijstje stond. En meer. Het koffertje woog zwaar.

Robert Kruzdlo 2022

Twee zielen in een borst.

Twee hoofden heb je Manon Uphoff. Robert Kruzdlo 2022

Iedereen heeft een tweede hoofd.

Het is ergens opgeslagen in mijn lichaam, een tweede hoofd. Plotseling vindt mijn tweede hoofd het nodig om op de voorgrond te treden en eist de volle aandacht, dus laat ik hem begaan.

Ieder mens heeft twee hoofden. Je hoeft je niet meer af te vragen of dat zo is: iedereen heeft een tweede hoofd met ogen en oren. Vooral als je droomt.

!

Het eerste hoofd kijkt naar het tweede hoofd. Zo simpel zit dat in elkaar. 

Ik kijk lichaamloos naar wat mijn tweede hoofd, laat zien en wat ‘HET’ te vertellen heeft. Het is een geest. Een voorbeeld…

!!

De stad waar ik geregeld kom maakt mij moe, zuigt mij uit en gunt mij geen enkel plezier. Toch moet ik er zo af-en-toe heen. Het ergste zijn de toeristen. Deze toeristenkolonie, stadsverdelgers, schoonheidsverdelgers vernielen het oorspronkelijke beeld van de stad waarvoor ze komen. Alles gaat kapoeres en toch genieten ze, gek genoeg, van de fraaiheden die opduiken als ze van hun schermpje opkijken. Dat schoonheidsgenot is om de wanhoop te bedekken: de wanhoop van de stedelijke schoonheid die onder hun ogen verdwijnt. Zelfs, als ze door de nauwe steegjes van de stad lopen en aldoor op de telefoon moeten kijken of er berichtjes zijn, selfies maken bij paardenkoetsjes, onderwijl hardop praten – vooral Amerikanen die nog steeds denken dat ze Europa aan het bevrijden zijn van…? – eten en smikkelen aan een ijsje, zelfs… dan nemen ze gelukkig nog even de tijd om naar een bezienswaardigheid te gaan en uren in de rij te staan voor een kaartje, om vervolgens toch weer de dingen te doen die ze niet kunnen laten: op hun schermpje kijken. Nu, dit beeld maakt mij moe. Ik zet een dikke zonnebril op, steek de hoed diep over mijn voorhoofd en laat mij niet van mijn looprichting afbrengen: zij moeten van hun schermpje opkijken om niet met mij in botsing te komen. 

De stad waar ik weer een paar dagen was, put mij uit. Ik raak lichtelijk in paniek: Tourist-disorder. Extreem teleurgesteld, zelfs een shock, het tegenovergestelde van het Stendhalsyndroom – o…o…wat is alles mooi!. Maar ik wil dé stad zien…, en, helaas door de touristenkolonies, de mobieltjes, de selfies-clowns, – vrouwen maken er een modeshow van, het vreten, slikken en likken aan een ijsje, tafelen en door onbeschofte obers bedient worden, ja, ja, … allemaal seizoenstress, slinger ik me langs en door de terrassen, steegjes vol mensen, om een glimp op te vangen van de oude stad van weleer. Daarom wil ik er zijn¡

!

Mijn tweede hoofd bedenkt, als ik in mijn hotelkamer op bed lig, van alles. Ik val in slaap, word wakker en val weer in slaap. ‘HET’ mijn geestesoog of onbewuste opent een andere wereld, zijn wereld en droom:

Moeder slaapt met Johannes op zolder. Een kleine bedompte zolder. Johannes is een Duitser. Zij heeft hem maanden geleden ontmoet in een café ’t Hoekje Amsterdam Haarlemmerdijk.

Overgrootmoeder en oma zitten aan de huiskamertafel. Zij slapen in de alkoof, in een tweepersoonsbed. In de kleine voorkamer dat uitkijkt op de gracht, slapen mijn zus, boertje en ik. Ieder heeft een smalle hoge kast, waarin de schamele eigendommen in worden bewaard.

Er is een kleine keuken met een kraantje. Daar was iedereen zich. Een toilet naast het gasfornuis. Het raam van de kamer kijkt uit op een bemoste muur. Groen en zwart. De zon komt er nooit. Beneden ligt een berg huisvuil; matrassen, meubels, kleren en lege flessen.

