Wie of wat is iemand echt?

Schilderij Robert Kruzdlo Neuroart 1987

‘Wie is iemand echt? Hoeveel lagen moet je van iemand afpellen totdat je bij de kern terecht komt? (Terechtkomt. rk) Zijn wij als matroesjka’s, met een kleinste poppetje in ons hart, of als uien, met alleen maar steeds weer nieuwe rokken? Of, zijn we, (…) alleen maar buitenkant, gemaakt door de omstandigheden, de verlangens en de projecties van anderen?’

(Zie Neerlandistiek.)

Antwoord:

‘Wat is iemand echt? Bij het uienpellen moet ik huilen. Bij matroesjka’s poppetjes denk ik aan de inhoud van het kleinste poppetje: lucht. Of zit er een demiurg mannetje in ons hoofd die vanuit ongeordende materie, uit miljarden neurodraden alles regelt? Of zijn we materie: cellen die kunnen nadenken, neuronen die stilletjes alles regelen, organen, spieren met daaromheen een huid?

Wat doet die huid?

De literaire zegeningen verdwijnen als de schrijver-kunstenaar geen antwoord heeft op wat we zijn. Alles raakt verloren. De tijd verstrijkt en de persen blijven maar draaien; nog weten we niet wie of wat we echt zijn.

Je krijgt er de vinger niet achter.

Wat een mens is blijft onbeantwoord. De mens blijft een anoniem wezen zonder een ik, en, mag hij dromen dat hij een ik heeft? Het geloof is zo krachtig, vooral in de literatuur dat zonder die ik geen literatuur bestaat. De literatuur bevat geen waarheden alleen opvattingen die de meeste in de praktijk moeiteloos hanteren.

Wie is iemand echt: Weten dat je nooit precies weet waar mee je aan het werk bent.

Wat is iemand echt: Een lichaam vol zelfdenkende cellen, -neuronen en -organen waarmee je iemands leven mag verpesten. Of is er nog hoop? 

Robert Kruzdlo Cádiz 2022

Wat, als iets kunst kan zijn?

Terugverlangen naar de moederbuik.

Het lichaam als ding een noumenon?

In het beginnen waren we man en vrouw, ‘vrouwman,. Dat zie je aan de balzak van de man die een vrouwelijk begin heeft gemaakt. Op het moment dat de zelfdenkende cellen, neuronen beslissen om er een manelijk geslacht van te maken, groeien de schaamlippen aan elkaar en vormen een scrotum: dat is te zien door een vleselijke lasnaad, een omhoogstaand, in de lengte lopende huidlijn.

Ik droom vaak over het moment dat ik nog geen scrotum had. Vreemd maar waar. Ik loop, in mijn droom zonder geslacht rond en, op een gegeven moment plak ik het mannelijk geslacht terug op de plaats waar het heeft gezeten.

Ik loop altijd achter mijn testikels aan, haal ze nooit in en als ik ergens kom, is eerst mijn slurfje binnen voor ik mijn hand uitsteek om iemand te begroeten. Een paar slagaderen zorgen ervoor dat het slurfje ergens naar binnen wordt getrokken. Wat een verstand!

De schepper kan veel bedoeld hebben, maar de voortplantingscellen hebben waarschijnlijk meer verstand dan HIJ en gelukkig zijn de haploïde cellen zo verstandig het erfelijk materieel te gebruiken om het soort voort te laten leven.

In Slo Mo-films van Bruce Nauman: Black Balls, Bouncing Balls, Pulling Mouth en Gauze, is goed te zien hoe een man naar zijn ballen wil kijken, zonder te weten wat zich daar precies afspeelt en geen enkel begrip heeft van de zelfdenkende cellen, neuronen, bloedvaten. (Wat is kunst? Een inconsequente manier van kijken?)

Manon Uphoff’s beschrijvingen van de scrotum — mannelijk geslacht — zijn wel erg summier. Het mannelijk geslacht wordt van de buitenkant bekeken. Zij beschrijft het als een ding en niet als een zelfdenkende organisme, los van het individu, de man. (Het lichaam.)

Een vrouw zit op haar geslacht, daar kan het heel warm worden, een broeikast zelfs; lekkende vochtige opening. Opnieuw een summiere beschrijving. Is hiermee ook het verschil van het ding en het zelfdenkende ding beschreven?

De natuur wikt en weegt, wij kunnen alleen haar dragen met het weinige verstand dat we hebben.

Een schrijver schreef: Hij nam mij mee naar de behandelend uroloog (…) om naar mijn ‘zwangere’ scrotum te kijken (…) misschien een opspelend gezwel…

Zie hier de man met zijn biologische erfenis. Literatuur kent alleen onkenbare dingen. Troost is de enige hoop op leven.

Robert Kruzdlo 2022

KIRAC 3

Hongaarse fotograaf denkt gevloerd na.

De grootste vrijheid die je als kunstenaar kunt krijgen is door je aan niemand te storen dan,… alleen aan jezelf. Onafhankelijk en je door niemand te laten piepelen. Het paradoxale is wel, dat de kunstenaar-schrijver uit voorbeelden die zij/hij heeft, haar eigen ruïne creëert. 

Dat vrijheid de “kunst van het falen” is.

Vroeg in je leven falen, maakt van iemand een groot kunstenaar. Falen is altijd afhankelijk van de hoeveelheid krenkingen…

Durven te falen — KIRAC woke-denken — durven een offer te brengen betekent dat je met héél je offer ten onder gaat. Schrijven dus! (Niet schrijven als je het niet kan.)

Als ik ooit iets was geweest, denk ik nu, was het nooit wat geworden. Wat kan worden weet ik niet en wat ik niet weet, kan nog altijd komen. Dus, blijven schrijven.

Ik ben er nog niet, ben er niet, nog niet, niet?

Baby Sweet

Sandwich with

warm meat.

I’m looking for knowledge

wiht heaps of onions

to grow old together.

Exit no objection.

Dit ging allemaal door mijn kop toen ik een stukje Atlantische tonijn wilde kopen. Mijn buurman een Hongaarse fotograaf betrapte mij — verdorie ik vergeet steeds zijn naam — en zijn naar een oud café a La Feria gegaan. Ik schonk hem mijn boek (…) en natuurlijk moest hij er iets inschrijven. Plots zei hij dat hij moest nadenken en ging op de vloer liggen. (Hij had dit natuurlijk van mij. Zie Digitaal Museum.) Hij stond erop dat ik hem moest fotograferen.

En zo ging er weer een stroperige dag voorbij. Ik vergat de tonijn en viel, nadat ik een versje had geschreven — zie boven — in slaap.

Hongaarse fotograaf met boek van Robert Kruzdlo TUSSENMENS

Kirac geklets 2

Schilderijen Robert Kruzdlo: IK BEN ER NIET.

‘We tell ourselves stories in order to live’, hoorde ik laatst. 

