Frambozen literatuur en het literair kapitalisme.

Wat is literatuur?

Op een blauwe maandag wist ik in een flits wat literatuur is. Literatuur heeft niets met cryptogrammen invullen te maken, maar de lezer pijn doen. Literatuur is als de lezer denkt dat hij Marek van de Jagt, Kafka, Rosie, een psychiater, jodin of een lustmoordenaar et cetera is.

Lezen dat je een dweil bent onder de dweilen en niet alleen je buurman of -vrouw. Ik sta in de boeken van A, beschreven als de lezer van zijn eigen stront, verkrachter van het woord. Ik dacht op die blauwe maandag: literatuur is een mensenfabriek geworden waarvan de schoorstenen moeten blijven roken. De ovens van de letteren moeten blijven knetteren.

Nu elke lezer een dweil is, neem ik het voortouw: ook de schrijver is een dweil. 

Literatuur is een bord spaghetti met veel tomatensaus en gesmolten kaas dat over het hoofd van de lezer wordt uitgestort. Lezers tekortkomingen is lezersplezier. Alle vuiligheid in zijn kop wordt breed uitgesmeerd tot een pageturner. De sadomasochist betaalt voor zijn genot. 

De lezer geniet niet van een frambozentaartje, de lezer geniet van het gat dat gaapt tussen wat hij is en wat hij niet is. Hij is een tussenmens.

De schrijver kan zichzelf, noch de werkelijkheid beschrijven. De lezer wordt ondergepoept met zijn mateloze woorden. 

De lezer kan niet genoeg krijgen van zijn beul.  

Hij wil gekwetst worden, doorboord door duizenden mitrailleurpennen, zijn lijf doorboord, voelt hij zich een trotse uitvinder van zichzelf. Hij is zijn eigen beul geworden en snakt naar meer.

De schrijver speelt onder één hoedje met de lezer, zelfbedrog. Er is geen hoop of troost. Er komt een dag dat er geen lezers meer zijn. Er zijn alleen daders van het kwaad. Wees helder en beknopt, persoonlijk, zodat iedereen weet dat zij, de schrijver en de lezer, het ras, een potje spiering is.

Het tragische noodlot dat ons wacht is dat niemand medelijden kent. Iedereen wordt je vriend. Samen kun je Gods aars likken, want alleen hij weet wat hij doet.

De literatuur is een taalfabriek vol enthousiaste medewerkers en lezers geworden. Schrijvers winnen prijzen over de ruggen van de lezer. Hij wordt rijk door de wereld waar hij in woont af te zeiken. Laat de schoorstenen van de schrijffabriek roken zoals ze de hele geschiedenis hebben geroken. Schrijven maakt vrij.

Niemand hoeft na te denken, te praktiseren. Lezen zul je. 

Nu het zo dicht bij u komt, de schrijver zich als hoofdluis op uw kop heeft genesteld en de jeuk nooit verdwijnt, kunt u trots zijn op uw lezerschap. Duizend boeken zullen als ‘spieringspaghetti’ met het bloed van alle slachtoffers, met gesmolten lichamen van alle oorlogen, u overgieten. U, de seniel, die het nog niet weet, zal ondergekotst worden door uw favoriete schrijver. Hij, de baas van de literatuurfabriek, zal u nooit antwoord geven op uw prangende vragen.

Hij, die nog niet de Nobelprijs voor literatuur heeft gekregen, zal zijn lezersschaapjes hoeden. 

Zolang de schoorstenen blijven roken, is er hoop voor hem. De lezer zal hem een worst wezen, die maakt hij zelf wel.

Niet zo lang geleden heeft hij een prijs gewonnen. Aan die prijs is een bedrag van honderdduizend euro verbonden. Hij moet zeventig procent besteden aan een speciaal project, een project dat anders is dan wat hij tot nu toe op zijn terrein ondernomen heeft. 

Hij moet nog één project ondernemen, dat plan verafschuwt hem. Ik doe een voorstel: een wereldreis maken met de neuropsycholoog, de beroemde literaire wondprikker Michiel Houellebecq en leermeester Marek Hlasko, die hij als brokkenkadaver in zijn rugzak moet dragen. Een molensteen om zijn nek met de inscriptie: ‘U moet elke dag geld verdienen’.

Tot slot: Sommige schrijvers lijken op een menselijke computer, het zijn ‘nullen en enen’ en schrijven honderden boeken. Of zij iets bijdragen tot een menselijke evolutie moet duidelijk zijn: nee!

Een lezer die ooit psychische schade heeft ondervonden bij het lezen van een frambozenboek kan aangifte doen.

Robert Kruzdlo

Cadiaz Spanje 2022 december

Twee reacties van schrijvers.

Op het ‘gekkigheidsterras’ met een cava kurk op Julio Josephe Casias neus.

Parakleet

Parakleet is een kortverhaal dat ik schreef voor een schrijfwedstrijd. Hier twee reacties van anonieme beroepsschrijvers. Ik blij? Nee. Ik won er niets mee. En dus hopperdehop ik moet verder. De dag was verder goed en ik had nog veel te vieren. De dag, het uur, NU! Champagne op het terras, lekker zonnetje en een leuke ober Julio.

De Parakleet. – “Ongrijpbaar, tussen de regels door gruwelijk, mooi geschreven met een enkel typefoutje is dit heerlijk om te lezen. De schrijver heeft slechts enkele zinnen nodig om de lezer in zijn wereld te trekken. Nergens wordt duidelijk wat er precies speelt, waardoor de lezer geprikkeld wordt. Een prachtige inzending.”

De Parakleet – “Ik heb genoten van het verhaal. Ik werd meegenomen naar de leeggehaalde villa en voelde bijna de kou op mijn huid. De laatste alinea was interessant, vooral de zin: omdat wij niet alles weten, weten we niets. Dat is een uitspraak om over na te gaan denken.”

Lees hier het korte verhaal Parakleet van Robert Kruzdlo:

Parakleet

Robert Kruzdlo november 2022 Jerez de la Frontera.

Iedereen is een reptiel. Nee toch!?

’Omnia mutantur, nihil interit’

Ik verschil niet van de anderen. Zij die zich ook hebben laten misleiden. Mijn hele leven is verdoemd door valse beloftes, van moeder tot wereldse gebeurtenissen. De wereld om mij heen wordt nooit anders zelfs niet bij een wereldrevolutie, zelfs niet als de zeespiegel daalt of dat de gletsjers terugkomen. De mens wordt altijd bedrogen. Nu ik weldra helemaal dood zal zijn, er geen keer is, iets waar ik niet voor kan kiezen, wil ik toch een beetje mijn best doen. Ook al gaat de wil zonder mij toch zijn eigen weg – de wil wil wat het wil – ga ik mij natuurlijker gedragen. Met het credo dat ik weldra toch eindelijk helemaal dood zal zijn, ben ik op de goede weg. Ja, wat is natuurlijk, als je door anderen gepest wordt en er beweerd wordt dat ik geen carrière heb gemaakt, verpest ben door mijn opvoeders, murw gedraaid in een orkaan van begoochelingen en valse reclame. Ik ben tevreden met de gedachte dat ik onderweg naar het einde schadeloosgesteld word. Ik hoef niets te doen, niet in de spiegel te kijken en mij niets gelegen laten aan welke opmerking dan ook: ik zal in een grote droom terechtkomen, wakker worden en met gesloten ogen zien hoe de kring rond mij, mij op een dag zal volgen. Voor eeuwig zullen mijn ogen gesloten opengaan. Ik zal het einde van het heelal zien, niet door telescoop maar door de lens zelf. Ik heb geen keuze. U wel? 

Nu ik dit schrijf en aan mijn tafel de schuldenaar zit, zal ik hem sparen, ik zal hem niet vermoorden want dan strooi ik met leugens. Ik zal hem ook geen schouderklopjes geven zo van jongen wat heb jij je best gedaan. Om niet meer belazerd te worden zal ik schaamteloos gaan dromen en mijn kop niet boven de aarde met wormen steken. Ik zal geen vragen meer stellen. Zelfs niet aan mijn grootste vijand. Nee ik zal mijn verpeste mond houden. 

In mijn droom zal ik niemand vergeven, ook niet zij die het altijd beter wisten dan de wassen neuzen. Mijn brein wordt schadeloosgesteld. Ik zal mijn ogen openen als de doffe klanken van aarde op mijn kist vallen.

Ik zal iedereen een verschrikkelijk leven toewensen, niet anders dan ik heb gehad. Tot de zeespiegel aan de lippen staat, verschroeide kromgetrokken nekken van de zon, uitgedroogde reptiellippen, de naarlingen met wezenloze pret het einde der tijden afwachten. Reptiel of geen reptiel. Och Telos nee, zal toch niet Telos?  

De wereldrevolutie zal mislukken, de natuur wint en tot stof zal de hel branden tot ieders oog de droom ontwaart dat het leven een groot bedrog was. De wereld als hel. Is dat niet genoeg voor wat jullie gedaan hebben. 

Mij bevalt de wereld met al zijn verdorvenheden en deugden, nu ja…, deugden van gevit en kapittel zal je bedoelen, van hen die dachten de wereld te kunnen veranderen of redden zonder dat zij zichzelf veranderden. Zij die op hun borst trommelen zijn de ergsten. Of blijft het toch plezierig ’Omnia mutantur, nihil interit’?

.

2022 Jerez de la Frontera Robert Kruzdlo en de reptielen dans met de huidige partijleider van VOX is de Bask Santiago Abascal?

Robert Kruzdlo 2022 Cadíz Spanje.

Giorgia Meloni en postfascistische taalverandering.

Foto Financieel Times Giorgia Meloni rechts.

Marc Oostendorp schreef heden op Neerlandistiek: Giorgia Meloni, een politica die wel ‘postfascistisch’ genoemd wordt, is de nieuwe premier van Italië, en een van haar eerste daden was dat ze aankondigde niet als ‘la presidente’ te willen worden benoemd, met een vrouwelijk lidwoord la, maar als ‘il presidente’. Het Italiaans telt traditioneel slechts twee grammaticale geslachten, en daarbij geldt de mannelijke vorm als neutraal, ongeveer zoals bakker in het Nederlands traditioneel als mannelijk en neutraal geldt. Lees hier verder.

Ik reageerde op het artikel:

In het artikel van Roberta D’Alessandro is één ding duidelijk: Je moet volwassen hersenen pijnigen om taalveranderingen door te kunnen voeren. Er moeten hele volksstammen meedoen wil je nieuwe taalverwerving kunnen doorvoeren. Een brein-evolutie. Dit lukt natuurlijk alleen, zoals te lezen valt in het artikel, wanneer je dit als kind leert. Fonetisch. (Met nog jonge onvolgroeide hersenen.)

Mijn kleinzoon van 4 kan perfect het Spaans nadoen. Elk woord kan hij fonetisch correct horen en uitspreken. Biologisch is dit de taalbasis van alle talen. De rest is bedacht door hoge heren. Ook de discussies achteraf. 

De werkelijke werkelijkheid is altijd net iets anders dan de werkelijkheid.

*

Geregeld staan tekeningen van mij op Neerlandistiek. Hier Jeroen Brouwers.

Tekening Robert Kruzdlo Jeroen Brouwers 2022

Renate Rubinstein was een taalmepper

Herinneringen ophalen over Renate Rubinstein. Links mevrouw V. Eiram die dom gevonden werd door taalmepper Renate Rubinstein.

Mijn moeder was een taalmepper.