Op een dag hoor ik dat Johannes met een stoffer op zijn hand slaat. Ik kijk naar zijn hand die dikker en dikker wordt. Hij zegt dat hij met die hand naar de dokter gaat en de dokter moet dan een papiertje tekenen dat hij niet kan werken. Hij krijgt dan een arbeidsongeschiktheidsuitkering. Als hij de uitkering heeft haalt hij, achter het treintalud, oude auto’s uit elkaar. Hij doet dit met een bijl want gereedschap heeft hij niet.

Ik ben al een tijdje verliefd op mijn zus…

Het, houdt er plotseling mee op. Ik word wakker.

!

Ik ga achter mijn computer zitten en schrijf dit op. Nu ben ik hier aangeland. Hier, bij het woord ‘aangeland’.

Ik heb dus twee hoofden en in tegenstelling tot wat iemand als Uphoff verlangt: Had ik maar twee hoofden. Dit verlangen heb ik nu voor haar ingelost. Ik weet niet of zij dit leest.*

?

Wat stelt deze droom voor? Was zij zoals zij was, zoals ‘het’ het tweede hoofd aan mij wil tonen? Dat vraag ik mij af. Het is wat ik mij van de droom herinner. Maar er moet méér zijn. Ik heb het vermoeden dat er meer moet zijn dan ik mij nu kan herinneren. Omdat ik dat niet aannemelijk kan maken, ik mij bevind in een schemergebied – tussen het eerste en het tweede hoofd – blijft er te veel verborgen. Kan ik uitvoeriger zijn dan ik nu ben? De middelen heb ik niet om dit uit te zoeken. Dus fantaseer ik verder.

De droom van ‘het’, de stad en “een familie die rond 1955 in Amsterdam” samengepropt in een halve-woning leefde fantaseert het tweede hoofd dus. Ik vraag mij af of ik er omheen meer fantaseer dan het is? Dit noemt men ‘associaties’. Heeft dit echt met het leven te maken¿ Ja, zeg ik dan.

?!

Heeft deze droom meer met mijn leven te maken dan ik kan dromen? Een stad vol toeristenratten die de stad komen vervuilen? Hoe zit dit allemaal precies in elkaar, hoe doet mijn tweede hoofd dit allemaal? Hoe verzint HET het allemaal…? Daarover heb ik geen weet van.

!

Moeder neukt met Johannes. Ik hoor hun bed piepen, ondanks dat Johannes de spiralen met olijfolie heeft ingesmeerd. Overgrootmoeder slaapt en stinkt: ze heeft in haar broek gescheten. Oma is naar Hotel Victoria gegaan, om werk te zoeken. Mijn zus daagt mij uit en knijpt in mijn zij, dan grijpt ze naar mijn geslacht. Ze lacht vies. Een rij half afgebroken rotte tanden zijn te zien. Vrouwen zijn gevaarlijker dan mannen. Mijn broertje steelt tien cent uit de portemonnaie van overgrootmoeder. Moet ik verder met mijn droom?

Misschien heb ik nu de lezers ermee overtuigd dat ik fantaseer, dat dit kan, maar wat dan nog?

?

Wat is het ‘het’ zonder mij? Een werkelijkheid? Een werkelijke werkelijkheid? Kunst? Mijn curriculum vitae? Een onbewust zijn? Is het onbewust zijn een ‘HET’ te noemen? Een tweede hoofd. Ik val weer in slaap…

!!

Als ik wakker word, wordt er op de deur geklopt. Een vrouw die zich Ragusa uit Dalmatië noemt. Ze komt uit Herzegovina, zegt ze. Ik sla het laken van mij af… en ga op de pot zitten en weet dat ik droom.

!!!

Ik zoek het filmpje op: Trauma en slachtofferschap met Manon Uphoff. Als Tussenmens kun je alleen maar vaststellen dat je in een kloof zit, tussen je brein en de werkelijke werkelijkheid.

Ik sla mijn aantekening op. Dit was het voor het moment.

Robert Kruzdlo Cordoba 2022  

.

Taal en de werkelijke werkelijkheid. Een kloof waarin wij allemaal zitten.

Wie of wat is iemand echt?

Schilderij Robert Kruzdlo Neuroart 1987

‘Wie is iemand echt? Hoeveel lagen moet je van iemand afpellen totdat je bij de kern terecht komt? (Terechtkomt. rk) Zijn wij als matroesjka’s, met een kleinste poppetje in ons hart, of als uien, met alleen maar steeds weer nieuwe rokken? Of, zijn we, (…) alleen maar buitenkant, gemaakt door de omstandigheden, de verlangens en de projecties van anderen?’