Laatst ving ik flarden van een gesprek op. Een lijzige sprekende man, luisterde met een engelengeduld naar een non-stop-rokende man, die nogal besmuikt zijn verhaal deed. De non-stop-rokende man zat niet stil. Het been dat over het andere been heengeslagen was wipte regelmatig op en neer: of hij iemand een schop wilde geven — misschien wel de ideeën die hij had. Hij maakte besmuikt gebruik van de engel…, die soms de advocaat van de duivel speelde: een embleem van onvermogen, versterkt door een overdosis aan goede wil. (Elckerlijc.) De man die de filtersigaret nooit helemaal oprookte leek mij verward en helder tegelijk. Als hij de filtersigaret had uitgedrukt stak hij meteen weer een nieuwe sigaret op. Hij rookte zich de kanker. De man met engelengeduld die in een soort metafysische extase verkeerde: het effect van paddo’s misschien, zei: Ik had altijd vrij willen zijn. Ik weet niet waarom. Ik weet ook niet wat dat wil zeggen, vrij zijn…, in mijn hoofd zoek ik, zoek ik wat ik nu precies bedoel. Daarbij plaatste hij regelmatig zijn rechterhand gekluisd in zijn linkerhand: alsof hij iets of iemand een uppercut wilde geven. De man die zijn gezicht achter wolken rook verborg was een modernistische vernieuwer, een kunstcriticaster, honds en een egotripper, maar een voorspelbare fascistische vernieuwer: connoisseur of catastrophe. De lijzige man was duidelijk zijn maatje, droeg hem op een schild van waarachtigheid en als hij iets vroeg, de tijd die een vraag nodig had, duwde de filterman zijn sigaret in de asbak en stak een nieuwe op. Ondertussen bewoog hij nu zijn andere been op-en-neer. Ik luisterde naar hun gesprek. (Zie foto.) Het was zeker géén Ischa Meijer gesprek, dachten zij misschien?

‘Kun je de vraag herhalen,; vroeg de lijzige en nam een slokje water.

‘Mensen zijn coping verslaafd, maar ze brengen geen offers om een goed gesprek te houden. Ze zijn er niet. Lichamelijk ja. Ze kunnen net zo goed zeggen: Ik ben er niet.’

‘Ik wil alle lagen van de gevoelens leren kennen,’ slist de lijzige en propte zijn rechter gebalde vuist in zijn linker geopende hand.

‘Mensen die lekker gezellig lullen willen geen offers brengen en niet rouwen, weet je, het gaat om het totale zelf, weet je.’

‘Mensen verschuilen zich achter hun huid, maskeren, sluier-lichamen, kom eens naar buiten denk ik dan.’

‘Het zijn hermetische psychopaten, van het ene op het andere moment kunnen ze veranderen. Net als een kind dat huilt. Geef hen een snoepje en hij is stil. Doe een jankend kind na en hij huilt niet meer. We moeten die gasten buiten hun lichaam trekken, eruit roep ik dan, eruit jij, ik ransel je uit je lichaam.’ Hij, ja die daar, wreef de sigaret tussen zijn vingers stuk. De ander nam een slokje water. 

Ik zag twee hermetische psychopaten in gesprek. Een non-stop-rokende pestkop, de ander luisterde lijzig met een gebalde vuist, evenwichtig in de zinnen die hij sprak. Eigenlijk kwam ik niets te weten van hen. Zoals je van psychopaten ook niets te weten komt. Wat je ook vraagt, je krijgt nooit antwoord. Aan Body language genoeg?

‘Ik was bezig in mijn hoofd,’ zei de lijzige, ‘wat is dat toch, dat mensen weer terug in de kast duiken? Uit de kast in de kast?’

‘Alle kwalijke kunstgedachten zitten in het lichaam, het houdt de kunst bijeen, een lichaam is een zak met water waarboven geesten drijven.’

‘In mijn hoofd rolleert alles, wisselt steeds weer, daar ben ik mee bezig.’

‘Wij vullen onze lichamen,’ zegt de filter man, ‘met onbevredigende culturen. Body movements, the things we don’t say…’ 

‘Soms ben ik mijn lichaam niet waard,’ zei de vuistige.

‘Wat niet allemaal in mijn lichaam wordt verspreid? Al die stofjes. Ik ken ze niet,’ zegt de kettingrokende!

‘Wat weten we nouw…, eigenlijk?’ Hij zei: NOUW.

Na een slokje water: ‘Niet veel.’

‘Dan weten we dus niets.’ Hij dronk in een teug zijn glas bier leeg en stopte meteen een peuk in zijn mond.

Beneden begon een orkestje te spelen. Cello en twee violen. Ze speelden Leonard Cohen HALLELUJAH. Ik neuriede mee. Nu verstond ik de lijzige en filtersigaret rokende niet meer goed.

‘…vecht, je vecht tegen de cultuur.’

‘…cultuur is onbevredigend genieten.’

‘…honds, ik ben honds, …KIRAC, ken je KIRAC…, 

Ik boog over het balkon en … hoor…,: We moeten de vijand omarmen. Ineens moest ik aan een echte kunstenaar denken.

.

Klik op:

Kirac 1

Tussenmens Robert Kruzdlo: Wat is een kunstenaar.

Robert Kruzdlo 2022 Cádiz

Konijn Puffie had hem aan het kwasten gebracht.

Puffie schilderij 1978-2022 Robert Kruzdlo

Dit modern sprookje, waarvan ik al in 1978 de eerste regels had geschreven, vertelt dat kunstenaars zichzelf maar aan één stijl kunnen binden en er nooit in slagen om in een andere stijl te werken. Je kunt er stinkend rijk door worden. Maar wat is een vrij kunstenaar dan? Ik denk: ’Zij die durven van stijl te veranderen, zullen ondervinden hoe rijk het onder hun schedel is.’

Genetisch lukt dat bij bijna alle kunstenaars NIET. Hiervan een voorbeeld. 

De enige relatie die hij in zijn leven toestond was met een enorm wit konijn. Het konijn luisterde naar zijn naam Puffie en kon op commando een boomtak terugbrengen. Soms voetbalde hij met het konijn. Hij en het konijn woonden negen jaar op een sobere kamer ergens aan de rand van de stad. In de wijk woonden stille mensen, doodverlegen mensen, lege mensen die geen enkel initiatief namen om andere mensen, buiten de stille wijk, te ontmoeten. Er was een verenigingsgebouw waar geregeld bijeenkomsten werden georganiseerd. Op die bijeenkomsten zeiden de mensen niets. Ze maakten wel geluiden, bijvoorbeeld dan floot iemand en dat betekende dat hij blij was. Soms haalde iemand hoorbaar adem of blies iemand hard zijn longen leeg, kreunde iemand of maakte een zachte lange toon. Dat betekende van alles maar, als een lang geluid bijna onhoorbaar tussen de bijna gesloten lippen verliet, dan betekende dat dat de persoon somber was. En zo waren er nog vele tonen, zuchten en scheten. Er was een persoon die altijd hikte. En als hij hikte, de ‘hiklach’ had kon iedereen zien wat hij dacht. Hij keek dan naar de grond, waarom wist niemand, terwijl zijn schouders hikten zo van, ha ha ha ha, dit is om je kapot te hikken. De ander bromde wat en uit dat gebrom kwam vaak de vraag: jouw ‘hiklach’ is anders vandaag. Nee, taal werd er nooit gesproken. 

Het konijn leek op een hond. Toch was het meer een konijn dan een hond. Het beest, groter dan een tackel kon zomaar de poot van een stoel kapot knagen — om zijn tanden te scherpen — en hij kon met zijn achterpoot zo hard op de houten vloer stampen dat de kopjes en bordjes op de aanrecht trilden. 

Op een dag, het was bloedheet, was het konijn uit zijn kamer ontsnapt. Hij zocht overal tot hij iets op zolder hoorde. Het konijn had een geheime doorverbinding gevonden, een klein luikje dat toegang gaf tot een naastgelegen onbewoond huis. Hij kroop het konijn achterna en omdat het donker was en hij geen hand voor zijn ogen kon zien ging hij terug naar zijn kamer om een zaklantaarn te halen. Hij volgde de bundel licht, achter de schaduw van Puffie aan. Puffies  lange oren raakten de grond en hij scheen leven te bespeuren. Zijn neus wipte op en neer.