Ze kon iemand, het liefst een vrouw, in de zeik nemen. Vrouwen deugden niet, mannen wel. Het was haar strijdmateriaal om aardig gevonden te worden bij mannen. Mannen die een knieval voor haar maakten als zij, met haar doordringende waterige ogen, donkere stem en flirtboezem het zwakke geslacht – ja de man – kon inpalmen. Mijn moeder was een nymfomane. Dit etiket werd haar geschonken door de natuur. Biologisch en vooral niet psychologisch! Voor sommigen was zij een viespeuk. Een allergie voor valse emoties als het moest. De natuur wikt en weegt op haar manier. Mijn moeder was een ijktoon voor muziekanten. De fluit. Ze had het vaak over een fluit. Ze had nooit rust. Nooit heeft ze geweten wie haar vader was. Ze was permanent recalcitrant en afhankelijk van mannen. Ze wilde dompteur worden en haalde haar diploma in 195.. Dierenpark Valkenburg Klant’s zoo.

Ik weet niet beter dat toen ik 6 jaar was zij, …zij mijn moeder meer dan 6 vriendschappen achter de rug had. Gezellig was het in huis: clowns, cowboys, trappisten circus artiesten, leeuwen- en berentemmers en ga zo maar door. (Directeuren, afdelingshoofden, militairen, leraren en andere vergelijkbare diensten.) Ik zag het allemaal met kinderogen aan. Nu nog steeds. Mijn herinneringen zijn helder.

Ze had ook zware depressies. Drank hielp haar er overheen of soms er onder. Door haar geflirt kan ze haar somberheid verbergen. Soms was ze bij het gênante af vrolijk. Zelfs als ik erbij was. Ze had geen vader maar loods aan vrienden. Haar overlevingsstand. Ik heb haar soms in grote woede zien ontsteken. Dan gooide ze alle spullen van een geliefde uit het raam en zwaaide met de kachelpook. Mijn moeder was een sterke vrouw. De natuur deed haar werk. Een lastpak voor haar moeder en grootmoeder die ze op een intelligente manier financieel kon leegplukken. Alle drie konden ze niet zonder elkaar: trois fous.

Mijn moeder had twee hoofden in haar kop. 1 biologische en 2 hoe gebruik je het. Doordat ze voortdurend verliefd was en slapeloze nachten had is er in de buurt veel gestookt. Ze is een hoer voor de een en een vriend voor de ander. Nieuwe liefde maakt haar sterk, haar zelfvertrouwen groeit en ze poetst het huis. De schrijver Carmiggelt schreef mij een brief dat vrouwen in de keuken thuishoren. (1978) Hoe kom ik hier ineens op? Laat maar…

Mijn moeders humeur was voor mij geen mietje. Het liefst stuurde zij mijn naar een klooster. Niets bleef onder de rader bij ons thuis. Zelfs liep er een periode een aap door het huis. Ik werd er mee vergeleken en waarom ook niet? De aapmens, vuurmaker, spelend met werktuigen, is immers een man.

Mijn moeder kon liegen, verdwalen, fantaseren en was een heks. (De heks, lees Uphoff hierover.) Ze had complexe leugens die zij niet fabriceerde maar haar biologisch afkomst. Hoofd 1. Zo vond ze altijd haar levenslust.

Mijn moeder had een allergie voor valse emoties en zocht haar hele leven de ware emotie. Die heeft ze nooit gevonden. Zo is de natuur nu eenmaal. Ze kon zich er niet bij neerleggen en werd gek.

Je kan op mijn moeder psychologische etiketten plakken – die zijn erger dan het biologische etiket – je zult nooit dichter bij haar gekomen zijn.

Ik denk nu ineens aan Renate Rubinstein. Mijn moeder en Renate waren elkaars spiegelbeeld.

Ik belde Charlotte Goulmy. Over Renate koos Charlotte voor een psychologische label, ik voor een biologisch label. Het is maar hoe je bent opgevoed.

.

Robert Kruzdlo Amsterdam 2022 november.

.

Lees een essay in TEEF van Nicolai Jerez die mij volgt: https://www.tijdschriftteef.com/essays/de-kunstenaar-schrijver-moet-moed-krijgen-om-zijn-nieuwe-wereld-te-leren-kennen

Een mens heeft twee hoofden.

Foto Robert Kruzdlo Famillie Jesus Sixto Alva

Ik zat gister op het terras tegenover Las Cuadras te blokken op een korte tekst. Ik doe dat niet vaak want ik ken veel mensen in de stad en die willen, als ze mij zien, altijd een kort gesprekje. De zon scheen en het was T-shirtwarm. Ik werkte aan een tekst De Parakleet. Op het plein verscheen familie Jesus en aanhang.

&

De stad waar ik woon is geen wildernis als het centrum van Amsterdam. Vrouwen worden niet nagefloten en fietsers rijden niet door het rode stoplicht. Hier lopen pubers met een topje, ultra korte broek en een naveltruitje. (Lees hier hoe ultra rechts Nederland met pubers omgaat, over de angst cultuur in de grote stad.) Amsterdammers zouden hier een vakantie moeten komen vieren.

Dit schiet door mijn hoofd en meer…in een flits. Het andere hoofd, dat van mij, mijn hoofd dat nadenkt zoekt naar woorden en zinnen. Een gave. Ik heb twee hoofden, net als iedereen maar niemand maakt er een onderwerp van. Ook in de literatuur is dit onderwerp NIET te vinden. Het sluit niet aan de literatuurwetenschap en taalwetenschap. Jammer dat regels dit verhinderen. Of toch, je komt het tegen, zo nu en dan in deel twee van De Russische romans van Vladimir Nabokov, in het verhaal De gave: ‘Mijn gedachten keren zich naar het andere, het niets.’


Nabokov bedoelt het andere hoofd dat hij nooit zal leren kennen en waar hij uit het niets moet putten om herinneringen op te halen.

&

Gister was ik onder een van mijn schilderijen in slaap gevallen. Mijn zoon had de foto gemaakt. Ik droeg het masker van een valselijke toneelspeler, de lelijke schoonheid van een monster met de trekken van een mens die niets te vertellen heeft.

Schilderij Robert Kruzdlo 3 X 2 meter Wij gevoel van Annie Ernaux (Klik hier.)

Aan het werk. Nog een keer tekst verbeteren en dus…

Moeder zegt met haar vorkige stem: ‘Ga jij eens sneeuwscheppen.’ 

  Ik druk met de achterdeur de sneeuw weg. Op de sneeuw ligt een fondant zilverlaagje ijs. Het hellingbos staat ongelukkig verscholen in een doffe witte mist. IJzel valt ritselend uit de kruinen van de kermende bomen, druppelt van de glazige zwarte twijgen en boort gaatjes in de sneeuw. Mijn bevroren voetstappen van gister cirkelen nog rond de villa. Het enige wat ik kan is kijken zonder woorden. Woorden die komen toch wel. Achter het raam met ijsbloemen, tussen de dampende was zit moeder met haar mimische rug gebogen voor de brandende kachel. Ze heeft een hekel aan haar rug die veel heeft meegemaakt. Die rug komt nooit meer recht. 

  Overgrootmoeder zoekt in haar tasje naar haar bril en zakdoek. In geval de post weer slecht nieuws brengt. Getergd kijkt ze tussen de onderbroeken met veters, naar buiten. Ze kijkt blindzicht. Kijkt naar binnen en stuit op zachte ijsbloemen op haar ziel? Mij ziet ze niet staan. Wat ze ziet kan ik misschien raden. Op de keukentafel ligt een stapeltje post.

  Krakend verdwijnen mijn voetstappen in de sneeuw. Ik wil mij voorover laten vallen. Later zal iemand, een hond misschien, mij vinden maar, ik draai mij om en kijk vol wroeging naar de villa. De villa, behalve de bijkeuken, is leeggehaald en verbeurdverklaard ook kan elk moment moeder uit huis geplaatst worden.

De villa lijkt op een oude foto, korrelig, rafelig en onscherp, die ik nog steeds bewaar.

‘De autoriteiten kunnen mij verder geen pijn meer doen,’ heeft moeder gezegd,

…pijn dat doe ik mezelf wel aan.

  Voor de mannen het huis kwamen leegruimen – wij, overgrootmoeder, oma en ik, hadden onze koffers veilig in de kelder verstopt – heeft moeder, met hulp van het klissende crapuul uit de hoerenbuurt, waardevolle dingen, schilderijen, etsen en de staande klok verpatst. Daarmee heeft ze de rekeningen van de kroeg betaald. Die gedachte doet vrieskou pijn. Onderwijl schep ik sneeuw, een pad van de voordeur naar de straat en schiet ongenodigd deze zin in mij op:

…een vrouw die met haar geslacht betrokken is bij alle dingen van het leven – geboorte en dood – heeft een kerel nodig, een vent om haar recht te halen. Een broger had moeder niet meer. Haar rechten verspeelde ze keer op keer. 

*

Iemand stuurde mij een filmpje van mijn expositie in Bar Bujío.

4 stijlen door één persoon verzonnen.

Robert Kruzdlo 2022 Cadíz

Iedereen heeft twee hoofden.

Muurtekst Robert Kruzdlo Palma de Rio Cordoba 2022

Tweehoofdig


ik drijf gelukkig nog

op de diepste stromen

haal mijn neus op

om te vloeken

boven sleetse afgronden 

doorzichtig als een vloeitje

strak over afgeknaagde botten

liggen versregels als zielenhuid

ben ik verdwaald

verdwaald lichaam


*

Een gedicht moet opzoek gaan naar de bron waaruit het ontspringt en niet over vragen alleen gaan. Laatst zei een schrijfster: Kijk eens naar het brein. Ik was verbaasd. Hoe doe je dat vroeg ik mij af. En hoe je dit kan doen zei de schrijfster er niet bij. Jammer.

Hammacher was op zoek naar de bron van waaruit kunst ontstaat. Waar komen beelden, taal vandaan, zo vroeg hij zich af.  Wat kunnen we eigenlijk zeggen over de beeldvormende en kunstscheppende werkzaamheid van de kunstenaar zijn brein, het artistieke scheppingsproces van al die miljarden neuronen dat aan het kunstwerk vooraf gaat? Huub Mous schreef er dit over.

Niet hét kunstwerk is belangrijk maar waar en hoe het ontstaat. We moeten terug evolueren naar het breingebeuren en niet ons laten doodslaan met regels hoe je een gedicht, roman…, een boek schrijft. Hammacher gaf al een zetje op weg om te verdwalen.

Niet alleen is drift een woord, het is ook iets om beter te leren kennen. Hoe¿ Hierover later.

Robert Kruzdlo Cadiz 2022


	

De ziel in een doos: De Nazi kogel.

Robert Kruzdlo 1959

Het was 1959, een hete zomerse dag en ik was kindongelukkig. Het was een extreem droge zomer, de druk op de waterleiding was laag. Het teer droop van de strandhuisjes en op het duinzand kon je een ei bakken. De koeien werden mager en stonden in het duinbos bijeen. De bomen hadden vreemde vormen doordat de takken door de bezetters rücksichtslos waren afgezaagd. De wind deed de rest. Eén boom was wereldberoemd, de Mondriaan boom. Een zinderende juli zomer, 39 graden en er was nog geen druppel hemelwater gevallen. In het dorp was nog een put die water gaf en waaruit met een emmer aan een ketting water omhoog werd gehesen. De lucht boven de kerk leek rood van het hete duinzand. Ik was nog nooit zo bruin geweest. 

Mondriaan boom Domburg Zeeland

Na schooltijd rende ik direct naar zee om te zwemmen of door de duinen te slenteren. Meestal alleen. Liever alleen om te dromen over de prairie. Met mijn gerafelde schooltas waarin een kwart liter melk en een boterham zaten. Niet altijd want soms was er thuis een groot geldgebrek. Eerst raakte de suiker op, toen de koffie, boter en dan werd er gepoft bij de bakker. Als er geen alcohol was, begonnen ze – moeder, grootmoeder en vader met de deuren te slaan. Het leven begon iedereen te vervelen als in een roman. Vader schreeuwde: ‘In Java daar hebben ze honger, lees Multatuli.’  