(Zie Neerlandistiek.)

Antwoord:

‘Wat is iemand echt? Bij het uienpellen moet ik huilen. Bij matroesjka’s poppetjes denk ik aan de inhoud van het kleinste poppetje: lucht. Of zit er een demiurg mannetje in ons hoofd die vanuit ongeordende materie, uit miljarden neurodraden alles regelt? Of zijn we materie: cellen die kunnen nadenken, neuronen die stilletjes alles regelen, organen, spieren met daaromheen een huid?

Wat doet die huid?

De literaire zegeningen verdwijnen als de schrijver-kunstenaar geen antwoord heeft op wat we zijn. Alles raakt verloren. De tijd verstrijkt en de persen blijven maar draaien; nog weten we niet wie of wat we echt zijn.

Je krijgt er de vinger niet achter.

Wat een mens is blijft onbeantwoord. De mens blijft een anoniem wezen zonder een ik, en, mag hij dromen dat hij een ik heeft? Het geloof is zo krachtig, vooral in de literatuur dat zonder die ik geen literatuur bestaat. De literatuur bevat geen waarheden alleen opvattingen die de meeste in de praktijk moeiteloos hanteren.

Wie is iemand echt: Weten dat je nooit precies weet waar mee je aan het werk bent.

Wat is iemand echt: Een lichaam vol zelfdenkende cellen, -neuronen en -organen waarmee je iemands leven mag verpesten. Of is er nog hoop? 

Robert Kruzdlo Cádiz 2022

Wat, als iets kunst kan zijn?

Terugverlangen naar de moederbuik.

Het lichaam als ding een noumenon?

In het beginnen waren we man en vrouw, ‘vrouwman,. Dat zie je aan de balzak van de man die een vrouwelijk begin heeft gemaakt. Op het moment dat de zelfdenkende cellen, neuronen beslissen om er een manelijk geslacht van te maken, groeien de schaamlippen aan elkaar en vormen een scrotum: dat is te zien door een vleselijke lasnaad, een omhoogstaand, in de lengte lopende huidlijn.

Ik droom vaak over het moment dat ik nog geen scrotum had. Vreemd maar waar. Ik loop, in mijn droom zonder geslacht rond en, op een gegeven moment plak ik het mannelijk geslacht terug op de plaats waar het heeft gezeten.

Ik loop altijd achter mijn testikels aan, haal ze nooit in en als ik ergens kom, is eerst mijn slurfje binnen voor ik mijn hand uitsteek om iemand te begroeten. Een paar slagaderen zorgen ervoor dat het slurfje ergens naar binnen wordt getrokken. Wat een verstand!

De schepper kan veel bedoeld hebben, maar de voortplantingscellen hebben waarschijnlijk meer verstand dan HIJ en gelukkig zijn de haploïde cellen zo verstandig het erfelijk materieel te gebruiken om het soort voort te laten leven.

In Slo Mo-films van Bruce Nauman: Black Balls, Bouncing Balls, Pulling Mouth en Gauze, is goed te zien hoe een man naar zijn ballen wil kijken, zonder te weten wat zich daar precies afspeelt en geen enkel begrip heeft van de zelfdenkende cellen, neuronen, bloedvaten. (Wat is kunst? Een inconsequente manier van kijken?)

Manon Uphoff’s beschrijvingen van de scrotum — mannelijk geslacht — zijn wel erg summier. Het mannelijk geslacht wordt van de buitenkant bekeken. Zij beschrijft het als een ding en niet als een zelfdenkende organisme, los van het individu, de man. (Het lichaam.)

Een vrouw zit op haar geslacht, daar kan het heel warm worden, een broeikast zelfs; lekkende vochtige opening. Opnieuw een summiere beschrijving. Is hiermee ook het verschil van het ding en het zelfdenkende ding beschreven?

De natuur wikt en weegt, wij kunnen alleen haar dragen met het weinige verstand dat we hebben.

Een schrijver schreef: Hij nam mij mee naar de behandelend uroloog (…) om naar mijn ‘zwangere’ scrotum te kijken (…) misschien een opspelend gezwel…

Zie hier de man met zijn biologische erfenis. Literatuur kent alleen onkenbare dingen. Troost is de enige hoop op leven.