Ze daalden allebei de trappen af tot ze achter een deur zagen — er scheen licht door het sleutelgat — waarachter zij het geluid van kwasten op papier hoorden. Harde geluiden. Hij deed de deur zachtjes open en Puffie en hij zagen grote papieren vellen waar kwasten met verf overheen gleden. Puffie kroop van schrik tussen zijn voeten. Er was niemand dan alleen de kwasten, het papier en de op-en-neergaande kwasten. De kwasten maakten kriskras-lijnen, natte en druipende lijnen en al die lijnen liepen door elkaar. Soms zag Puffie knarsetandend een gezicht erin. Honderden gezichten, kwastschilderingen, gekwast papier in grijze kleuren, veegachtige lijnen. (Doordat een kwast te weinig verf bevat.) Soms ging er een kwastje even iets anders doen, een andere richting op en dan bleven alle andere kwasten even stil in de lucht hangen. Het kwastje maakte een rondje en zo ontstond wat op een oog leek. Puffie draaide zich knarsetandend om om terug naar de kamer te gaan. Hij bleef nog lang in de deuropening staan. Omdat hij de zijn toekomst voor zich zag, als verwaande, een fat van een kwast, hikte hij: zo wil ik verder leven. Puffie begreep later, toen hij terugkeerde op de kamer, dat zijn baasje een ‘kwast’ wilde worden. Een van de honderd kwasten die hij gezien had en ook wilde hij net als die kwasten de rest van zijn leven gaan kwasten. Nee, natuurlijk geen huisschilder of een kunstenaar als van Gogh, nee hij wilde alleen maar kwasten, alles kriskras door elkaar vegen en smeren.

Negen jaar woonden ze samen. Nadat het konijn op een strenge winterse dag overleed: hij had het raam open laten staan, heeft hij nooit meer een konijn ontmoet die de trekken van Puffie had. Toen Puffie overleden was, kocht hij kwasten en begon met kwasten en strijken. Vijftig jaar heeft hij nu gekwast en gestreken. Altijd bleef hij alleen en nooit heeft hij Puffie kunnen vergeten die hem eigenlijk aan het kwasten gebracht had. 

Het is alweer 50 jaar geleden en van een Puffie mevrouw, daar is het nooit van gekomen. Soms komt er een vrouw bij hem in bed kruipen. maar dat is toch wel heel iets anders dan Puffie. Steilorig hikt hij zich een weg door de tunnel op pad naar het LICHT waar Puffie wacht.

Door al dat kwasten is hij nooit een kakkineuze kwast geworden. Beroemd ook niet. Ja, hier en daar hebben museums zijn werk gekocht of hangen zijn kwastschilderijen, tekeningen bij particulieren thuis aan de muur. Maar nooit is hij een fameuze kwast geworden, wel een ‘navelmens’ die er in verdrinken kon. Hij bleef kwasten tot zijn huisje vol gekwast was en er onmogelijk nog een schilderij bij kon. Hij kocht een groter huis.

Puffie, puf, puf, zegt hij wel eens onder het kwasten.

Robert Kruzdlo 2022 Cádiz

Taal catatonie

Ergens in blijven steken Robert Kruzdlo Tekening inkt 1978

Hoofdstuk uit het boek Kermis.

De hoofdpersoon ligt 15 jaar in coma. Dat schrijft de schrijver, maar de schrijver is de hoofdpersoon en de lezer leest mee. Wie is wie? Taalkundig klopt het niet. Toch speelt de schrijver een spel met de lezer die niet anders wil dan dat. Iemand in coma beschrijven is als een lezer die in trance verkeerd.

Zoekmethode 1.

Hij had eindelijk door de macht van de illusie heen geprikt. Nadat hij zijn ogen had geopend begreep hij niet waarom zijn herinneringen een onafzienbare woestenij lieten zien die ook voor hem lag. 

Vanaf nu speelde de wereld alleen binnen in zijn lichaam af. Tussen zijn lichaam en de werkelijke-werkelijkheid was er NIETS. Het medium zat nu alleen maar in zijn hoofd. Alle verhalen, ook de verhalen die zijn hoofd ooit gewist had, zaten in zijn hoofd. Hij hoefde niet meer te luisteren: het binnenoor luisterde en het binnenoog zag. Niet hij luisterde of keek. Fictie bestond niet meer, er was nu alleen maar het, HET brein. Zijn hoofd had immers alles gerecorderd en alles stond op film. ‘Ik ben er niet,’ kon hij niet zeggen en toch was hij zonder fictie precies dezelfde als voor de coma. 

Coma, sinds het ongeluk lag hij in coma. Toch was hij precies dezelfde persoon als voor het ongeluk. Nu kon hij nergens op reageren. Het brein kon zichzelf  uittekenen: entropie bestond niet meer. I didm’t begin until I was coma. Wie schrijft hier nu?

Onderwijl u dit leest, comateus van u zelf, in trans, aan gene zijde heeft u onderdak gevonden onder uw schedel. U hoeft niet meer te zoeken, u leest, meer is niet nodig. Dénouement…, blijft door alle gaten het lichaam de omgeving binnenstromen. Nog steeds blijven dezelfde geuren, geluiden, smaken het lichaam verlaten als poep en pis. ‘De mond, anus, neus en oren, allemaal zonder intellect,’ zegt Beckett. Alleen de stem onder de schedel spreekt, ook na de dood zal het nog dagen spreken. 

Lezer, er is nog steeds één verlammingsreflex. Ik ga u niet amuseren, ik ga choqueren.

Zoekmethode 2.

De schrijver heeft het over een hoofdpersoon die hij mogelijk zelf is. De lezer weet dat de schrijver de hoofdpersoon opvoert die in coma ligt. Het brein is de eigenaar van de schrijver en de lezer. Ze zijn zonder fictie. 

Zoekmethode 3.

Elke hersencel kent zijn tekst. Alle tekst stroomt uit de schrijver zijn vingers. De lezer zal mee moeten lezen. Trance is de enige manier om je hersens te gebruiken.

Robert Kruzdlo juli 2022

Ik herinner mij de academie als een hel en een hemel van gipsen naaktbeelden.

In de rode cirkel Robert Kruzdlo en student met zonnebril kunstcollega Rein de Lege. 1975

Twee weken boven de veertig graden. De warmte drukt op mijn ogen. De zon bijt. Ik ken de hitte van mijn reizen: Tunesië, zuid-Marokko, de Sahel en uit mijn jeugd: toen het teer van de strandhuisjes smolt. 

Spanje, waar ik sinds 2017 woon, heeft nog altijd als land iets eigendommelijks gehouden: de siësta de pauze voordat het tweede bedrijf van de dag begint. Dan zijn de straten broeierig leeg, het stof schroeit en in de schaduwen van de huizen vinden de eenzamen hun weg. 

Om negen uur s’avonds, eindelijk, verlaat ik mijn appartement. Tijd voor een wandeling door het stadscentrum. Tjirpende krekels en schemerige terrassen. Onder sinaasappelbomen drink ik wijn uit Cádiz. Plotseling verlang ik naar Der Ring des Nibelungen.

Ik vraag aan de ober een pen en papier:  “…de overdonderende herinneringen aan mijn jeugd, het hete duinzand, lege strand met hier en daar hoofden die uit een kuil staken — meestal Duitse toeristen — de helse jaren op de academie, de hitte van mijn schilderlokaal, het zwetende model en de zweterige glijpartijen van een vrijage. De naakte beelden, gipsen beelden van soms wel 5 meter hoog geven geen krimp. Waarom moet ik hier ineens aan denken? 