De lucht kleurde rood van de hitte.

In de schooltas had ik een kleine handdoek en een boek Arendsoog. Ik droeg een cowboyhoed en keek met halfgesloten ogen uit over de duinen, landinwaarts, op zoek naar het gevaar, gewapende mannen die je wilden beroven. Het gekke was dat, als ik fantaseerde, ik er niet bij denken moest. Deed ik dit wel, dan spatte mijn droom uit elkaar. Dan fantaseerde ik opnieuw in de hoop dat de droom terug zou keren. Ik denk nu dat ik daar als enkeling verstopt in een duinpan mijn gelukkigste jeugd had.

Op een dag lag ik in een duinpan, in de schaduw van een bloeiende ‘rosa rugosa’ en speelde met het zand dat ik tussen mijn vingers liet weglopen. Plotseling stootte ik op iets hards dat onder het zand verstopt lag. Ik groef het uit. Het was een zilver pakketje waaruit scherpe koperen punten staken. Ik opende het en een reeks kogels, groter dan mijn middelvinger, die met elkaar verbonden waren door een slede, vielen op het zand. Ik groef verder en diepte een houten kist vol kogels op. Ik schrok, keek om mij heen en bedekte alles weer met zand en in mijn schooltas verstopte ik een kogel.

Ik wist dat, als je oorlogstuig vond, je dit meteen aan de veldwachter moest doorgeven. Er lag in de duinen meer munitie uit de tweede wereldoorlog. Maar de kogel wilde ik zelf houden. Een kogel, misschien voor een pistool, uit een cowboypistool?

Onderweg kwam ik dikke Tromp tegen aan wie ik mijn vondst vertelde. Ik toonde hem de kogel als bewijs. Tromp was een domme jongen, die moeilijk mee kon op school. Ik hielp hem met opdrachten en soms slopen we, in de winter, vakantiehuizen binnen. Dat was gemakkelijk. De wind stuwde zoveel duinzand tegen de lage huisjes dat je gemakkelijk op het dak kon stappen en via het dakraam naar binnen kon glippen. We aten alles wat eetbaar was op en zelfs nam ik het mee naar huis. Nee, er werden geen vragen gesteld. Ik hoor u denken.

We verscholen ons onder de Hooge Hill tussen de rozenbottelstruiken en dikke Tromp bestudeerde de huls, de onderkant en maakte een vuurtje. Hij had altijd lucifers bij zich. Altijd moest hij een vuurtje maken op het strand. Toen het vuurtje knetterde legde hij de kogel in het midden en blies het vuur aan. We wachtten af wat er zou gebeuren. Er gebeurde niets. Teleurgesteld namen we afscheid.

Dikke Tromp was een paar meter van mij verwijderd, ik was gebleven om het vuur met zand te bedekken en op dat moment zag ik dikke Tromp wegrennen. Tegelijk kwam er een meisje, staand op haar trappers mijn kant op fietsen. Een meisje met een hoofddoek. Het was Melita Muller, een Duits meisje. Het gezin Muller waren de eerste badgasten uit Duitsland die zich na de tweede wereldoorlog mochten vestigen in Domburg. Vader viste elke dag. Hij ving veel platvissen en schepte garnalen. Moeder stond een eindje verderop van de paalhoofden mosselen te plukken terwijl wij kennis maakten. De dorpsbewoners hadden er moeite mee. Ze vermeden het gezin. In de kleine dorpskerk waren ze niet welkom. 

Een paar dagen geleden had ik de familie op het strand ontmoet. We waren de enige. Melita was meteen naar mij toe gelopen en gaf een slap handje. Ze was een paar jaar ouder. We gingen wandelen in de duinen en zeiden niets. Ik voelde een hoop en het verwarde mij als ik eraan dacht om haar te vragen, bang dat zij meer zou vragen dan alleen mijn naam. Vanaf die dag ginegn we zwijgend met elkaar om en zo af en toe verborgen wij ons tussen het helmgras.

Ik was meteen verliefd op Melita. In nog minder dan een seconden en nu naderde zij…, kastanjebruin met stevige tred op haar trappers. Ze zwaaide. Ik was van plan haar het verhaal van de kogels te vertellen. Vreemd niet? Ineens dorst ik iets te zeggen. 

Dus zwaaide ik terug en zij riep: Hé cowboy. Ze slingerde haar fiets tussen de rozenbottelstruiken. Ze moest lachen om mijn cowboyhoed. 

‘Ik ruik vuur.’

Toen een harde knal.

Mijn oren piepten en mijn linker slipper werd nat. Uit mijn linker scheenbeen vloeide bloed. Ik schrok heftig, mijn hart deed me kokhalzen. Ik keek op van mijn been en zag een eindje verderop Melita met haar fiets op het zandpad liggen. Het eerste wat ik dacht was weg hier. Ik rende huilend naar huis, in paniek riep ik dat ik gevallen was en gelukkig stond de buurvrouw in de gang die… 

‘Wat heb jij?’ vroeg ze terwijl ze naar de bloedende open wond keek.

‘Ik ben op de stoeprand gevallen’, zei ik zonder te horen wat de buurvrouw in paniek terug kakelde.

Ze begon krielkippig te huilen.

‘Kom naar de keuken, hier ga zitten.’

Ze depte de wond en hield de twee stukjes wondvlees bijeen. Wat nu? 

‘Het was een grote snijwond en er is een stukje bod uit je scheenbeen.’ 

Zij bleef maar huilen. Ik leek wel van ijs, ik begon te rillen en het gepiep in mijn oren bleef.

De bloeding was moeilijk te stelpen. De buurvrouw was daarom naar de dokterspraktijk gerend maar die was niet thuis.  Na een tijdje kon ik gelukkig beter horen maar het gepiep in mijn oren bleef. 

‘Er is iets vreselijks gebeurd, had ze mij bij haar terugkomst verteld. 

‘Ik geloof je niet’, zei ze steeds, ‘er is iets vreselijks gebeurt,’ zei ze weer. 

Ze plakte met leukoplast zo goed als dat ging de wond bijeen.

‘Je vader heeft geen geld voor de dokter, je moet het hier even mee doen.’

‘Wat voor vreselijk is er gebeurd?’ vroeg ik.

Ze antwoorden niet. Zonder dat ik het wilde moest ik denken aan Melita, haar blauwe jurk met een rode vlek op haar borst. 

‘Ze hebben een meisje dood aangetroffen,’ zei de buurvrouw, ‘en je vader en moeder zijn naar de stad. Ik moest op je wachten.’ 

Ze liep naar het keukenfornuis om theewater op te zetten.

‘Mensen en een schelpkar stonden voor de deur van de dokter, die ergens in een ander dorp moest zijn. Op de schelpkar lag een meisje. Haar lichaam was doorboord door een kogel uit een Duits geweer.’ 

Toen begon zij weer te huilen.

‘Die rot oorlog ook.’

Voor het eerst keek ze mij aan en gaf mij een kus.

‘Die rotmoffen, de oorlog net voorbij en dan…’

Verder kwam ze niet. Ze zeeg ineen op de stoel met haar hoofd in haar handen en schort verborgen.

Naderhand vertrouwde ik geen mens het verhaal van de kogel toe…, ook geen enkele behandelende schoolpsycholoog of psychiater, die ik in mijn leven tegengekomen ben.

Melita was mijn grote schoolliefde. De vrouwen, die ik daarna ontmoette, waren vriendinnen en ik heb nooit meer die waanzinnige transcendente liefde gevoeld als met de zwijgende Melita. Binnen een seconde wist ik dat zij het was. HET. 

Zij was het die de eerste keer mijn piemel vast had gepakt waardoor er een verrukkelijk gevoel door mijn lijf stroomde. Dat gevoel is nooit meer teruggekeerd. Werktuiglijk misschien. 

Ik hield dus mijn mond. En, wat het ergste is, ik heb het nu opgeschreven. Als je iets opschrijft, begraaf je het met papier en inkt. Het ligt in een aardedoos. De doos opgeborgen in de kelder, de dood en nog zie ik haar gezichtje, hoofddoek, een glimlach, alsof zij zich wilde verontschuldigen: sorry ik ben gevallen. Gevallen door een Duitse kogel. Er zullen dorpsbewoners zijn geweest die heimelijk gezegd hebben: ‘Gods straf.’

Dagen later hebben ze Gòròg met zijn ronde ziekenfondsbrilletje en plastic neus, gearresteerd. De kogel kwam overeen met het Duitse geweer, dat hij bezat en verstopt had in de bunker, waarin hij door de woningnood woonde. Gòròg had een spraakgebrek en was niet bepaald geliefd bij de dorpsbewoners. Er viel met hem niet te praten. 

‘De kogel heeft het geweer verlaten op een van zijn strooptochten’, had de rechter gezegd. 

Voorgelezen uit de krant door moeder.

Ergens in een doos heb ik nog veel meer verhalen over die tijd.

Gòròg is al jaren dood. Hij had jammer genoeg geen familie, anders had ik ooit de moeite genomen mijn verhaal aan hen te vertellen. Begraven achter de muur van het kerkhof, waar ook dieven en moordenaars liggen.

De vader en moeder van Melita kwamen nog elk jaar en legden bloemen neer waar ze haar gevonden hadden, naast een klein bosje geplukte klaprozen. Iemand had er een klein briefje bij gedaan: 

Du, du liegst mir im Herzen
du, du liegst mir im Sinn.
Du, du machst mir viel Schmerzen,
weißt nicht wie gut ich dir bin.
Ja, ja, ja, ja, weißt nicht wie gut ich dir bin

Robert Kruzdlo Korte verhalen 2022.

O, o, San Miquel Jerez de la Frontera Spanje.

Voltallig bestuur Culturele week San Miquel, geheel rechts Robert Kruzdlo 2022

Een vriendelijke man kwam naar mij toegelopen en begon in het Andalu, een taaltje uit Andalusië Spanje en vooral gesproken in Jerez de la Frontera, een heel verhaal en eindigde met een vraagje: ‘U kunt zo mooi tekenen, wilt u voor ons tekeningen maken.’

‘Ons?’

‘Ja, voor de culturele week van San Miguel.’

‘O, voor de wijk San Miguel, ja natuurlijk en wat wilt u dat ik teken.’

‘Flamenco, flamenco dat kunt u zo goed.’

Weken later viel er een uitnodiging in de WhatsApp-bus. Ping.

Nu hoef ik niets te tekenen, ik had al meer dan honderd tekeningen van flamenco thema’s getekend en dus moest ik de man die Manuel heet en de organisatie AV Cruz Vieja de Barrio de San Miguel iets apart tonen. Mijn deelname zou getoond worden in een oud paleis en dat prikkelde mij om iets anders te doen met de tekeningen dan ik normaal gewend ben. Hierover later meer.

Gister 22 september 2022. Tijdens de presentatieceremonie in een oeroude Bodega Faustino González waar ik met genodigden sherry van meer dan tien jaar oud dronk, bezweet oude kaas at, herkende ik veel gasten uit Jerez. (In een bodega is de vochtigheidsgraad 90 %.) Ik ben al aardig ingeburgerd in Jerez. De eigenaar van de Bodega, twee meter lange kerel ken ik jaren en omdat ik niet van ellenlange buurtpraatjes houd slenterde ik tussen de gestapelde vaten. De geur van sherry die je overal in de stad ruikt, de zwarte eikenhouten vaten en vooral de stilte, verliet ik dronken van de geuren het prachtige honderdjaar oude pand.