Robert Kruzdlo 2022

KIRAC 3

Hongaarse fotograaf denkt gevloerd na.

De grootste vrijheid die je als kunstenaar kunt krijgen is door je aan niemand te storen dan,… alleen aan jezelf. Onafhankelijk en je door niemand te laten piepelen. Het paradoxale is wel, dat de kunstenaar-schrijver uit voorbeelden die zij/hij heeft, haar eigen ruïne creëert. 

Dat vrijheid de “kunst van het falen” is.

Vroeg in je leven falen, maakt van iemand een groot kunstenaar. Falen is altijd afhankelijk van de hoeveelheid krenkingen…

Durven te falen — KIRAC woke-denken — durven een offer te brengen betekent dat je met héél je offer ten onder gaat. Schrijven dus! (Niet schrijven als je het niet kan.)

Als ik ooit iets was geweest, denk ik nu, was het nooit wat geworden. Wat kan worden weet ik niet en wat ik niet weet, kan nog altijd komen. Dus, blijven schrijven.

Ik ben er nog niet, ben er niet, nog niet, niet?

Baby Sweet

Sandwich with

warm meat.

I’m looking for knowledge

wiht heaps of onions

to grow old together.

Exit no objection.

Dit ging allemaal door mijn kop toen ik een stukje Atlantische tonijn wilde kopen. Mijn buurman een Hongaarse fotograaf betrapte mij — verdorie ik vergeet steeds zijn naam — en zijn naar een oud café a La Feria gegaan. Ik schonk hem mijn boek (…) en natuurlijk moest hij er iets inschrijven. Plots zei hij dat hij moest nadenken en ging op de vloer liggen. (Hij had dit natuurlijk van mij. Zie Digitaal Museum.) Hij stond erop dat ik hem moest fotograferen.

En zo ging er weer een stroperige dag voorbij. Ik vergat de tonijn en viel, nadat ik een versje had geschreven — zie boven — in slaap.

Hongaarse fotograaf met boek van Robert Kruzdlo TUSSENMENS

Kirac geklets 2

Schilderijen Robert Kruzdlo: IK BEN ER NIET.

‘We tell ourselves stories in order to live’, hoorde ik laatst. 

Laatst ving ik flarden van een gesprek op. Een lijzige sprekende man, luisterde met een engelengeduld naar een non-stop-rokende man, die nogal besmuikt zijn verhaal deed. De non-stop-rokende man zat niet stil. Het been dat over het andere been heengeslagen was wipte regelmatig op en neer: of hij iemand een schop wilde geven — misschien wel de ideeën die hij had. Hij maakte besmuikt gebruik van de engel…, die soms de advocaat van de duivel speelde: een embleem van onvermogen, versterkt door een overdosis aan goede wil. (Elckerlijc.) De man die de filtersigaret nooit helemaal oprookte leek mij verward en helder tegelijk. Als hij de filtersigaret had uitgedrukt stak hij meteen weer een nieuwe sigaret op. Hij rookte zich de kanker. De man met engelengeduld die in een soort metafysische extase verkeerde: het effect van paddo’s misschien, zei: Ik had altijd vrij willen zijn. Ik weet niet waarom. Ik weet ook niet wat dat wil zeggen, vrij zijn…, in mijn hoofd zoek ik, zoek ik wat ik nu precies bedoel. Daarbij plaatste hij regelmatig zijn rechterhand gekluisd in zijn linkerhand: alsof hij iets of iemand een uppercut wilde geven. De man die zijn gezicht achter wolken rook verborg was een modernistische vernieuwer, een kunstcriticaster, honds en een egotripper, maar een voorspelbare fascistische vernieuwer: connoisseur of catastrophe. De lijzige man was duidelijk zijn maatje, droeg hem op een schild van waarachtigheid en als hij iets vroeg, de tijd die een vraag nodig had, duwde de filterman zijn sigaret in de asbak en stak een nieuwe op. Ondertussen bewoog hij nu zijn andere been op-en-neer. Ik luisterde naar hun gesprek. (Zie foto.) Het was zeker géén Ischa Meijer gesprek, dachten zij misschien?

‘Kun je de vraag herhalen,; vroeg de lijzige en nam een slokje water.

‘Mensen zijn coping verslaafd, maar ze brengen geen offers om een goed gesprek te houden. Ze zijn er niet. Lichamelijk ja. Ze kunnen net zo goed zeggen: Ik ben er niet.’