Op de Rijksakademie van beeldende kunsten was ik een eenling, eenzaam tussen de contacten, talentvol tekenaar en voor sommigen was ik een monstrum; dan werd er hard gelachen! ‘Pestkop, bommenkop,’ zei moeder vroeger. Eenzaam bleef ik mijzelf trouw. Ik wilde zeggenschap krijgen over mijzelf, herkenbaar voor elke student, op zoek naar de vrijheid van de kunstenaar — dat niemand je kan bijbrengen — slagen in stilte. De ander, zonder succes, opzoek naar het vrije kunstenaarschap bleef uiterst verward en zwervend van hot naar her, zoekend, ploeterend onder de ploeteraars. het waren onvergetelijke dromers en voortdurend in discussies over kunst. Aangepast aan den noden en uiteindelijk na het einde van de tunnel te hebben bereikt; verzuchten dat ze eindelijk hét licht zien, sterven in hun eigen kunstenaars-gereedschapskist.”

De enige raad die ik heb zijn mijn indrukken. 

Ik borg de notitie op en vergat wat ik geschreven had.

Ik werd iemand anders en zwierf nog lang door de stad.

Een groepje jonge vrouwen in hotpants, waaronder de plooien van hun billen rollen, dansen de flamenco; hun armen en handen draaien als kurkentrekkers in de lucht. Er wordt gelachen en ongeduldig gedronken. Het heeft iets biologisch…

Het is twee uur s’nachts. 

In bed luister ik naar Der Ring des Nibelungen.

Duree een vis op het droge.

Iemand die zijn draai niet kan vinden of daar niet thuis hoort. Foto Robert Kruzdlo.

Weer iets over Manon Uphoff en de kunstenaar.

Als je schrijft, tekent, krabbelt o.a. met een balpen dan bevindt de kunstenaar zich niet in een lineaire tijd maar in een ‘duree’, in een tijd die in de breedte groeit, onophoudelijk naar alle kanten toestroomt. (Tussenmens.) Het brein neemt je in de maling en de kunstenaar moet er maar uit zien te komen. Lineair gerangschikte tijd maakt het mogelijk gebeurtenissen in de context van tijd te plaatsen maar, een duur van een creatief proces ‘duree’ heeft ook die potentie. ‘Manon Uphoff zegt in een interview: De essentie van een goed verhaal, of gedicht, of roman is dat je nog verder kunt gaan, of terug, of omhoog. Dat er ruimte is. (Duree rk) (…) Het verruimt mijn leven. Enorm.’ 

Het ‘toestromen’ door HET je eigen te maken moet de kunstenaar met de billen bloot. En helaas dat doet zij/hij vaak met een gereedschapskist. (Ook iets dat Manon niet zo prettig vindt: Die gereedschapskist ben ik niet.) Uiteindelijk zal de kunstenaar op het einde van zijn leven te weten komen dat hij in een tunnel leefde. Zij ziet het licht op het einde van de tunnel…

Picasso’s laatste schilderijen tonen modellen die geen handen meer hebben. De huid verkopen, voordat men de beer geschoten heeft, gaat steeds weer voor de kunstenaar op. Er stroomt bloed uit de pols. De huid is duur verkocht. De lineaire tijd heeft hen ingehaald.

Schrijven is duree, het boek is stilstand. Een hele vrucht eten gaat niet. Maar,… die vrucht zit wel in je brein. Denk ik!

.

Manon Uphoff lang gesprek VPRO

Robert Kruzdlo 2022 

Neerlandistiek: Dit is mijn lichaam dit is mijn mijn woord.

Een nieuwe tekening op Neerlandistiek. Klik hier. Er is veel meer op de website Neerlandistiek te vinden. Soms reageer ik op een collum: ‘IK’ is een spinachtige die een web maakt tussen de (werkelijke) werkelijkheid en het breingebeuren. (Tussenmens.) Je kunt ook, in plaats van ik, het woordje ‘HET’ gebruiken. Het denkt, het voelt etc. Het doet het etc. Misschien lees je nu een comateuze situatie: Een comateuze patiënt ligt met de ogen gesloten en kan grimasseren of terugtrekken op een pijnprikkel, maar lokaliseert niet, maar een schrijver doet niet anders. Als kunstenaar doe je niets anders dan uit de gevangenis van taal te ontsnappen en erin terugkeren. Manon heeft als kind dit snel doorgehad.

Interessant is de serie over Manon Uphoff

..

Vrouwen, ze tetteren nog in mijn oren.

Ik hoor hier niet thuis, ik ben geen antroposoof.

Ik ben Manon Uphoff niet.

Uit het boek de Kolonel:

Antroposofie, zeg ik luid, de Kolonel schrikt. U gebruikt wetenschap om het “onzichtbare zichtbaar en het onhoorbare hoorbaar” te maken? U bent op zoek naar het etherlichaam, maar dat heeft de wetenschap al opgelost.

Ik heb, zegt de Kolonel, ergens onder de schedel een plekje gevonden waar nieuwe neuronen worden aangemaakt. Hij zucht. Nieuwe neuronen om herinneringen vast te houden en elke seconde opnieuw. Nee, het heeft niets met een zelf, een geest of-zo-iets te maken: het gaat vooraf aan een zelf, een geest of een ik. De anatomie vóór een zelf bestaat. Je kunt er met taal niet komen. (De Kolonel is neurowetenschapper en kan door een plakje hersens met een computer te verbinden stemmen horen die in dat deel ooit zijn opgeslagen.) 

Waarom geloven mensen dat ze zich kunnen redden door taal?

De Kolonel kijkt mij vragend aan: Niet jij komt als eerste iets meer te weten van jezelf, maar de hersenen met de stille stem. Meer dan jij ooit zou kunnen beschrijven en beschouwen. Je blijft dat kind van veertien maar als een volwassen. Je ‘was’ en je bent ‘nu’… Nu en toen…hier en nu, hechtend aan het verleden.

Dus wat je denkt te weten over die zogeheten zelf is allemaal fictie?

Ja, ja en nog eens ja. Schrijvers zijn “destroyers of worlds” want in die werelden kun je niet leven. Die, hoe heet ze ook alweer…, ik ben haar naam vergeten, waar zitten die neuronen in mijn kop, die vrouw die nog altijd veertien blijft én volwassen, godnogaantoe, nee…nee…ik kom er niet op, die zei: Door te zijn wie je bent, door je eigen wereld onder ogen te zien, je eigen verhaal en geschiedenis onder woorden te brengen vernietig je een geschiedenis. Maar dan op een manier die moet helen, zegt ze? Ik kan het niet meer volgen. Jij?

Ja. De hersenen, het lichaam wil in balans zijn, helen zich als dat moet. De geest, of noem iets anders, wordt ertoe aangezet om mee te werken. Het lichaam, de hersenen doen het voorwerk. We hebben een herstellend vermogen op basis van de natuur, de biologie. Misschien moeten we het lichaam bevrijden van de literatuur en de kunst. We moeten een nieuw naturalisme bedenken. Nietzsche schreef: Het geloof in het lichaam is fundamenteler – dat heb ik liever – dan het geloof aan de ziel. Het lichaam is de bron van de ideeën. Als de mens denkt is hij een leugenaar. Is hij fictie. Het lichaam vindt het oeuvre van de schrijver uit. Een geduldig aanzwellen van stille stemmen onder het schedeldak die het lichaam oproepen tot schrijven en het ondraaglijk wordt als de schrijver er geen gehoor aangeeft. 