Uit mijn boek de Kolonel: Boven de paleizen, Bodegas en huizen, op pleinen en langs brede lanen belegd met zwerfstenen wuiven de gepluimde kruinen van de ranke dadelpalmen. Soms twintig meter hoog, opwassend onder het mooiste blauw. Op een enorm plein spuit lawaaierig en levenslustig een fontein. Twee keer per jaar vallen de sinaasappels en mandarijnen van de bomen. Geknakt en geplet liggen ze in de goten. Niemand plukt het fruit. Door de witgekalkte muren van de bodega’s wasemt de sterke geur van sherry’s. Binnen liggen in rijen de lekkende zwartgeblakerde eikenhouten vaten hoog opgestapeld. Op de witgepleisterde gevels staan de namen van de grote Sherry landeigenaren. Ik herinner mij opeens een regel van Rimbaud: A noir, E blanc, I rouge, U vert, O bleu, voyelles/ Je dirai quelque jour vos naissances latentes.

Tekening Robert Kruxdlo 1,80 X 2.0 meter Palacio de Villapanés Jerez de la Frontera.

Tekeningen Robert Kruxdlo 1,80 X 2.0 meter Palacio de Villapanés Jerez de la Frontera.

Wordt vervolgd Robert Kruzdlo 2022

(Sinds 2016 heb ik in Amerika -Main, New Hampshire New York en Spanje, Andalusië in 14 verschillende steden gewoond. Tussen dode vulkanen, in oerbossen en aan grillige kusten. Alleen! In tegenstelling tot wat de grote fantast J.L op zijn blog De Bodemloze Beeldentuin beweerde ben ik sindsdien zeer gesteld op mijn eenzame zwerftochten en deel ik nooit meer een bed met een vrouw. (Ik of een ander zal hem op een dag juridisch wreken.) Maar inmiddels heb ik talrijke bijzondere vrouwen ontmoet.)

Het meisje met het rode haar.

Meisje met het rode haar 2021

2021 februari

Ook vandaag is de wereld niet veranderd. Het is februari. In het dal van Gyrus in de buurt van de Limbische bergketen en niet ver van Huesca dat stad betekent, dragen de olijfbomen pas ontloken bloesem en op de flanken van de gesplinterde rotsachtige bergen, tussen menshoge cactussen bloeit rozemarijn. Op het smalle gevaarlijke pad dat door de heuvels kronkelt, richting de zee, fladderden voor de voeten kleurige vlinders. Verscholen tussen de cactussen kwelen, in hoge tonen, de woerhennen en honderden wandelende takken vliegen op als je hun schuilplaatsen passeert. Onder een lage middagzon liggen landinwaarts de hoge, klifachtige, bergkammen die, zo nu en dan, in asgrauwe wolken worden gehuld. Voorzichtig ga ik voetje voor voetje over het oneffen pad. De uitgestrektheid beangstigt mij. Ik vraag mij af hoe de hersenen dit allemaal kunnen opnemen! Het zijn raadsels diep in mijn hoofd, de een nog raadselachtiger dan de ander die elkaar verdringen en blijft de wereld in al haar raadselachtigheid hetzelfde. Antwoord krijg ik niet. Wat is belangrijker, ik die hier op 1300 meter wandel of dat wat zich in mijn hoofd afspeelt?  

Toen ik voor wat voor een reden dan ook onder een staalblauwe hemel even stil stond en uitkeek over de snaarheldere zee, had ik geen idee hoe ik mijn dagen hier, tussen de heuvels en de bergen met diep beneden mij de zee verder zou doorbrengen. Ik volgde de bootjes op zee die met vette witte snorren door het water kliefden, snoof de aromatische geuren van de bomen en planten op en liep moeizaam verder. Ik had zeker acht uur gelopen. Onder het hoogste hemeldak dat ik ooit had bereikt, over de met de hand uitgekapte en slingerende rotspaden in zuidelijke richting dacht ik na, in stilte, over wie ik ben en over het meisje met de rode haren die ik een tijdje geleden ontmoet had. 

De avond ervoor had ik te veel gedronken en slecht geslapen. Als het pad steil naar beneden laveerde, of langs een rand van een ravijn de hoek omsloeg, hoorde ik een stem in mijn hoofd, dat ik beter terug naar het dorp moest keren. Maar dan antwoorden ik dat het niet lang hoefde te duren, nog twintig minuten en ik was beneden en de angst zal dan verdwijnen door de oprukkende schoonheid van de natuur: het dal van Gyrus want daarom was ik hier. De bergen en de zee spraken mij toe te blijven en de vrees voor al die weidsheid verdween.

Ik moest denken aan het meisje met het rode haar. Dronken lag ik in haar spichtige armen en praatte en praatte maar door. Er kwam geen einde aan. Ik zei: ‘Ik wil je schilderen en tekenen.’

‘Dat mag.’ Zei ze.

‘Naakt,’ zei ik.

‘Ook naakt,’ zei ze met een dalende stem en blies zacht in mijn oor en over mijn bruingebrande gezicht.

‘Maar dan gaan we ook neuken,’ zei ze met een donkere stem.

‘Dan gaan we ook neuken.’

September 2022 Robert Kruzdlo

(Sinds 2016 heb ik in Amerika -Main, New Hampshire New York en Spanje, Andalusië in 14 verschillende steden gewoond. Tussen dode vulkanen, in oerbossen en aan grillige kusten. Alleen! In tegenstelling tot wat de grote fantast J.L op zijn blog De Bodemloze Beeldentuin beweerde ben ik sindsdien zeer gesteld op mijn eenzame zwerftochten en deel ik nooit meer een bed met een vrouw. (Ik of een ander zal hem op een dag juridisch wreken.) Maar inmiddels heb ik talrijke bijzondere vrouwen ontmoet. Meisje met het rode haar is een van hen.)

Nooit weer komt die zomer voor hen.

   

Moeder 1955 koopt een televisie 1250 gulden.

Deze nacht word ik wakker met een koude neus. Een kil briesje glijdt door de kamers terwijl alle ramen en deuren gesloten zijn. Niet dat ik het koud heb, de muren van het huis zijn nog zomers warm. De nacht is erg gehorig, ik luister naar het aanzwellend water van het riviertje. Dan moet het achter de bergen regenen. De geluiden van de blinden knerpen. In het huis, een oude watermolen, liggen de tegels af te koelen van de hete zomer. (Flits: Straks bevriest de winter het vuur.) In de winter kan ik slechts een kamer verwarmen zodat de ijzige winter niet als een slang om mijn botten heen kronkelt. De haren rijzen nu al op mijn armen nu de zomer achter de bergen op de vlucht is en het laatste vleugje zomer uit het huis zal vertrekken. Ik haal een deken uit de kast.

   In mijn dromen zaag ik hout, kijk ik naar de lange rijen stapels houtblokken, de dikste waar straks de bijl in moet. Al die trappen weer op met in de mand stapels geurig eiken, olijf of den. Ik kijk in feite naar een ander hoofd.

   De bladeren vallen nog niet van de bomen en toch ritselt er af en toe een blad van een plataan door de steegjes en over het plein of het nog niet voorbij is, ontvouwt zich langs de natte berm een bloem, zelfs vlinders dansen over het asfalt, ze gaan de dood tegemoet. De klok tikt trager dezelfde seconden als toen het zweet van mijn voorhoofd viel. Nu schijnt de zon nog en ik loop zonder shirt naar zee.

   Een jonge vrouw zit in de branding op een steen. Haar lichaam gebogen, en…, ik weet niet of zij het weet of ik het mag zien, ik zie dat ze weent. Haar tranen kan ik niet zien. Ze lijkt moe, zo moe van alles dat ze zich in zee laat zakken. Met de palm van haar handen veegt ze soms over haar ogen en wangen. Ze brult onderwater want ze komt lucht happend boven en kijkt over het water, naar de horizon en begint te zwemmen. De golven slaan kolkend tussen de stenen, in mijn oren alleen geruis. Wat zag ze? Wat leidde haar naar haar verdriet? Waarom zie ik alleen haar verdriet en niet de reden? Waarom zien we een schilderij en niet het andere dat het schilderij maakt. 

   Ik volgde haar en wilde het andere meisje zien, HET en niet de buitenkant die kleiner en kleiner werd. Het meisje dat het meisje aan het huilen bracht, weten waar haar verdriet vandaan komt. Boven haar rijzen oude bloemkoolwolken, wolken die daar al uren in het Delfsblauw staan hoger en hoger. De bloemkoolwolken komen niet dichterbij en zij…? Waar is de vrouw? Ik kan haar niet meer zien, ik zie alleen maar de zee vinnige scherpe plooien, groen en azuurblauw en geruis in mijn oren. Verblind kijk ik naar de glinsterzee en zijn kleuren. (Zoals in Eline Vere.) Ik krijg een droge tong. ‘Het is voorbij,’ zeg ik tegen mijzelf. Stijfjes sta ik op…, kijk nog een keer om en loom, moe zoek ik naar die ander in mij. Naar waar de verhalen vandaan komen. En niet naar het verhaal dat nu alweer op papier staat. 

   ‘Wat een verhaal…, dus je hebt nooit iets vernomen van haar. Niemand die?’

‘Nee. Ik heb op het gemeentehuis nog vragen gesteld, ze keken mij aan of ik gedroomd had, te veel gedronken.’

‘Ook de kranten niet.’

‘Ook de kranten niet.’

‘Maar de nacht die volgde moest ik vaak aan de verdwenen vrouw denken, aan die merkwaardige gebeurtenissen aan zee, maar ook, – het verhaal kan misschien vreemd voor je zijn, moest ik denken aan het Fietsmeisje. Toch vind ik het waard het jou te vertellen. Het gaat over het Fietsmeisje, het meisje uit het dorp Selva de Mar waar ik woon. Ze komt elk jaar met de familie uit Madrid op vakantie. Ze hebben er een huis. Omdat ik er geen aanstoot aan wil geven, het je eerlijk wil vertellen, hoop ik dat je mijn gedachten niet belachelijk maakt. Het heeft nooit in mijn dromen mijn zaadblaasjes geleegd. Dit voorval en de prangende vraag, voor het geval je denkt is een ook een zoektocht: wat deed het Fietsmeisje besluiten om…. Hoe wordt iemand zoals zij is. Schroom voel ik niet, toch hoe zeg je dit, de eerlijkheid wint? Iedereen heeft het recht alles te doen, te zeggen als hij maar niemand kwetst. Maar je ziet soms het tegendeel. Bijvoorbeeld een geloof, een geloof in God die haar wil, macht op dat van anderen oplegt. Hun hoofd zit vol met verkeerde informatie die ze zijn tegengekomen in boeken. Boeken uitgegeven door beroemde uitgevers. Met slimme websites drogeren ze mensen met ideeën die vals zijn. God inmiddels een ceremoniemeester geworden wil nog steeds heersen over de natuur, het universum, de evolutie. Dat is niet goed, dat is geen democratie. Er is iets faliekant mis met de democratie als dit gebeurt. (Kijk maar eens naar Catalonië nu.) Goed, ik dwaal af. Misschien is het allemaal erg brutaal hoe ik naar de dingen kijk, erover denk, toch is het een eerlijke zoektocht. Misschien vind je het vervelend als ik het heb over het fietsmeisje, maar ik zag het maar op een manier en ik blijf erbij.’

‘Wat zag je.’

‘Ik zag in het fietsmeisje dat nog geen achttien jaar was, mijn moeder. Ik schaam mij om je dit te moeten zeggen, ik zag mijn moeder, en dat schokte mij. Het verhaal over mijn moeder zal ik nu niet vertellen. Wat hier gezegd moet worden, wat ik wil verduidelijken, omdat het allemaal zo opzichtig gebeurde is…, waarom zie ik zoiets als mijn moeder in het jonge meisje. Aan de buitenkant lijkt het Fietsmeisje niet op mijn moeder en toch. Ik was ervan overtuigd en dat vond ik niet meteen leuk: het fietsmeisje lijkt op mijn moeder.’