‘Ik wil alle lagen van de gevoelens leren kennen,’ slist de lijzige en propte zijn rechter gebalde vuist in zijn linker geopende hand.

‘Mensen die lekker gezellig lullen willen geen offers brengen en niet rouwen, weet je, het gaat om het totale zelf, weet je.’

‘Mensen verschuilen zich achter hun huid, maskeren, sluier-lichamen, kom eens naar buiten denk ik dan.’

‘Het zijn hermetische psychopaten, van het ene op het andere moment kunnen ze veranderen. Net als een kind dat huilt. Geef hen een snoepje en hij is stil. Doe een jankend kind na en hij huilt niet meer. We moeten die gasten buiten hun lichaam trekken, eruit roep ik dan, eruit jij, ik ransel je uit je lichaam.’ Hij, ja die daar, wreef de sigaret tussen zijn vingers stuk. De ander nam een slokje water. 

Ik zag twee hermetische psychopaten in gesprek. Een non-stop-rokende pestkop, de ander luisterde lijzig met een gebalde vuist, evenwichtig in de zinnen die hij sprak. Eigenlijk kwam ik niets te weten van hen. Zoals je van psychopaten ook niets te weten komt. Wat je ook vraagt, je krijgt nooit antwoord. Aan Body language genoeg?

‘Ik was bezig in mijn hoofd,’ zei de lijzige, ‘wat is dat toch, dat mensen weer terug in de kast duiken? Uit de kast in de kast?’

‘Alle kwalijke kunstgedachten zitten in het lichaam, het houdt de kunst bijeen, een lichaam is een zak met water waarboven geesten drijven.’

‘In mijn hoofd rolleert alles, wisselt steeds weer, daar ben ik mee bezig.’

‘Wij vullen onze lichamen,’ zegt de filter man, ‘met onbevredigende culturen. Body movements, the things we don’t say…’ 

‘Soms ben ik mijn lichaam niet waard,’ zei de vuistige.

‘Wat niet allemaal in mijn lichaam wordt verspreid? Al die stofjes. Ik ken ze niet,’ zegt de kettingrokende!

‘Wat weten we nouw…, eigenlijk?’ Hij zei: NOUW.

Na een slokje water: ‘Niet veel.’

‘Dan weten we dus niets.’ Hij dronk in een teug zijn glas bier leeg en stopte meteen een peuk in zijn mond.

Beneden begon een orkestje te spelen. Cello en twee violen. Ze speelden Leonard Cohen HALLELUJAH. Ik neuriede mee. Nu verstond ik de lijzige en filtersigaret rokende niet meer goed.

‘…vecht, je vecht tegen de cultuur.’

‘…cultuur is onbevredigend genieten.’

‘…honds, ik ben honds, …KIRAC, ken je KIRAC…, 

Ik boog over het balkon en … hoor…,: We moeten de vijand omarmen. Ineens moest ik aan een echte kunstenaar denken.

.

Klik op:

Kirac 1

Tussenmens Robert Kruzdlo: Wat is een kunstenaar.

Robert Kruzdlo 2022 Cádiz

Konijn Puffie had hem aan het kwasten gebracht.

Puffie schilderij 1978-2022 Robert Kruzdlo

Dit modern sprookje, waarvan ik al in 1978 de eerste regels had geschreven, vertelt dat kunstenaars zichzelf maar aan één stijl kunnen binden en er nooit in slagen om in een andere stijl te werken. Je kunt er stinkend rijk door worden. Maar wat is een vrij kunstenaar dan? Ik denk: ’Zij die durven van stijl te veranderen, zullen ondervinden hoe rijk het onder hun schedel is.’

Genetisch lukt dat bij bijna alle kunstenaars NIET. Hiervan een voorbeeld. 