De Kolonel loenst. Knijpt zijn ogen dicht en drinkt zijn glas leeg. Hoe vergroot ik mijn vrijheid, zoals de stille stem van mij wil?

Aj…ha, nu weet ik het weer “Manon Uphoff” proost.

Mijn schedeldak.

Robert Kruzdlo Kathedraal Sevilla Spanje. 2022 juli

De navelstaarder

New Yorks café 1975 Vader en zoon Robert Kruzdlo pleisterplaats.

De navelstaarder

De Kolonel*: Een stille stem ergens ver weg in mijn hoofd, maar zo dichtbij en toch, onbereikbaar… Ik kan de stille stem onmogelijk zien, maar het vertelt mij wat ik moet doen. Het komt vanonder mijn schedel vandaan, uit grijze kronkelige hersenmassa, een klomp vet neuronen en via mijn bloedbanen, spieren, beweegt het mijn botten. De stille stem onder de schedel, het dak van het lichaam, zegt dingen niet uit mijn naam. Het geeft mij wel mogelijkheden om er iets mee te doen. Er liggen onder mijn schedel genoeg ongebruikte neuronen, duizenden, miljoenen, miljarden zonder dat ik weet wat ik ermee wil gaan doen. Vaak doe ik er iets mee: lezen bijvoorbeeld. Maar wat is lezen? De hoeren hier om de hoek lezen iets anders dan ik en ik weer iets anders dan anders. Ik mag de stille stem gebruiken, dat zegt mij de stille stem. Maar ik hoor haar niet. Ze trommelt niet tegen mijn trommelvliezen. Maar hoe doet ze het? Dat weet niemand. Ik heb het nergens gelezen hoe die stille stem te werk gaat. Jij?

Je kunt het niet lezen, zeg ik.

De Kolonel kijkt mij teleurgesteld aan. Hij opent een nieuwe fles whisky ‘The Macallan Sherry Oak 12 Years’ zucht en schenkt mij bij. Gaat met een plof op zijn zetel zitten.

Hoe vergroot ik mijn vrijheid, zoals de stille stem in mij? (Gekke zin die ik laat staan.) Dit zeg IK niet, dit zegt mijn stille stem. Ik hoor haaaar niet, wat is luisteren dan? We lezen allemaal, maar wat is lezen. Wat ik precies schrijf weet ik niet, en wat u leest weet ik ook niet. Als ik schrijf schrijf ik tegelijk met mijn stille stem, word ik verbeterd door de stille stem. Wat staat er dan eigenlijk? Je hebt er geen voorstelling van wat aan dit schrijven is voorafgegaan. Wat is schrijven? Door de stille stem aangespoord — de Kolonel laat een korte harde scheet — om dit allemaal op te schrijven lees jij, u, lezer, niet wat er staat? Of toch wel. Sir Eastvillage zegt dat het lichaam spreekt door die stille stem, een geest, dat talig is. Maar weet je, beste Só, ik geloof hierin omdat het een geloof is, is het net zo goed waar als alle andere beweringen: taal is de boodschapper van een niet bestaande wereld die ronddart als de…een werkelijkheid. Wat weten we van de werkelijkheid? Alleen de wetenschap kan ons daar uitsluitsel van geven. En als die een antwoord heeft is het géén vraag meer.

De Kolonel legt zijn hoofd op zijn armen. 

Ik zeg: ik ben net als u de onbevlekte ontvangenis van de biologische, fysische, neuro-art literatuur die ten koste van de vrijheid van de stille stem, als boodschapper, altijd slecht nieuws brengt: kijk maar om je heen. Het goede nieuws komt van de wetenschap. De rest is geloof. Schrijven, lezen en geest is het domein van geloof. 

De Kolonel schenkt bij. Ik moet oppassen niet dronken te worden.

Je bedoelt, zegt de Kolonel, eerst moet de stille stem spreken dan kom ik. Ik wordt aangespoord om te schrijven en te spreken over iets dat ik niet ken. De geest, neuronen waarvan ik miljarden heb, miljarden ongebruikte neuronen die ik mag gebruiken om een wil te hebben, — ik zeg het misschien niet goed — neuronen die ik, zonder te weten hoe, aan elkaar knoop en mij de idee van een vrije wil geeft. Zonder die (ver)knoping geen vrije wil van: doe eens wat. 

Wat ik doe weet ik niet, door te doen kom ik erachter, waarachter weet ik niet. Ik knoop dus een paar miljoen aan elkaar en begin, de verbindingen slagen. Ik schrijf, lees en componeer een verhaal — en u luistert en leest dit nu ook. Ik ben geslaagd als u het begrijpt zonder dat u begrijpt hoe het er in uw hoofd toegaat. Dit heet CONATUS. Filosofen hebben honderd jaren zich een gompus gedacht over CONATUS, maar nu leest u hoe simpel eigenlijk deze materie is want materie is het: het zijn de stille neuronen. Aan elkaar verbonden miljoenen strengen genie, elektriciteit en chemische stofjes. Door de stille stem word ik hierop gewezen. 

Ik onderbrak de Kolonel: Ik werd vanochtend wakker en ja, daar was een verhaal zonder dat ik er iets voor moest doen. Dit snapt iedereen wel. Een verhaal dat ik zweefde als een ster in het heelal. Misschien hebben we wel een planetair bewustzijn.

Kolonel: Maar nu aan het werk. Die filosofen hebben tevergeefs nagedacht. Ze hadden dit, wat ik je verteld heb, allang kunnen weten. Het is mogelijk te geloven dat we een goed leven leiden, maar in werkelijkheid in een kritieke staat van wanhoop verkeren? Wanhoopsfilosofie, Aziatische mystiek, Griekse cynici en noem maar op. Als je niet alles weet weet je niets, vandaar die stille stem. 

U, lezer knoopt gewoon neuronen aan elkaar. Onbewust, oké. U hoeft er niets voor te doen en wat u precies doet weet u ook niet. U moet de meest ongelukkige mens op aarde zijn, de aarde ook ,en, het hele heelal met u. Misschien hebben we allemaal, beste Só een James Webb telescoopgeest of bewustzijn die oneindig dichtbij is. Fijn? Gewoon de eindjes aan elkaar knopen. Stille stem, geest, verstand en de mens denkt. Maar geen van deze drie bent U. U bent HET. HET. Ja HET. Wie niet alles weet weet niets, zeg ik u nogmaals. Door mijn stille stem ben ik. Ik wie is dat dan?

De Kolonel buigt voorover, hij trekt zijn hemd uit zijn broek, kijkt naar…, dan in zijn navel, staart erin en hij ziet hoe groot de wond wordt waaruit hij geboren is.

Ik zie een plas urine onder de Kolonel zijn stoel. Mijn vader piste vroeger ook in zijn broek. Ik stond met hem in een café in New York en nadat hij geprobeerd had in een spuugbak te pissen, wat niet lukte, liet hij de urine de vrije loop. (1975)

.

Robert Kruzdlo, uit het boek De Kolonel.

*Kolonel Beckett, zijn voorouders waren lieutenant Walter R. Beckett, second lieutenant Thomas A. Beckett, Leeds Engeland ergens rond 1842

Madonna & Basquiat 1 miljoen $

Jean-Michel Basquiat.