‘Waarom vertel je dit?’

‘Omdat ik wil weten waarom zij mij plotseling omhelsde. Wat was haar drijfveer? Uit welk hoofd’

‘Aan die kus ligt het niet, die was zacht, vertederend prachtig, mooier kan niet. Ik heb gezien en gevoeld wat er in mij gebeurde en niet alleen op dat moment, zeg maar wat als kus gebeurde, maar duizenden dingen meer. Er gebeurde zoveel meer, zoveel meer…. Precies dacht ik, zo was mijn moeder, Fietsmeisje haar ogen en die van mijn moeder, precies zo heb ik het in het Fietsmeisje haar ogen gezien en ook in moeders ogen toen ik klein was.’

‘Wat gebeurde eraan vooraf?’

‘Het was heel laat. Ik had een lange wandeling over het strand gemaakt. In het dorp Selva de Mar was niemand op straat. Het enige lawaai kwam van de grillo’s, krekels in de bomen. Ik liep naar mijn woning en achter mij hoor ik een auto stoppen. De auto rijdt achteruit van het pleintje en verdwijnt langzaam tot ik niets hoor dan de krekels. Ik moet nog twee steegjes door voor ik de sleutel in de oude zware voordeur steek. Achter mij hoor ik plotseling geschuifel. Ik keer mij om en daar staat met haar schoenen in de hand het Fietsmeisje. Ze laat haar schoenen vallen en omhelst mij. Ze kust mij en drukt mij tegen de deur die openvalt.’

‘De rest hoef ik niet te horen.’

‘Nu dat is nu precies wat mij kwetst. Ik snap je, we hebben allemaal in ons leven manieren om gevoelens in hokjes te stoppen en te verdelen, zo hebben we zo min mogelijk met tegenstrijdigheden te maken. Wil jij niet weten waarom je zo denkt? In de hemel wachten mij 76 maagden, wedden. En zo denken nog steeds meer dan 120 miljoen Amerikanen.’ 

(Sinds 2016 woonde ik in Amerika en Spanje in totaal 14 verschillende steden. Alleen. In tegenstelling tot wat een fantast J.L. beweert op zijn blog Bodemloze Beeldentuin ben ik zeer gesteld op mijn eenzame zwerftochten en deel ik het bed met geen enkele vrouw. Ik ben “genderloosoud”. Maar inmiddels heb ik talrijke bijzondere vrouwen ontmoet. Het Fietsmeisje is een van die vrouwen.) Robert Kruzdlo Cadiz 2022

Bodemloze bodem om te vliegen.

Gim circusartiest 2022 Jerez de la Frontera

Gim.

Gim, lacht en vraagt hoe het met mij gaat. Ik antwoord niet de waarheid en omdat het al twaalf uur ’s nachts is moet ik op mijn hoede zijn. Gim, wil een biertje met mij drinken. Ik stem toe en we lopen samen naar een flamenco bar. Het is er altijd gezellig, rumoerig en harde muziek. De meeste mensen zijn tegen de tachtig, maar ze zijn springlevend, dansen en klappen mee met het ritme van de muziek. Dat lukt Gim niet. Een oudere vrouw naast Gim geeft uitleg hoe je met drie middelste vingers in je handpalm moet klappen. 12 tellen. Het twaalf-tel cyclus is moeilijk om te leren. Gim doet haar best. Ze krijgt het warm. Doet haar zomerse trui uit. De obers rollen met hun ogen. De buurvrouw van over de zeventig doet Gim voor hoe de flamenco wordt gedanst. Gim haar huid glanst. We drinken en als de tent gesloten wordt luister ik nog steeds naar haar verhalen over Porto Portugal waar ze een circusopleiding volgt. Even later staan we buiten. Het is 28 graden en de hemel lekt sterren. Gim, weet niet waar haar hotel is. Ze heeft het adres niet opgeschreven. We nemen naar een paar proeven om de herinnering op te frissen afscheid. Over lege pleinen met bruisende fonteinen, kinderkopjes lopen stellen die elkaar ondersteunen. Ze praten hardop. Dan gaat de telefoon: ‘Hier met Gim, ik ben mijn trui vergeten en nu zit ik in een politieauto. Ze geloven mij niet dat ik het adres van mijn hotel vergeten ben, kun jij het hun uitleggen. Dan een lange stilte. De batterij van mijn telefoon is op. 

Ik ben nog teruggelopen naar het café. Haar trui hing op een cactus die voor het establishment stond.

Robert Kruzdlo 2022

(Sinds 2016 heb ik in Amerika en Spanje in totaal 14 verschillende steden gewoond. Tussen dode vulkanen, in oerbossen en aan grillige kusten. Alleen. In tegenstelling tot wat de fantast J.L. beweert ben ik zeer gesteld op mijn eenzame zwerftochten en deel ik, sindsdien nooit meer een bed met een vrouw. Maar inmiddels heb ik talrijke bijzondere vrouwen ontmoet. Gim, is een van die vrouwen.)

Parakleet

Robert Kruzdlo 1956

De Parakleet.

Ik ga opnieuw de bijkeuken, met vier afgebladderde muren en een zwartgeblakerd plafond, binnen. In de hoeken hangen loom stoffige spinnenwebben. De gootsteen boordevol met vuile vaat. Een dode witte hoen haan ligt op de rand van het aanrecht, met zijn kop naar beneden. Tussen de muren gespannen waslijnen zijn afgeladen met wasgoed. Van de ruiten stroomt condens. Op de rotte vensterbank liggen plassen water die ‘s nachts opvriezen. De zon kan niet binnendringen. In de bijkeuken schemert de dag en er brandt altijd een peertje licht. Een magere vrouw, mijn moeder, zit ineengedoken voor de kachel. Het vuur danst in haar ogen. Moeder staart onzalig, licht voorovergebogen naar de brandende kolenkachel. In haar ene hand een koperen pook en in de andere een peuk. De ellebogen rusten op haar knieën. Op haar witte handen en gezicht flakkeren de schaduwen van het vuur. Haar handen hebben veel doorstaan. Achter haar rijen wasgoed: handdoeken, washandjes, hemden, onderbroeken, badstof maandverbanden, nylonkousen en de trouwjurk. Vanuit de keuken, de enige verwarmde ruimte van de villa, zijn door het met ijsbloemen begroeide raam vaag de besneeuwde tuin en het hellingbos te zien. Zacht als een verbleekte foto. Gister heeft moeder ook niets gezegd. Ze spuugt op de kachel voor ze er kolen in schept.

Om haar schouders heeft moeder een deken geslagen. Ze heeft het altijd koud. Het liefst zit ze op de kachel, zo kouwelijk zijn haar blik en handen. Onafgebroken rookt ze met de hand gerolde sigaretten, die bij het inhaleren fel oplichten. Een paar seconden later verlaat de sigarettenrook tegelijk neus en mond. 

…in een flits, komt uit moeders oren rook.

Moeder wil niet weten hoeveel ik van haar houd. 

‘Liefde moet ergens zijn, maar waar, in het mortuarium?’ heeft ze ooit gezegd. Ze zou in razernij ontsteken als ik toch zal zeggen: ‘Moeder ik houd van u.’ 

Nu weet ik het niet meer. Wat betekent liefde en wat kunnen woorden zoals liefde nog zeggen? Liefde eindigt in pijn en verdriet. Ik kan mij geen moment herinneren dat liefde iets was dat je kunt voelen. Warmte zou ik willen. Maar wat is de wil waard? 

‘Het is hier koud,’ zegt ze steeds, ‘verdorie wat is het hier koud. Ik voorspel jullie, mijn leven zal nog een tijdje duren, met of zonder liefde.’

…moeder is een stofnest.

Ze kamt haar haar niet meer. Het elastiek dat haar haar in een knot bijeen houdt, zit vergroeid. Uit haar afgedragen sloffen steken haar tenen. Met een snedige stem: ‘Wat sta je daar nu weer?’

Ik schrik, moeder in haar zelfkastijdenkooi met onzichtbare tralies, die alles smoort en verteert in stilte heeft iets gevraagd. Ik weet dat ik niet moet antwoorden. Alleen het geroezemoes van de brandende eierkolen is te horen, vuur is haar enige troost. Er is niets te redden dan wat blijft. Het nu. Ik weifel, wat zal ik doen? 

De stilte maakt me gek. Woorden die geen vlees meer worden. Ik durf haar niet aan te raken en het over mijn ziekelijke heimwee te hebben. ‘s Nacht huil ik. 

…wat sta je daar nu? Straks schiet je wortels.

Hitte en kou. Wij beoordelen elkaar onophoudelijk verkeerd. Het bewustzijn, de geest en de taal hebben zich verstopt. Metafysisch hebben de woorden geen enkele nut. Haar schaduw, de schaduw van de was op de met ijsbloemen begroeide ramen gaat boven de metafysica uit. Daarom kijkt moeder geobsedeerd naar de vlammenzee. Haar onsterfelijkheid is dat je van haar geen beeld of afschaduwing kunt maken. 

Mentaal heeft zij zich afgekeerd van de wereld, de werkelijkheid en de feiten. De wereld om haar heen stelt niets voor. Ze is klaar. Vandaag is het mijn laatste dag. Vandaag vertrek ik met overgrootmoeder Pointilleux of Pieter en oma An naar Domburg, Zeeland. Naar een villa aan de voet van de hoogste duin van Nederland. Er zijn ook een bos, tuin en een aparte lagere school voor katholieken en protestanten en niet-gelovigen, heeft oma gezegd. Moeder, die wil blijven.

…sta daar nou niet zo, wil je onkruid.

Op de door de houtworm aangevreten poten van de keukentafel staat op het plastic tafelkleed bezaaid met brandplekken, kratertjes als ogen, een pot zelfgemaakte pruimenjam met schimmel. Er ligt een rond witbrood van twintig cent dat stinkt, een mes met een bakelieten heft steekt in een homp donkergele boter. Een verbrande snee brood op een Verkade theelichthouder. Een gedeukte aluminium koffiepot. Het is negen uur in de ochtend. Ik sta in de deuropening en wacht op een commando. 

Moeder heeft de sigaret tot een stompje gerookt. Als ze bijna haar lippen of vingers verbrandt, opent ze nonchalant, met haar pantoffel, de klep van de kachel en schiet ze met duim en wijsvinger het stompje sigaret tussen de heten kolen. Onmiddellijk rolt ze een nieuwe. Met haar witte tong likt ze vanuit het midden van het vloeitje naar rechts, dan naar links, drukt de plakkant aan en steekt de sigaret met een opgerolde krantensnipper aan. Ze kreunt en hoest nooit.

…godganselijke dag en blijf daar niet zo staan.

Geruisloos loop ik naar het aanrecht vol vuile vaat. Uit de kraan druppelt cijferloos per seconde water. Het maakt dat alles tijdloos is. Een teiltje is tot de rand gevuld met ongeschilde aardappelen vol kiemende scheuten, een pier kruipt over de rand, een lange regenworm. Hij valt kronkelig op de granieten vloer. De paarse kop van de dode witte haan die over de granieten aanrecht hangt, was gister nog rood. Nu zwart en met uitpuilende ogen, hard als steen.

…zijn dode hersencellen weten dat we hem hebben vermoord.

De besmeurde hakbijl ligt naast hem. In een aardappel steekt een mes zonder heft. Op de kachel kookt het water. Straks gaat overgrootmoeder de haan kaalplukken. Ik draai de kraan dicht. Ik wil op de pier gaan staan.

…kijk niet zo, zegt moeder zonder mij aan te kijken.