De enige relatie die hij in zijn leven toestond was met een enorm wit konijn. Het konijn luisterde naar zijn naam Puffie en kon op commando een boomtak terugbrengen. Soms voetbalde hij met het konijn. Hij en het konijn woonden negen jaar op een sobere kamer ergens aan de rand van de stad. In de wijk woonden stille mensen, doodverlegen mensen, lege mensen die geen enkel initiatief namen om andere mensen, buiten de stille wijk, te ontmoeten. Er was een verenigingsgebouw waar geregeld bijeenkomsten werden georganiseerd. Op die bijeenkomsten zeiden de mensen niets. Ze maakten wel geluiden, bijvoorbeeld dan floot iemand en dat betekende dat hij blij was. Soms haalde iemand hoorbaar adem of blies iemand hard zijn longen leeg, kreunde iemand of maakte een zachte lange toon. Dat betekende van alles maar, als een lang geluid bijna onhoorbaar tussen de bijna gesloten lippen verliet, dan betekende dat dat de persoon somber was. En zo waren er nog vele tonen, zuchten en scheten. Er was een persoon die altijd hikte. En als hij hikte, de ‘hiklach’ had kon iedereen zien wat hij dacht. Hij keek dan naar de grond, waarom wist niemand, terwijl zijn schouders hikten zo van, ha ha ha ha, dit is om je kapot te hikken. De ander bromde wat en uit dat gebrom kwam vaak de vraag: jouw ‘hiklach’ is anders vandaag. Nee, taal werd er nooit gesproken. 

Het konijn leek op een hond. Toch was het meer een konijn dan een hond. Het beest, groter dan een tackel kon zomaar de poot van een stoel kapot knagen — om zijn tanden te scherpen — en hij kon met zijn achterpoot zo hard op de houten vloer stampen dat de kopjes en bordjes op de aanrecht trilden. 

Op een dag, het was bloedheet, was het konijn uit zijn kamer ontsnapt. Hij zocht overal tot hij iets op zolder hoorde. Het konijn had een geheime doorverbinding gevonden, een klein luikje dat toegang gaf tot een naastgelegen onbewoond huis. Hij kroop het konijn achterna en omdat het donker was en hij geen hand voor zijn ogen kon zien ging hij terug naar zijn kamer om een zaklantaarn te halen. Hij volgde de bundel licht, achter de schaduw van Puffie aan. Puffies  lange oren raakten de grond en hij scheen leven te bespeuren. Zijn neus wipte op en neer.

Ze daalden allebei de trappen af tot ze achter een deur zagen — er scheen licht door het sleutelgat — waarachter zij het geluid van kwasten op papier hoorden. Harde geluiden. Hij deed de deur zachtjes open en Puffie en hij zagen grote papieren vellen waar kwasten met verf overheen gleden. Puffie kroop van schrik tussen zijn voeten. Er was niemand dan alleen de kwasten, het papier en de op-en-neergaande kwasten. De kwasten maakten kriskras-lijnen, natte en druipende lijnen en al die lijnen liepen door elkaar. Soms zag Puffie knarsetandend een gezicht erin. Honderden gezichten, kwastschilderingen, gekwast papier in grijze kleuren, veegachtige lijnen. (Doordat een kwast te weinig verf bevat.) Soms ging er een kwastje even iets anders doen, een andere richting op en dan bleven alle andere kwasten even stil in de lucht hangen. Het kwastje maakte een rondje en zo ontstond wat op een oog leek. Puffie draaide zich knarsetandend om om terug naar de kamer te gaan. Hij bleef nog lang in de deuropening staan. Omdat hij de zijn toekomst voor zich zag, als verwaande, een fat van een kwast, hikte hij: zo wil ik verder leven. Puffie begreep later, toen hij terugkeerde op de kamer, dat zijn baasje een ‘kwast’ wilde worden. Een van de honderd kwasten die hij gezien had en ook wilde hij net als die kwasten de rest van zijn leven gaan kwasten. Nee, natuurlijk geen huisschilder of een kunstenaar als van Gogh, nee hij wilde alleen maar kwasten, alles kriskras door elkaar vegen en smeren.

Negen jaar woonden ze samen. Nadat het konijn op een strenge winterse dag overleed: hij had het raam open laten staan, heeft hij nooit meer een konijn ontmoet die de trekken van Puffie had. Toen Puffie overleden was, kocht hij kwasten en begon met kwasten en strijken. Vijftig jaar heeft hij nu gekwast en gestreken. Altijd bleef hij alleen en nooit heeft hij Puffie kunnen vergeten die hem eigenlijk aan het kwasten gebracht had. 

Het is alweer 50 jaar geleden en van een Puffie mevrouw, daar is het nooit van gekomen. Soms komt er een vrouw bij hem in bed kruipen. maar dat is toch wel heel iets anders dan Puffie. Steilorig hikt hij zich een weg door de tunnel op pad naar het LICHT waar Puffie wacht.