1985 New York. Mijn vader kocht, nee liever gezegd, kreeg een kunstwerk omdat hij loopdiensten voor de kunstenaar deed. In Manhattan deed hij voor verschillende bedrijven, particulieren, loopwerk. Post brengen, van kantoor naar kantoor, pakketjes en soms zo klein dat hij het in zijn voering van zijn jas kon steken. Hij verdiende genoeg om bij de paardenrace vijfduizend doller in te leggen. Winst? Nul. Drankproblemen. Armoe en lopen, lopen, lopen van Brighton Beach tot Ditmars Steinway van Manhattan tot Locust Point enzovoorts, diagonaal Port Chester naar New Jersey. Zijn schoenen piepten altijd.

Op een dag kwam hij een Total Loss kunstenaar tegen. Hij deed zijn klus en begaf zich terug naar zijn kamer, met een schilderij van de kunstenaar. Het schilderij is nu in mijn bezit: Jean-Michel Basquiat. Ik heb het schoongemaakt, misschien te veel. Het lijkt wel nieuw.

1985 New York Madonna & Jean-Michel Basquiat.

Robert Kruzdlo 2022 Cadiz Spain

 

THEA koeienogen.

Slapen op de Dam Amsterdam

Knielend komt de nieuwe dag

Amsterdam 1964

Hij was een korte periode Puch nozem en reed de hele dag, in de buurt, korte ritjes met zijn Puch bromfiets. Hoog stuur. Vetkuif, veel brylcreem. Spaghetti-haar. Als hij stopte sprong er een meisje achterop, schriel, brutaal met soms een suikerspinkapsel, een ‘bijenkorf van haar’ aan elkaar ‘geplaktlakt’, met hairspray, zwaar gelipstickt, zwarte cape of wapperende petticoat en natuurlijk, hij kon haar meenemen naar een onbewoonbaar bouwvallig huis, dan kleden zij zich rustig uit en keek ze hem verlegen met koeienogen aan, – zoals Thea met haar Thea-ogen – haar kleren en ondergoed op een hoopje, gaat ze op zijn leren jas liggen en spreidt ze haar melkachtige dijen uiteen, dan zegt ze met Thea bollige stier ogen verlangend, ‘komt er nog wat van?’ Thea was altijd ritsig, verlegen, timide geil, bang, alles tegelijk en alleen als ze achterop de Puch mocht springen verloor ze haar verlegenheid, haar angst en vrees voor jongens. Afraspen, para kwijtraken. Elk weekend neukte ze in ‘onbewoonbaar verklaarde woningen’ in de geur van schimmels, houtrot, houtkevertjes, zilvervisjes, mieren en spinrag. Het deerde haar niet. Haar ogen, daar had ze last van, zei ze eens tegen hem. Klotsogen, zei hij. Je hele leven zul je daar last van hebben. (Dat bleek ook. Haar kinderen dachten weleens dat haar ogen uit haar schedel zouden kunnen vallen. Opvoeden kon ze jammerlijk niet goed.)   

Op een dag borstelde hij zijn vetkuif net zolang tot hij een Beatle kop met haar had. Liet zijn haar tot over zijn oren groeien, kocht een broek met wijde pijpen, en ruilde de korte leren jack met een zwarte cape. Hij verkocht zijn Puch en werd Provo. Op dat moment, door de haargroei misschien? braken overal ter wereld rellen uit. In Amsterdam waren het de… provorellen,  arbeidersopstanden en… studentenbezettingen. Door de overgang van Puchnozem naar Provo, langharig tuig, verloor hij Thea uit het oog. 

Tussen de…, ‘invasie van menselijke termieten’ zoals de Provo’s werden genoemd, die de maatschappelijke organisatie aanvraten, schreef Osservatore Romano, het blad van het Vaticaan, voelde hij zich op zijn gemak, sliep op de Dam Amsterdam, in een onbewoond huis of een park. Natuurlijk veel spannender dan het geklets van de vrouwen thuis. Wat hadden zij eigenlijk allemaal te bedisselen? Wisten zij dan niet wat er gaande was in de wereld. Hij ontdekte de straat, de nacht en de ochtend van het Ij-licht. Majestueus kwam de zon op boven het Ijsselmeer, tussen de gebouwen, die haar stralen op het water liet ketsen, Swarovski-water en dronken van de slaap ging hij terug naar de woonwagen die op het Bickersplein stond. Ja, …lees het en laat het tot u doordringen. Hij woonde in een woonwagen op een plein met zijn moeder, groot- en overgrootmoeder en de rest doet er niet toe. Natuurlijk en gelukkig op straat daar gebeurde hét. HET. ALLES. En dat HET waren de rellen in het centrum van de stad. HET was ook zijn kop. HET dus. 

Langharigen kregen in die tijd geen baan, hij werd eens bespuugd, soms geweigerd in een biscoop of koffiecafé  en je hoorde natuurlijk in een opvoedingsgesticht thuis. In zijn geval, neurale diversiteit, misschien op een goede school. Maar daar had zijn moeder geen geld voor. 

Hij stal boeken en verkocht die. Een keer een fiets. Zo kwam hij door bedelen aan zijn geld. Hij bezocht dancings Las Vegas waar hij voor het eerst Wally Tax ontmoette, de zanger van The Outsiders, haar tot aan zijn heupen en hij luisterde naar muziek die een openbaring was. De wereld was gelukkig aan het veranderen en hij, HET veranderde mee. Dat was een kracht die niemand kon tegenhouden. Het gebeurde allemaal in zijn kop, ergens achter zijn ogen, tussen zijn oren, zonder schoolopleiding ging hij mee met zijn tijd.

Provo happenings. Hij genoot van de spanning tijdens de politieoptredens en vooral… opgenomen te worden door een ruige mensenmassa van stenengooiers, rookbommengooiers, wouten met gummiknuppels, tot de zon weer boven het IJ opkwam. Het leek de verlossende antwoorden op al zijn levensvragen van dat moment. Hij was geen bul, kikker, pleiner of dijker, geen nozem of damrakker, hij werd gewoon…, een provo! De nieuwe vorm van zijn, al was het een jonge vorm, het gaf hem meer soulaas dan de oude vormen als: de vrouwen en de woonwagen, Clarks schoenen en wijdpijpers van broeken. Vanaf dat moment zong hij Wally Tax tekst Let’s forget what I said. 

Elk weekend waren er provo-, straatrellen bij het standbeeld het Lieverdje in het centrum van de stad. Zo kreeg de rebellie tegen de vooral katholieke samenleving kleur en werd het een soort straatkunst, straattheater kunst, een film die maar niet ophield. Trappen tegen de heilige huisjes en hoe dan ook in opstand komen. En als hij thuis kwam zei hij niets. Er werd hem ook niets gevraagd en als er iets gevraagd werd was het altijd op een schellende, bijtende manier of hij wel wist dat de wereld morgen zal vergaan. Het nieuws was tot de vrouwen doorgedrongen. 

Hij deed met verve mee, instuifavonden of liever gezegd instuikavonden werden nachten en de nachten ochtenden en ochtenden middagen slapen in het park.

Voor de vrouwen baarde hij ‘dé moderne zorgen’ hij was geworpen door mijn moeder, maar zelf opgekrabbeld om op 12 juli 1965 pamfletten van provo uit te delen. Hij haatte het gat waar hij uitgekomen was, existentialist, las Camus. Hij was tevreden met het HET. 