Moeder kijkt naar het gebroken mica glas waarachter vlammen dansen, in kleuren, rood, geelblauw, oranjezwart en soms paarsrood. Naast de kachel staat een onopgemaakt bed. Een kolenkit met eierkolen uit de staatsmijn Emma. Plotseling draait moeder zich om.

…waar kijk je nu naar, nu ja zeg?

Ik schrik. Ze richt zich eindelijk op. Ik vrees haar, maar gelukkig beweegt ze. Ik kijk naar haar stoffige, uitgedroogde gelaat, dat door de vuurgloed in haar gelaat getrokken is. Ik zeg: ‘De haan bloedt niet meer, er ligt bloed op de vloer.’ 

‘Het moet ergens heen,’ zegt ze en staat op. Eindelijk.

…ga eens opzij wil je.

Overgrootmoeder en grootmoeder komen bonkend van de houten trap. Ze hebben boven alle kamers van de villa geïnspecteerd en keren teleurgesteld terug de bijkeuken in: ‘We hebben niets meer,’ met een zucht, ‘alles hebben die kerels weggehaald, zelfs het slaapkamerzeil hebben ze meegenomen. Moeder graait in haar schortzak.

…een stapel post, zegt moeder en sta daar niet zo, ga sneeuw scheppen.

‘Hoe kom je aan die post?’ vraagt grootmoeder en zet grote ogen op. Ze gaat zitten met haar boezem op de keukentafel.

…wat maakt dat nu uit?

Het hellingbos ligt verscholen in een doffe witte mist. De ijzel die uit de kruinen van de bomen valt, ploft op de sneeuw en boort gaatjes in het tapijt. Op de sneeuw ligt een zilver laagje ijs waarin mijn voetstappen van gister nog te zien zijn. Het enige wat ik kan, is kijken, zonder een woord zien. Door het raam, tussen de was door, kijk ik naar moeder. Haar rug heeft mimiek. Haar rug hoort in een andere ruimte en nu niet hier, bij haar. Ze heeft veel meegemaakt.

Overgrootmoeder zoekt in haar tasje naar haar bril en zakdoek. In het geval dat ze de post moet doornemen en moet huilen. Getergd kijkt ze tussen de onderbroeken met veters naar buiten. Ze kijkt met een blik van een blinde en denkt: gaat hij nu sneeuwscheppen? Ze ziet iets anders dan er is. Misschien alleen de ijsbloemen? Mij ziet ze niet staan.

Krakend verdwijnen mijn schoenen in de verse sneeuw. Dan draai ik mij om en kijk naar de villa. De villa die, behalve de bijkeuken, leeg is gehaald, verbeurd verklaard is en elk moment kan moeder uit huis geplaatst worden. De villa lijkt op een oude foto. Korrelig en rafelig. Wij, overgrootmoeder, oma en ik hebben onze koffers veilig in de kelder verstopt. De autoriteiten kunnen mij verder geen pijn meer doen, heeft moeder gezegd, en dat lucht op.

…pijn dat doe ik mezelf wel aan.

Voor de mannen het huis kwamen leegruimen, heeft moeder met hulp van klissende crapuul uit de Stokstraat, een hoerenbuurt, waardevolle dingen verpatst. Daarmee heeft ze de rekeningen van de kroeg betaald en wat over was in een oude sok onder het aanrecht verstopt. Je zou in het centrum van de stad, de kroeg, in het tweedehandswinkeltje De Traan, antiekwinkel Koperpoets en misschien in cafés naar de spullen kunnen zoeken. Die gedachten doet pijn. Onderwijl schep ik sneeuw, een pad van de voordeur naar de straat. Dat heeft moeder gezegd, nu weet ik het weer.

…een vrouw is met haar geslacht betrokken bij alle dingen van het leven, maar dan heeft ze wel een kerel nodig, een vent om haar recht te halen.

Bezweet slenter ik door het besneeuwde verwilderde. De sneeuw kraakt en knerpt. Ik luister aandachtig naar mijn voetstappen. Vroeger bloeiden de seringen, wit en paars en de kersenbomen, nu staan er alleen zwarte stompjes, die boven de sneeuw uitkomen. De zaadbollen van de uienbloemen op paarsachtige stengels zijn bevroren. De twijgen van de bessenstruiken staan roerloos diepzwart axonaal. De pruimenboom is er ook niet meer. De wortels onder de sneeuw, de zelfdenkende zeefcellen, de zelfdenkende wortels zullen nieuwe zelfdenkende twijgen maken. Er komt geen mens aan te pas. De laatste zomer heb ik met een huisschaar het gras stukje bij beetje geknipt. Blaren op mijn vingers. De geur zal ik nooit vergeten. Sinds moeder raar doet, wil geen kind met mij spelen en als dat toch gebeurde, wist ik in paniek niet wat te doen. Dat heb ik nog steeds. Ik sla alle uitnodigingen af. 

Kan de definitieve verlossing, het einde van deze situatie nu eindelijk beginnen? Immers, in de villa zal er nooit meer een bed voor mij staan. Met een vertrokken mond maak ik krakend een sneeuwbal en gooi die zo hard ik kan tegen de ruit van mijn slaapkamer. In de ruit komen barsten, gooi harder sukkel! De sneeuw plakt aan het gebroken glas, maar de ruiten breken niet. Nog harder. Wie zal de ruit vernieuwen? Een wak komt in de ruit, dan splijt het in stukjes. Mijn leven, stukjes glas die tussen de besneeuwde pioenstruik vallen. Oma’s lievelingsplant. 

‘Waarom, weet ik niet, met moeder gaat het steeds slechter, waarschijnlijk heeft ze nog een kans, als ze de poot van de haan opeet’, heeft grootmoeder gezegd.

De woordloze stilte in de tuin, de villa, het bos, maakt dat de wereld, de werkelijkheid simpel in elkaar zit. Ik voel geen woede, machteloosheid noch haat, nee, eerder opluchting dat het verleden geen recht meer heeft van spreken. Heimwee zit niet in de dingen. Het zit in ruimtes, tussen mijn hersenweefsels en windsels, in het geluid van een uilenroep, tussen de sterren en… Verder kom ik niet.  

Er sneuvelt nog een ruit. Ik hoor gevloek. Ineens is alles anders. Ik zie niemand, schreeuw terug. Van de dakgoot vallen geen mussen van de kou. 

De definitieve heimwee achter mijn ogen zeurt onafgebroken aan mijn kop, liever had ik dat gevoel nooit toegelaten, nu is het te laat. Mijn tranen blijven droog. Ik zal de herinneringen naar elders meenemen en als je het met je meedraagt, gaat het nooit meer weg. In stilte blijft het bij je, diep begraven in je hoofd. Daar gaat het een eigen leven lijden. Ik moet denken aan de kop van de witte haan. 

Als het stil is, zoals nu, is de tijd er niet. In de villa mag geen klok de tijd aangeven, had moeder gezegd. Overgrootmoeder heeft haar wekker verstopt. Oma heeft gelukkig haar Swiss reiswekkertje nog. Tik, tak, tik komt vaak ongevraagd in mijn hoofd terug. De wereld bestaat niet uit dingen, hij bestaat uit zelfdenkende hersencellen.

…ben je NU al terug?

Met tintelende vingers klop ik de sneeuw van mijn broekspijpen. Mijn vingers doen pijn. Schoenen heb ik in de gang achtergelaten en nu sta ik op mijn sokken te verkleumen met mijn schouder tegen de deurpost van de bijkeuken. Hoe moeder de ruimte inneemt, is verstikkend. Ik kan niet in dezelfde ruimte erbij. Toch is er genoeg ruimte voor een olifant, haar lievelingsdier. In deze verstikkende vochtige ruimte heeft iedereen net genoeg ruimte om te ademen. Zelfs dan nog weet ik de weg niet. Op het aanrecht ligt nog steeds de bijl, besmeurd met zwart hanenbloed. De bijl rust uit, denk ik. Op de brandende kachel staat een pan water waarin de geplukte haan drijft. Altijd staat er een pan met borrelend water op de brandende kachel. Zo wordt de was nooit droog. Onder mijn voeten ligt een plas.

…heb je nu de sneeuw bij de voordeur weggeschopt?

Ik knik. Ze denkt dat ik lieg. Moeder weet dat wat zij denkt, dat ik dat denk. Ik denk, wat zij denkt dat ik denk. Als ik iets heel anders denk, denkt zij het ook te weten, dat ik weet dat zij dat weet. Dit leidt ertoe, zo las ik later, dat we zo verstrikt raken in deze situatie waaruit je bijna onmogelijk lijkt te kunnen ontsnappen aan de regels die wij hebben gemaakt en dat is wat ik wil begrijpen. Ik doe mijn jas uit en hang die aan de deurpost. Mijn sokken ruiken naar frisse modder.    

…de bomen, het bos, die moeten ook afscheid nemen van ons, vraag niet hoe, dat weten alleen de bomen, die weten alles.

Ze haalt diep adem en begint te hoesten. Ik ga geruisloos zitten, de geur van de bouillon zit in mijn buik te roeren, terwijl dat helemaal niet kan.

De pier kronkelt onder de kachel. Overgrootmoeder heeft de veren in een papieren zak gedaan, maakt het bebloede mes schoon en kijkt mij aan zonder dat ze mij ziet. Ik schrik en zwaai met mijn hand. Ze schrikt. Op haar voorhoofd parelt zweet. Wat vraagt zij zich af? De pier kronkelt om moeders vinger. Ze legt het met een glimlach op de kachel. Ik knik en bijt op mijn tong. Overgrootmoeder laat pruttelend scheten. In haar onderbroekspijpen verzamelen zich de drollen. Ze loopt vloekend naar het toilet. De pier sist.

…de nachten zijn helder genoeg, de zon hoeft niet meer op te gaan.

‘De zon,’ zegt grootmoeder, ‘is een wereld in brand.’

Ik hoor de wind in de kachel meerstemmig rochelen. Moeder opent het deurtje van de kachel en stookt het vuurtje op. De vuurtongen schieten naar buiten. Verduisterd vlamlicht

…er komt een moment dat de wereld niet meer bestaat.

Ze loert tussen haar oogharen naar mij. 

…ga jij nu eens ergens anders zitten alsjeblief, wil je.

Op een stoel voor het raam probeer ik naar buiten te kijken. Ik blaas tegen de ruit en krab met mijn duimnagel de blaadjes van de ijsbloemen weg. Tussen de zwarte boomstammen dwaal ik af. Elke opening tussen de bomen ken ik. Het licht kraakt. Een windje is komen aanwaaien. Poedersneeuw stuift tegen het raam. Sneeuw dwarrelt hier en daar van de bomen. De kruinen trillen, barsten in de granieten lucht. Met een korrelig zonnetje op het innerlijk behang vraag ik mij af: hoe vaak zat ik hier?  

Boomwortels. Wortels die de kelder zijn binnen gegroeid. Boomwortels die onder de aarde verbonden zijn. Alle bomen van het bos hebben contact met elkaar, mensen niet. Mensen verplaatsten alleen lucht. In de omgeving van de villa hebben alle bomen van het hellingbos, dat in Limburg staat, Nederland, Europa, over de hele wereld contact met elkaar en berichten elkaar over elk ongeval, rottende, vermolmde, stervende en de dode bomen. Droom ik? Natuurlijk droom ik, ook ik mag een woordje meespreken. De wortelberichten zijn alleen binnen in de boom te horen en als je hoog in de kruin van de boom klimt en je laat vallen, hoort de boom de val. Ik droomde eens in de kruin van een boom dat ik in de lucht kon fietsen of wilde ik toen dood? Ik ben toen uit de boom gevallen. Lees het volgende verhaal maar eens.  