Door al dat kwasten is hij nooit een kakkineuze kwast geworden. Beroemd ook niet. Ja, hier en daar hebben museums zijn werk gekocht of hangen zijn kwastschilderijen, tekeningen bij particulieren thuis aan de muur. Maar nooit is hij een fameuze kwast geworden, wel een ‘navelmens’ die er in verdrinken kon. Hij bleef kwasten tot zijn huisje vol gekwast was en er onmogelijk nog een schilderij bij kon. Hij kocht een groter huis.

Puffie, puf, puf, zegt hij wel eens onder het kwasten.

Robert Kruzdlo 2022 Cádiz

Taal catatonie

Ergens in blijven steken Robert Kruzdlo Tekening inkt 1978

Hoofdstuk uit het boek Kermis.

De hoofdpersoon ligt 15 jaar in coma. Dat schrijft de schrijver, maar de schrijver is de hoofdpersoon en de lezer leest mee. Wie is wie? Taalkundig klopt het niet. Toch speelt de schrijver een spel met de lezer die niet anders wil dan dat. Iemand in coma beschrijven is als een lezer die in trance verkeerd.

Zoekmethode 1.

Hij had eindelijk door de macht van de illusie heen geprikt. Nadat hij zijn ogen had geopend begreep hij niet waarom zijn herinneringen een onafzienbare woestenij lieten zien die ook voor hem lag. 

Vanaf nu speelde de wereld alleen binnen in zijn lichaam af. Tussen zijn lichaam en de werkelijke-werkelijkheid was er NIETS. Het medium zat nu alleen maar in zijn hoofd. Alle verhalen, ook de verhalen die zijn hoofd ooit gewist had, zaten in zijn hoofd. Hij hoefde niet meer te luisteren: het binnenoor luisterde en het binnenoog zag. Niet hij luisterde of keek. Fictie bestond niet meer, er was nu alleen maar het, HET brein. Zijn hoofd had immers alles gerecorderd en alles stond op film. ‘Ik ben er niet,’ kon hij niet zeggen en toch was hij zonder fictie precies dezelfde als voor de coma. 

Coma, sinds het ongeluk lag hij in coma. Toch was hij precies dezelfde persoon als voor het ongeluk. Nu kon hij nergens op reageren. Het brein kon zichzelf  uittekenen: entropie bestond niet meer. I didm’t begin until I was coma. Wie schrijft hier nu?

Onderwijl u dit leest, comateus van u zelf, in trans, aan gene zijde heeft u onderdak gevonden onder uw schedel. U hoeft niet meer te zoeken, u leest, meer is niet nodig. Dénouement…, blijft door alle gaten het lichaam de omgeving binnenstromen. Nog steeds blijven dezelfde geuren, geluiden, smaken het lichaam verlaten als poep en pis. ‘De mond, anus, neus en oren, allemaal zonder intellect,’ zegt Beckett. Alleen de stem onder de schedel spreekt, ook na de dood zal het nog dagen spreken. 

Lezer, er is nog steeds één verlammingsreflex. Ik ga u niet amuseren, ik ga choqueren.

Zoekmethode 2.

De schrijver heeft het over een hoofdpersoon die hij mogelijk zelf is. De lezer weet dat de schrijver de hoofdpersoon opvoert die in coma ligt. Het brein is de eigenaar van de schrijver en de lezer. Ze zijn zonder fictie. 

Zoekmethode 3.

Elke hersencel kent zijn tekst. Alle tekst stroomt uit de schrijver zijn vingers. De lezer zal mee moeten lezen. Trance is de enige manier om je hersens te gebruiken.

Robert Kruzdlo juli 2022

Ik herinner mij de academie als een hel en een hemel van gipsen naaktbeelden.

In de rode cirkel Robert Kruzdlo en student met zonnebril kunstcollega Rein de Lege. 1975

Twee weken boven de veertig graden. De warmte drukt op mijn ogen. De zon bijt. Ik ken de hitte van mijn reizen: Tunesië, zuid-Marokko, de Sahel en uit mijn jeugd: toen het teer van de strandhuisjes smolt. 

Spanje, waar ik sinds 2017 woon, heeft nog altijd als land iets eigendommelijks gehouden: de siësta de pauze voordat het tweede bedrijf van de dag begint. Dan zijn de straten broeierig leeg, het stof schroeit en in de schaduwen van de huizen vinden de eenzamen hun weg. 