Op een zaterdag was het weer zover. De rellen braken vroeg in de avond massaal uit, de politie zette de buurt af en gewapend met de bullenpees begon men op de mensen in te slaan. De menigte rond het wit geverfde beeld het Lieverdje op het Spui Amsterdam – uit protest – protesteerde heftig tegen het gedrag van de politie. Joelend. Zelfs de politiesabel werd gehanteerd. De woedende joelende menigte werd uit elkaar gedreven en verdreven tot aan de grenzen van Amsterdam.

Toen het ochtendgloren over het Amsterdamse IJ klom riep iemand – we stonden op een talud bij Diemen – loop je met mij terug naar de stad. Het was Thea. Thea wilde neuken. Met haar biologische overstelpte sex drift riep ze: ik wil met je neuken. Hij liep hand in hand terug naar de stad en via allerlei steegjes, waar geen politie was te zien, terug naar het IJ. Samen gingen ze op de rand van de kade zitten en keken hoe de zon opkwam. Zoenend greep Thea, plotseling zijn hand en duwde die tussen haar dijen. 

‘Beweeg je vingers’, zei ze. Dat deed hij. hij zag dat haar hoofd vuurrood als de zon werd en voelde dat ze sneller ging ademen, ademen als het klotsen van het water tegen de kade en haar lichaam werd warmer. Met een ruk schoof ze zijn hand onder haar kont. Ik zei ze zenuwachtig, ik wil dat je mij likt, mijn vriend die bij de bank werkt likt mij niet goed, jij kunt het vast beter, voor de sex blijf ik niet bij jouw, maar dat weet je: …wacht laten we naar de loodsen gaan, daar zijn wij alleen, zei ik. 

Hij kende de plek, de plek waar straathoeren, travestieten en alcohollisten kwamen. In die buurt waren de cafés dag en nacht open en het wemelde van matrozen van de grote vaart en er werden spontaan dragquees mise-en-scène opgevoerd. Er waren elke dag opstootjes en zijn moeder kwam er geregeld. Dan kwam ze bezopen thuis, verward en was de familie een tijdje blut.

Hand in hand liepen zij naar de loodsen en ergens tussen twee gebouwen in, die van rothout waren, scheef stonden en in een smalle gang ging hij op zijn knieën en begon haar kusjes op haar buik te geven en trok haar slipje uit; met zijn tong drong hij diep in haar binnen… Daaruit ben ik geboren prevelde hij. 

Thea, zou iedereen willen vertellen dat ze nog nooit zo lekker gebeft was, maar helaas, niemand kan het navertellen, ze houdt haar kaken stevig op elkaar, zeker nadat ze trouwde en…, en…, en dat was HET. En zus of zo, daar heeft ze het nooit meer overgehad.

1964

Robert Kruzdlo 2022 Andalusië

.

1973 Me Too

Tekening van Kiki Robert Kruzdlo 1973

.

Tieten. Hoeveel heb ik er niet al gezien en hoeveel niet in mijn leven. Elke borst is anders. Van puntzakje tot neervallende – of afhangende borsten, tieten die er niet meer toe doen. Volle kleine borstjes, jongensborstjes of lellen tot op de heupen. Afrikaanse puntzakken. Amerikaanse kanonskogels. Afgeschoten borsten en siliconenborsten. Tennisballen. Mijn ex deed elke dag een potloodtest: ze plaatste een potlood onder haar borst, haalde diep adem en als het potlood op de grond viel dan had de zwaartekracht nog geen grip op haar borsten gekregen. Op den duur gaan alle borsten hangen, verschrompelen en worden de moederkransen en tepels slap en zien eruit als verlepte roosjes. Het worden navelstaarders. Ze zullen langzaam naar de aarde wijzen. Ik hoor grootmoeder An, nog zeggen: Eerst kun je er een vulpen mee vasthouden en dan mijn portemonnaie. Nu flits er een ander verhaal tussen miljarden textus nervosus: 

Ze kleedde zich langzaam aan, weifelend, zonder haar gedachten te kunnen raden. Ik wilde haar niet lastig vallen met mijn intuïtie, mijzelf niet op de voorgrond zetten, alhoewel er niets anders opzat van haar afscheid te nemen. Een snelle kus en de volgende week zie ik haar weer in mijn atelier.

‘Mijn ouders zijn dit weekend weg, wil je bij mij slapen.’

‘Natuurlijk,’ om mij groot te houden, ‘maar je bent nog geen achttien.’

Haar ogen fonkelden, nee liever gezegd, het licht in haar ogen straalden er van af. Nu moest ik wel. Officieel had ze aan de administratie van de Rijks Academie gezegd dat ze achttien jaar was. Ik was bang. Stel je voor haar ouders komen eerder thuis.

‘Het mag, …wees niet bang.’

‘Goed.’

Het ouderlijk huis, een statig herenhuis met vier etages, had een grote kunstverzameling aan de muur. Ook een tekening van mij. In het midden van de kamer stond een sculptuur, een steen die constant nat werd gehouden; er vloeide constant water over de steen en je kon niet zien waar het vandaan kwam. Ik was er bijna op gaan zitten. Die nacht dronken we veel.

Kiki, heette ze. ‘Kirkir,’ zei ik steeds als ik mijn hoofd onder de dekens verstop. Ik dorfde haar niet te plezieren. Ze moet slecht hebben geslapen. Toen ze mijn hand pakte en die tussen haar benen gelegd had, gaf ik mij over aan haar wilsbesluit. Me Too, deed ik niet aan. Ik was duidelijk ondergeschikt en daar was ik trots op. (Gezien mijn slechte opvoeding.)

De volgende ochtend werd er op haar slaapkamer deur geklopt. Ik wierp het laken over mij heen en liet een klein stukje van mijn hoofd zien. Haar moeder trad de kamer binnen met in haar hand een dienblad met twee gekookte eitjes, geroosterd brood, thee en chocolaatjes. Ik was opgelucht.  

Só taalexperiment.

Aantal pagina’s uit het boek De Kolonel.

Is het je opgevallen dat er steeds meer kinderen zijn die zich niet in woorden uiten maar in klanken. Ik las in de krant van Babel dat er een speciale school is opgezet voor kinderen tot zes jaar die met elkaar communiceren in prelinguïstische klanken of alleen fluiten, neus en keelklanken. Mijn buurjongen van acht wil nog steeds niet talig zijn. In alles wat hij in klanken zegt kan ik hem volgen. Mijn onderzoek, de Kolonel gebaart met zijn handen in de lucht, is erop gericht, ….hierover later.

Só, drentelt door de kamer. Hij is zeer geconcentreerd en wil door niets afgeleid worden. De Kolonel zit achter zijn computer en als Só begint te spreken, noteert de Kolonel zijn woorden. Só, gaat op de vloer liggen, zijn armen gespreid, zucht en sluit zijn ogen: Die kinderen hebben precies door waarover het gaat. Ik ga het proberen uit te leggen. Al begrijp je mij niet meteen helemaal, hoor mij aan, blijf bij mij. Er zijn dus twee vormen, persoonsvormen, ‘ik en hij’. Ik dat weet je en Hij is het brein. Dus een ik en een hij tegelijk. En dus niet alleen een ik. Mij, die ik is van mij, is dus óók een hij. Volg je mij¿ Mijn brein bezit een ik en een hij. Die ik/hij is van mij. (Spreektaal.) Het brein is de souffleur van de persoonsvormen IK en HIJ tegelijk. Je kunt beter spreken van een brein als HET. Wat ik nu beweer is taalverminking¡ Maar, …deze taalverminking biedt dus een kans om een nieuwe literatuur te schrijven. Nieuwe kansen voor de kunstenaar. Wanneer het brein, HET spreekt, in de eerste persoon IK, spreekt zij ook in de derde persoonsvorm HIJ. HET zal een nieuwe persoonsvorm worden. Maar HET is in den beginne woordloos. Het zijn de miljarden stille neuronen die spreken als Het brein, HET is de souffleur van Narcissus stem, van alle stemmen in het planetarium. Ook van mijn stem. Taal is de boodschapper van een niet bestaande wereld die ronddart als werkelijkheid. Een werkelijk verschroeiende werkelijkheid, onmenselijk en de natuur heeft niets goeds met ons voor. Het brein, HET, is de onbevlekte ontvangenis van de biologische, fysische, neuro art literatuur die ten koste van de vrijheid de boodschapper van altijd slecht nieuws is. Altijd. De ‘Tussenmens’ is dus het einde en begin tegelijk. Entropie. Dit is nu de onzalige metamorfose van de nieuwe taal die wij moeten gaan spreken. Kunstenaars sta op, sluit alle bibliotheken en museums.