Boomwortels groeien door mergelsteen keldermuren. Eerst onzichtbaar komen ze cel voor cel, millimeter na millimeter, de vochtige kelderruimtes binnen. Als het regent, voeren de wortels cel voor cel een riviertje hemelwater de kelder binnen. De mens is ook van cellen gemaakt. Die cellen weten precies wat ze moeten doen. Je hoort ze niet denken, toch doen ze wat ze moeten doen. Ze bouwen ons op als levende wezens met een geest. Dat weet elke boom in ons hoofd.

…blijf met je vingers van de knoppen van de radio.

De bomen in het bos huilen niet, alleen als de sneeuw smelt of de wind huilt door de takken. Onze ogen kunnen verteren en smelten, huilen doen ze niet. Er is iets anders dat huilt. Of toch, maar dit komt pas later, nu niet. Als moeder mij recht in de ogen kijkt, smelt ik. Ik los op. Ben er niet. 

Onderwijl heeft overgrootmoeder de haan in stukjes gesneden en terug in de pan gedaan. Oma was ik vergeten, die maakt de ingewanden schoon. 

‘Kom snij jij de uien eens,’ zegt oma. Ik moet huilen omdat ik de uien moet snijden. Onderwijl het snijden huil ik ook echt. Ik smelt. Oma zegt dat dat door de uien komt.

…ik heb geen honger.

Moeder beweegt heen en weer op haar stoel. 

Als…, moeder beweegt, ze komt nauwelijks van haar plaats. Ze rilt. Als ze nu opstaat, zal iedereen schrikken.

De klok boven de deur van de wasruimte heeft een witte plek achtergelaten. De wijzers zijn onzichtbaar achtergebleven. De wijzers van de klok draaien langzaam naar boven en dan weer naar beneden, Sisyphus arbeid. Er zijn hooguit een paar uur opgegaan op de plek waar de klok heeft gehangen, een eeuwigheid. De eeuwigheid duurt nu langer, hoelang nog weet ik niet. Dat komt omdat nu alles in de breedte gaat. Onbeweeglijk staat beweeglijk de tijd weg te tikken. Overgrootmoeder gelooft in het Hiernamaals. Oma in de eeuwige wederkeer. Met alles drop en draan. Ik geloof alleen in het nu. Dus…

…wanneer vertrekken jullie? vraagt moeder stram aan overgrootmoeder.

Overgrootmoeder en grootmoeder zeggen tegelijk dat ze nog niet willen vertrekken. Toch moet het nu eenmaal. Eenmaal is bijna onverstaanbaar ‘Einmahl’, mompelt moeder. Na een lange stilte, terwijl ze naar haar handen kijkt.

…kom, jullie moeten toch maar eens gaan.

De soep staat op de kachel te pruttelen. De bouillondruppels spatten uit de pan en rollen sissend over de hete plaat van de kachel. Moeders omfloerste stem:

…wanneer vertrekken jullie verdorie nu?

Het was misschien haar stem, maar lang niet meer dan een aflatende zucht. Ze zucht woorden, al hoor je ze nauwelijks. Wij horen de woorden, kuch en zucht en daarbij rookt ze als een schoorsteen. Als ze slikt, heeft ze een adamsappel.

…laat mij maar in rook opgaan.

Iedere keer als ik dromerig naar de lege plek, waar de klok heeft gehangen, kijk en luister naar het druppelen van de kraan, die elke seconde aangeeft, wordt het kijken steeds dromeriger, waardoor de werkelijkheid steeds verder vervaagt. De ingewanden van de haan komen boven drijven. De vrouwen. Overgrootmoeder haalt de vochtige was van de lijn. Grootmoeder veegt de vloer. Moeder stookt de kachel op. Een wervelwind van stof en geuren verbindt ons en ook weer niet.

…haal jij eens een kit eierkolen uit de kelder.

Ik had het niet gehoord, ik droomde het en dus reageerde ik niet. 

…jij luistert niet.

Moeder kijkt mij met grote ogen aan. Haar lippen zijn gespannen, strak en opgerekt. Van haar wijd opengesperde ogen weerkaatst een vreemd licht, leeg en kristalhelder boos. In de pupillen zitten barstjes, scheurtjes. Haar woede is een uitbarsting van oud zeer, dat weet ze, maar ze kan er niets tegen doen. Ik ben hét. Ik, de dromer die langzaam verdwijnt, verdwijnen zal, moet. Op zulke momenten lukt het haar een lava van oud zeer, gloeiende modder, als een vulkaan, over mij te spugen. Misschien heeft ze het gezien, ik krimp ineen. Alles doet ze met een blik.

…jullie luisteren niet.

Ik laat moeder nu even spreken: Tussen de rookflarden kijk ik naar Ans’ treurig gezicht en haar haarknot. Snik. Grijs, alles bij haar is grijs. Overgrootmoeder kijkt naar de keukenvloer, haalt de bezem en begint de keukenvloer te vegen. Stof dwarrelt op. Ze heeft eerst het hanenbloed van de keukenvloer verwijderd. Ze zucht, zet de bezem in de hoek, veegt het hoopje stof op en loopt de gang op. Ik hoor de gangdeur, die met een knal opengaat. Vastgevroren. Ze klopt het blik uit. Ze komt terug en samen met overgrootmoeder lopen ze de gang op omdat zij mij geen blik gunnen. Zoonlief volgt. Je kunt van hen op dit moment geen greintje liefde verwachten. Wat anders dan? Geld is er niet. Ze denken dat ik dood wil. Natuurlijk ga ik liever dood dan dat ik dit allemaal nog langer moet meemaken. Die nuduurt mij té lang. Met die smoelwerken om mij heen, afhangende mondhoeken, driftige ogen, zo flets als spoelwater, daar heb ik geen zin in. Ze gunnen me het vuur, de slagader, de aorta van het leven niet. Luisteren, dat doen die vrouwen… toch niet. Zoonlief, hoort alles. 

Mijn dromen hebben heel veel geld gekost en we zijn nu blut. Kijk toch, die An, ze heeft mij altijd geholpen, toch ging het iedere keer weer mis. 

…gaan jullie even op de trap uitrusten, zeg ik opgewekt, de mensen van de gemeente komen mij zo halen.

Ik zeg het niet hardop: Fallilp, jongen, het heeft geen zin om daar als een gespannen boog in de deurpost te blijven hangen. Waarom toch? Mijn tijd komt heus wel, wees maar niet bang mensen. De geschiedenis van mij is niet te beschrijven, door te vertellen vertel je niets. Wie kan nu in mijn brein kijken? Alleen ik kan dingen zien in mijn brein, zonder ogen. Wacht, luister:

Ik wil hier niet langer blijven, zegt grootmoeder tegen overgrootmoeder, laten we nu gaan.

…jullie kunnen voor mij de hort op en neem de pan bouillon maar mee.

 Ik sta weer in de deuropening. Uit de kookpan met de kip komt aangebrande ranzige bouillonlucht. Afscheid is niet mogelijk. Weggaan wel. Nu moeder weet dat iedereen weg wil. In een beweging kan ik moeder tegen de kachel drukken. Haar hoofd op de kachel duwen en tegen oma roepen: Alice, moeder is voorovergevallen. Overgrootmoeder en oma staan, met hun koffers, in de hal te wachten. Ze geloven het wel.

‘Wat ruikt het hier ineens naar verbrand varkenshaar,’ roept oma amechtig vanuit de hal. Een kreet van bevrijding is te horen. De bomen weten er alles van. De schaduw van het hellingbos licht op. Het wordt verschrikkelijk stil. Tot oma haar koffer optilt. Ze mompelt: ‘Wat zal ze blij zijn als we opgehoepeld zijn.’

Ze is eindelijk in de hel, lieg ik, en loop naar de hal. 

An, dik ingepakt, stapt richting de keuken en staat stil op de drempel. Ze kijkt onthutst naar de omgevallen aangebrande hanensoeppan. Ze doet haar ogen dicht en perst tussen haar gesloten ogen zwarte tranen. Overgrootmoeder staat achter haar en heeft in haar broek geplast. Haar gelaat heeft de kleur van witlof. Ze moet het warm hebben. Ze zegt: ‘Het is al verleden, over, wat kunnen we doen?’ 

De bomen in het bos weten het allang: dat. Ik heb haar nog nooit zo gelukkig gezien. Ze slaapt. Ik had gelijk, uit haar oren komt rook.

Ik heb altijd tegen moeder gezegd, ik help u niet. ‘Blijf maar in de buurt’, had ze gezegd, had ze weken geleden al gezegd. ‘Dan kun je het aan iedereen vertellen.’

Een onzichtbare hand zal het werk doen.  

Overgrootmoeder en oma staan als twee kleine kinderen in de hal te snikken. De houten vloer kraakt onder hun voeten. De geuren, via de keuken, naar de kelder, via de wortelgaten in de keldermuur naar het bos, van het hellingbos naar provinciale domeinen, Europese natuurparken, werelddomeinen en naar alle werelddelen van Noord- tot de Zuidpool vertellen het verhaal. Moeder haar blik, houtskool verkleurde ogen, zwart, handpalmen paars, bewoog ze? Wil zij mij aanraken. Dat is niet beloofd, toch?  Alle bomen in het bos weten ervan, tot aan de andere kant van de oceaan.

Dat vinden overgrootmoeder en oma ook, want die hebben dit allemaal min of meer voorspelt, ze kan me wat! Vreemd dat mensen tegelijk aan hetzelfde kunnen denken en niets ondernemen. Nee, ik doe het niet, zeg ik tegen mijzelf op de gang. Zoals beloofd − ik kijk naar de twee vrouwen − ik ben in haar buurt gebleven. Punt. Niemand heeft de geschiedenis een andere wending willen gegeven. Daarom zijn we hier. We gaan ervoor, heeft moeder gedacht. De lucht in de gang is kil en smerig. Ik ril. Hard trek ik de keukendeur achter mij dicht. Wij schuifelen met onze koffers uit de vestibule, via het bordes de trappen af, de straat op. De sneeuw blijft gevaarlijk aan onze schoenen vastzitten, de lucht is fris. In de verte ploegt een auto door de sneeuw en komt onze kant op.

Niets vermoedend zegt de chauffeur, die in de auto blijft zitten: ‘Ben ik op tijd?’

Tot onze enkels staan we in de sneeuw. ‘Alice, we gaan’, zegt oma en kijkt naar het bordes. 

‘Nu kan alles nog meer stuk’, zeg ik hardop. Niemand luistert. 

Ik weet niet of die zin klopt. Toch heb ik me uitgedrukt als een dwaas die de waarheid kent. Achter de villa stijgt zwarte rook op. Ik ren naar boven en trek de voordeur hard dicht. 

‘We hebben de open haard geblust,’ zegt oma tegen de chauffeur en stapt met tegenzin in de auto.

De chauffeur opent de achterklep en doet de koffers in de achterbak. 

Even is het zo stil, waardoor er niets gebeurt. Kan gebeuren. We kijken elkaar aan. Overgrootmoeder zegt dat ze ijskoude billen heeft. Ik ruik niets.

We zien het nu, we kijken ernaar, als naar een film. Wat we moeten doen? Vertrekken.

‘U weet waar u heen moet?’ zegt An. 

Ik verzin de antwoorden op de vragen die niemand mij stelt. Moeder is door het vuur gegaan, moeder werd langzaam as. Of moet ik zeggen, vooral met minder bijvoeglijke naamwoorden, die het erger maken dan het al is, dat de geluiden van de kachel anders waren. De vuurhitte brulde, vuurtonen als tonen uit orgelpijpen, een requiem. De stank, hoe leg ik de stank uit? En dan moeder, hoe vertel ik ooit iemand hoe u veranderde en verkleurde, als een houtskooltekening. Over haar gezicht trok het vuur, uit haar gelaat haar ogen en uit haar oren kwam rook, denk ik op de achterbank. En haar zenuwen komen tot bedaren, zwart als verbrand papier stijgt moeder op naar de hemel. Water. Moeder haatte water. Niemand zal mij geloven. Bomen houden van water, niet van vuur.