Om negen uur s’avonds, eindelijk, verlaat ik mijn appartement. Tijd voor een wandeling door het stadscentrum. Tjirpende krekels en schemerige terrassen. Onder sinaasappelbomen drink ik wijn uit Cádiz. Plotseling verlang ik naar Der Ring des Nibelungen.

Ik vraag aan de ober een pen en papier:  “…de overdonderende herinneringen aan mijn jeugd, het hete duinzand, lege strand met hier en daar hoofden die uit een kuil staken — meestal Duitse toeristen — de helse jaren op de academie, de hitte van mijn schilderlokaal, het zwetende model en de zweterige glijpartijen van een vrijage. De naakte beelden, gipsen beelden van soms wel 5 meter hoog geven geen krimp. Waarom moet ik hier ineens aan denken? 

Op de Rijksakademie van beeldende kunsten was ik een eenling, eenzaam tussen de contacten, talentvol tekenaar en voor sommigen was ik een monstrum; dan werd er hard gelachen! ‘Pestkop, bommenkop,’ zei moeder vroeger. Eenzaam bleef ik mijzelf trouw. Ik wilde zeggenschap krijgen over mijzelf, herkenbaar voor elke student, op zoek naar de vrijheid van de kunstenaar — dat niemand je kan bijbrengen — slagen in stilte. De ander, zonder succes, opzoek naar het vrije kunstenaarschap bleef uiterst verward en zwervend van hot naar her, zoekend, ploeterend onder de ploeteraars. het waren onvergetelijke dromers en voortdurend in discussies over kunst. Aangepast aan den noden en uiteindelijk na het einde van de tunnel te hebben bereikt; verzuchten dat ze eindelijk hét licht zien, sterven in hun eigen kunstenaars-gereedschapskist.”

De enige raad die ik heb zijn mijn indrukken. 

Ik borg de notitie op en vergat wat ik geschreven had.

Ik werd iemand anders en zwierf nog lang door de stad.

Een groepje jonge vrouwen in hotpants, waaronder de plooien van hun billen rollen, dansen de flamenco; hun armen en handen draaien als kurkentrekkers in de lucht. Er wordt gelachen en ongeduldig gedronken. Het heeft iets biologisch…

Het is twee uur s’nachts. 

In bed luister ik naar Der Ring des Nibelungen.

Duree een vis op het droge.

Iemand die zijn draai niet kan vinden of daar niet thuis hoort. Foto Robert Kruzdlo.

Weer iets over Manon Uphoff en de kunstenaar.

Als je schrijft, tekent, krabbelt o.a. met een balpen dan bevindt de kunstenaar zich niet in een lineaire tijd maar in een ‘duree’, in een tijd die in de breedte groeit, onophoudelijk naar alle kanten toestroomt. (Tussenmens.) Het brein neemt je in de maling en de kunstenaar moet er maar uit zien te komen. Lineair gerangschikte tijd maakt het mogelijk gebeurtenissen in de context van tijd te plaatsen maar, een duur van een creatief proces ‘duree’ heeft ook die potentie. ‘Manon Uphoff zegt in een interview: De essentie van een goed verhaal, of gedicht, of roman is dat je nog verder kunt gaan, of terug, of omhoog. Dat er ruimte is. (Duree rk) (…) Het verruimt mijn leven. Enorm.’ 

Het ‘toestromen’ door HET je eigen te maken moet de kunstenaar met de billen bloot. En helaas dat doet zij/hij vaak met een gereedschapskist. (Ook iets dat Manon niet zo prettig vindt: Die gereedschapskist ben ik niet.) Uiteindelijk zal de kunstenaar op het einde van zijn leven te weten komen dat hij in een tunnel leefde. Zij ziet het licht op het einde van de tunnel…

Picasso’s laatste schilderijen tonen modellen die geen handen meer hebben. De huid verkopen, voordat men de beer geschoten heeft, gaat steeds weer voor de kunstenaar op. Er stroomt bloed uit de pols. De huid is duur verkocht. De lineaire tijd heeft hen ingehaald.

Schrijven is duree, het boek is stilstand. Een hele vrucht eten gaat niet. Maar,… die vrucht zit wel in je brein. Denk ik!

.

Manon Uphoff lang gesprek VPRO

Robert Kruzdlo 2022