Je moet het verhaal achterstevoren vertellen, zei de Kolonel, dat is het enige wat we kunnen. Voor het woord woord wordt. Tropisme, …dat is het. Let op mijn woorden die tijd komt nog.

Dat probeer ik ook, zucht Só. Ik breek de toren van Babel af…, of zo iets. Wacht laat me denken, mijn denken inhalen, tot ik het begin heb bereikt, the pop-up, het lampje boven mijn hoofd aangaat, dan moet ik krimpen, verder teruggaan dan de taal, de taal van het lichaam worden, zonder geschiedenis. Dan is er weer overal vrede. Niet¿

De Kolonel knikte.

Maar nu zijn we idioten, hoe komen wij hier vanaf¿

Nirwana, zei de Kolonel. Het antwoord op de taal entropiëtische situatie. Er is geen wetenschapper die dit kan STOPPEN. De Kolonel slaat met zijn vuisten op tafel.

Só, alles terugdraaien dus. Woordloosheid.

Kolonel, alle stemmen laten horen, alle woorden, tot er niets overblijft. Stilte, het niets, de rest is filosofie van de koude grond. Zelfs de stem van Adam en Eva beluisteren. Dan de stilte van het universum. En dan¿

Dan kan alles opnieuw beginnen, zegt Só.

Kolonel, we moeten ons voorbereiden.

Ja, we moeten klaar staan, mompelde Só.

Niets is een illusie, mompelt de Kolonel verlegen, volgens Beckett: zolang het duurde, die aanwezigheid van wat niet bestaat, die aanwezigheid van buiten en binnen, die aanwezigheid ertussen, (…) als ik begrijp hoe het iets anders heeft kunnen zijn.

Só, Beckett bedoelt hier de tussenmens. Ik, hij denkt dat niemand ons gesprek kan volgen.

Kom ik heb zin in een beetje semantische onzin. In een taalspel. HET doet ‘t weer. We gaan toch naar de kloten. Of er moet een oogverblindende ster gaan schijnen, die zoveel licht brengt dat wij zonder een woord te zeggen het loodje leggen.

Er zit een gat tussen mij en mijn brein, een gat tussen mij en de werkelijkheid.

Je hebt gelijk Só.

De natuur zoekt het maar uit.

De biologie van het lichaam is over ons de baas, hij misbruikt ons door ons op te schepen met een taaltje. We zijn erin gestonken. God met ons.

Je hebt gelijk Só.

We moeten terug naar de eerste klanken.

Dat gebeurt nu toch¿

.

Robert Kruzdlo Cadiz Andalusië Spanje.

Betaalde onzin van Arnon Grunberg en volgzame Cobrablabla.

Onthoofding theorie van Arnon Grunberg. (Klik hier)

(…) Ik merk op de markt, dat het niet goed gaat. Na een nogal rumoerige ronde over de markt, bieden de verkopers smekend hun laatste waar van de dag aan. Bij Mama, die lams-, geiten en schapenvlees verkoopt idem. In de vitrine liggen ontvelde geiten-, schapenkoppen die mij met doodsbange ogen aankijken. De bebloede gevilde hoofden met een rij scherpe tanden, alsof ze tegen mij lachen, hebben allemaal dezelfde kleur ogen, zwart. Bloedrullig liggen de hersens, kloten, harten, levers, een hoop pens, een kom nieren en darmen te verschralen. Dikke vliegen grommen om mij heen. Schilderachtig. Ik moet denken aan het karkasschilderij Le boeuf van Joods-Franse schilder Chaïm Soutine die karkassen van ossen naar zijn atelier sleepte. Hij kwakte kilo’s verf op het doek, om de stinkende karkassen zo natuurlijk te schilderen, om redenen die ik niet ken. Waar is kunst dan voor nodig als de wereld naar de kloten gaat? Kunst hoort niet meer in een museum thuis, de schoonheidsfantomen van het museum als bijvoorbeeld van de geamputeerde schrijvers Arnon Grunberg, hoe tegendraads de kunstenaar ook is, hij haalt nooit het niveau van de abject werkelijkheid. Iets schokkends zien kan elk moment…, als je maar de krant openslaat en je je ogen openhoudt. Schoonheid in de kunst een troost tegen al dit geweld? Nee, er is geen bescherming meer ook niet in de kunst. Dat is wat kunst doet. Pijn. Een schoonheid van dystopie. 

.

Uit het boek: De Kolonel.

Robert Kruzdlo Cadiz 2022 Andalusië Spanje.

NEERLANDISTIEK NEDERLAND

Tekening Robert Kruzdlo. Kruzdlo is bezig alle Nederlandse schrijvers te tekenen.

Aandacht voor het volgende:

Er is een plan in de maak voor de oprichting van een Rudy Kousbroek Fonds, onder te brengen bij het Prins Bernhard Cultuurfonds. De bedoeling is om daaruit in de komende jaren bijdragen te verstrekken aan uitgaveprojecten op het gebied van de Nederlandstalige literatuur. De oprichters hopen je interesse voor een bijdrage aan dit fonds te wekken.

De missie van het Rudy Kousbroek Fonds zal zijn om de publicatie mogelijk te maken van verzameld-werkuitgaven van Nederlandstalige auteurs, alsmede van andere monumentale edities van Nederlandse of vertaalde literatuur, waarvan het literair c.q. literair-historisch belang evident is. Klik hier om verder te lezen.

Robert Kruzdlo Cadiz Andalusië Spanje

Moeder Betty Boop

O, moeder … u speelde zo mooi theater.

Uit het boek: Spiegel roman: In de voorkamer, de kamer van moeder, vader kwam daar nooit, stond een ontstemde Steinway. Moeder speelde bijna elke dag Liszt en soms, uit woede, Betty Boop.: I wanna be loved by you, zich een kramp in haar vingers. In de zomer zette ze de ramen open. Wandelaars hielden soms voor de villa halt en luisterde naar de pianomuziek, die over de brede in bloei staande ligusterhaag de weg opdreef, het dal in. Ik keek vanuit mijn slaapkamerraam, hoe sommige wandelaars weifelden of ze door zouden lopen. De weg voor de villa was nog niet geasfalteerd, hier en daar belegd met kinderkopjes en zat vol kuilen. Een keer stond ik op de gang te luisteren naar de pianomuziek – wat een vrede – toen langzaam de kamerdeur van vader openging en fluisterend zei hij: in 1875 speelde overgrootmoeder op dezelfde piano als Liszt. Toen sloot hij de deur.

Robert Kruzdlo Spain 2022

Cadiz Andalusië