Het is wel iets anders dan je jaszakken volstouwen met stenen en de rivier inlopen. Gas, een oven hadden we niet.

Als de auto slingerend wegrijdt, kijkt niemand om. In de zijspiegel zie ik de villa kleiner worden, tot een punt en dat was het dan. Iedereen weet wat het einde betekent van een verhaal, net bij een film, Fine, het doek wordt sneeuwwit.

We zijn − als de wortels van de bomen − op weg naar ons nieuwe huis in Domburg Zeeland. Een villa in de duinen. Mijn brein heeft geen enkel belang bij de herinneringen. De herinneringen vechten het zelf maar uit. Wie ben ik om daar iets aan te veranderen. De natuur overleeft alles. Hoe wreed iets ook is. Tot de laatste boom, op aarde. Zo is de natuur, water, aarde, lucht, vuur. De zon. 

Ik zal altijd volhouden dat het de vrije wil van het noodlot was.

Het is vreemd dat wij het kleinste van een atoom en tegelijk het einde van de oneindigheid niet kunnen zien. Oneindigheid heeft geen einde? Het kleinste van het kleinste is misschien het niets, dat wij nooit zullen zien. Precies tussen het kleinste en het grootste in staan wij. Dit heeft moeder gezegd: ‘Omdat wij niet alles weten, weten we niets.’ 

Niet alles kan precies gezegd worden. Een klein deel misschien.

.

Hoofdstuk uit het korte verhaal De Parakleet uit de bundel Sneeuwpoeierke.

Robert Kruzdlo New Jersey USA 2022

Als je kijkt luister je…

Links Juana la del Pipa Jerez de la Frontera 2022

Antonio ‘El Pipa’ en ik kunnen het maar niet eens worden wanneer we naar New York zullen gaan. In Tabanco a La Feria, waar ik elke dag een wijntje drink komen we elkaar geregeld tegen. Och ik houd van vóór een café, voor de Tabanco a La Feria op het trottoir met schamele tafels en krukken, op te houden samen met Antonio ‘El Pipa’ en natuurlijk met het ‘JippieJaJee’ in het plat Andalu van Juana la del Pipa. (Zie foto boven.)

U snapt het niet? Goed hier wat foto’s van de mannen tijdens hun optreden. En denk nu niet als u ergens anders woont, bijvoorbeeld in Ierland, dat u iets snapt van flamenco of Spaans gitaarmuziek¡¡ Daarvoor moet je echt hier wonen. Wat kunnen deze kerels zingen. Joost mag het weten.  

De naam van de danseres ben ik vergeten. Ik heb haar meerdere malen getekend en geëxposeerd. In september heb ik in Jerez weer een expositie. De Pipa’s zullen er ook bij zijn.

Ik houd van Jerez de la Frontera want elke avond flamenco en Spaanse gitaarmuziek. Waar zie en hoor je dit…¿

.

.

Ouder optreden. Wakker worden mensen
Uit het hart en zelfs de handen zingen mee.
Al deze mensen heb ik getekent Jerez de la Frontera 2022

Kijk vooral naar de handen die meer zeggen dan het geluid uit de strot.

Robert Kruzdlo Jerez de la Frontera aug 20 2022

Leestijd 30 minuten of minder.

In de kelder van Alcázar Real de Sevilla القصر 2022 Robert Kruzdlo

Een hoofdstuk uit mijn boek KERMIS.

De brandweerauto met aanhangwagen graaft bonkend een opening door de muur van regen, die als breinaalden tegen de gebarsten voorruit roffelt. De ruitenwissers kunnen de regen nauwelijks verwerken. Hossend over kinderkopjes, door straten die bezaaid zijn met kuilen en sleuven, rijden we de stad uit. ( 1965 Scheve Kees en ik Fallibl 14 jaar oud. rk ) Achter de koplamplichten die niet ver reiken, zijn de vage ingesleten bandensporen, die de rijrichting aangeven, te zien. Door de brede plassen zijn de greppels aan weerszijde nauwelijks zichtbaar. Als de auto een bocht maakt, waaien woeste wolken filigraan hemelwater over de dampende motorkap: alsof de wereld geblust moest worden. Omdat het schakelen voor de man met de scheve mond te veel inspanning vergt, stopt de auto onder een van de schaarse lantaarnpalen. Op het moment dat ik probeer uit het autoraam naar de hemel te kijken, in de hoop een sprankje zonlicht te kunnen zien, zweept de regen hard in mijn gezicht.  

‘Sluit het raampje,’ zegt de man ruw, ‘en doe je jas uit. Hier, pak een deken, die achter je stoel ligt.’

Hij sjort zijn jas uit en werpt zijn hoed onder de stoel. We rijden weer. Gevangen in een onbegrensde en wattige luchtzee heb ik geen idee waar we heen gaan. Geen richtingsgevoel. Ik ben veertien en hij? De verwarming lijkt het niet goed te doen. Ik wil hem iets vragen of…, maar durf mij niet om te draaien.

‘Wacht…’ Hij wijst op de stuk gevouwen wegenkaart die hij zonder vaart te minderen op zijn knie uitspreidt. Mompelend voorovergebogen: ‘Deze Michelinkaart is van voor de oorlog.’ En op tijd stuurt hij de auto bij. Met zijn eeltige wijsvinger wijst hij op de kaart en slist, roept: ‘Hier moeten we naartoe, kijk hier is de volgende kermisstandplaats.’

Zonder zich om te draaien reikt hij de kaart aan. Met de beste wil van de wereld is de weg, die naar die stad moet leiden, naar de volgende kermisstandplaats, op de kaart niet te zien. ‘Nijmegen of Arnhem,’ roept hij en tuurt met half dichtgeknepen ogen naar de slingerende regen in het koplampenlicht: nu van een tegenligger. Precies op de plek, in de vouw waar het papier is gescheurd, prikt Kees met zijn eelterige pink, met een randje vuil onder de nagel door het papier. 

‘Er zit een gat precies daar waar we naartoe moeten.’ En verbaasd: ‘De kaart is niets waard en door het weer kun je je niet oriënteren.’ 

‘Draai de kaart om, duw het papier rond het gat terug, daar in het dashboardkastje is een rolletje plakpapier,’ hij wijst naar het dashboardkastje voor me. In een flits zie ik dat hij met zijn pink in zijn neus pulkt, stopt zijn pink in zijn mond en eet het snot op. Als ik het dashboardkastje open valt er een stapel boekjes uit.

‘Geef hier, niets voor jou’, zegt hij en werpt de boekjes onder zijn stoel.

Ik repareer zo goed als ik kan het gat in de kaart. In de vochtig zurige ammoniaklucht zitten we onderhand te smoren.

Een vlieg danst voor zijn gezicht. 

‘Hoe komt die kutvlieg nu ineens hier?’ 

Ik schiet in de lach en voel me ontspannen. Niet lang en te kort om hem aan te kijken.

Op de vettige kaart valt niet veel te zien. Een vervaagde kaart vol vlekken, groezelige lijnen die wegen moeten voorstellen. Onleesbare namen van dorpen en steden. Kees zijn richtingsgevoel schijnt wél te werken: ‘Hier denk ik,’ mompelt hij. Dit moet, nee hier, moet de richting naar Nijmegen zijn? 

‘Er zijn nauwelijks tegenliggers. Vreemd’ 

‘Het is zondag,’ zeg ik,’ en ontspan. 

De auto vermindert vaart. Gelukkig grommen en zwiepen de ruitenwissers weer normaal. Soms is de weg beter te zien en lijkt de regen te willen stoppen.

‘Hé hé die doen het weer. Waar kijk je naar?’

‘Ik zoek verkeersborden.’ 

Dan houden de lawaaierige ruitenwissers er weer mee op. 

‘Kutvlieg,’ zeg ik tegen mijzelf. 

‘Hé jij ook al?’

Het zijraampje openen om de vlieg te verjagen heeft weinig zin. Ik tuur slaperig naar de grijze stromende massa, alsof ik onder mijn eigen schedel, in mijn weke hersenen kijk. Er is niets te zien. Nergens staat langs de weg of op een kruispunt een ANWB-bord waarop de richting naar aangegeven wordt. Vreemd. In de stad staan op elk kruispunt een bord maar hier? Soms zijn er aan weerszijden van de weg boerderijen met schaars verlichte ramen te zien. Ik moet glimlachen, rek mij uit en haal diep adem: de natuur maakt mensen blind. Soms verdwalen mensen in een bos, op zee en in de lucht, heb ik gehoord. 

Het is bonkend en kraken en zo vervolgen wij onze weg. Soms zijn de kuilen in de weg zo diep dat we van onze stoel omhoog wippen. Er wordt niet gelachen. Inmiddels lijk ik van pudding te zijn geworden.

Hossend tussen de regengordijnen door zijn rechts en links modderige afritten en boerenlandwegen met houtenrekken waarop rijen lege melkbussen die op z’n kop staan, te zien. Boven het boerengeriefgroen jagen grauwwitte neerslaande rookpluimen neer. Veel prikkeldraad en weinig koeien. Soms een knol, druipend met zijn kop naar beneden onder een schamel afdakje. De regendruppels op het zijraam die ik in een halfslaap volg en die door de vaart van de auto horizontaal, trillend naar de rand van de zijraampjes lopen, hebben iets magisch: elke regendruppel vangt de wereld anders. Voorovergebogen, zijn handen stevig aan het stuur, kijkt hij naar het verschuiven van de weg onder hem. Naar wat precies? Ik dommel in en schiet wakker. De lawaaierige ruitenwissers zijn er plotseling wéér mee opgehouden. Gevloek. Klap met een vuist op het dashboard. Remmen. Slijm op de voorruit. 

Nerveus verdwijnt het puntje van zijn pink in zijn neus. Dat haat ik, zijn platte neus leeg te zien lepelen. Het weer haat ik ook en de gedachte aan een leven dat op punt staat van omvallen maakt mij boos. Wat is de toekomst? Ik ben zó moe en heb alleen maar vragen die ik nooit zal kunnen beantwoorden. Vragen en nog eens vragen. Ik bijt op mijn tong. 

Binnenin de auto zijn de omstandigheid net zo slecht als buiten. Mijn stinksokken en -schoenen zijn nog nat. Alles wat grijs is en nat is was zonder enige betekenis. Het enige wat nog kleur heeft zoals de gerafelde kaarten van half blote dames die achter een gespannen elastiek, die over de breedte van het plafond is gespannen, gestoken zaten. Aan een rafelig koortje hangt een pen met blote tieten, een gebroken rozenkrans, gebit en twee ringen. Trouwringen?

Even heb ik, vanuit mijn ooghoeken, naar zijn silhouet gekeken. Misschien is hij geen Hollander? Per slot stammen wij allemaal van de aap af. Ik schaam mij om naar zijn mopsneus te kijken. Mijn kleren krimpen en plakken aan mijn lijf. Mijn kont blijf nat. Ik had niet het gevoel gevangen te zitten of zo…, ik kan geen kant op.  

‘Hoe heet je?’, vraagt hij zonder zich om te draaien, ‘je moeder heeft het mij verteld, maar ik ben het vergeten.’ 

‘Fallibl.’ 

‘O ja, dat was ik vergeten, Fall …’ 

‘Ja, zeg maar Fal,’ zei ik. ’En u. Uw naam ben ik ook vergeten.’ (Wat niet waar was.) 

‘Ze noemen mij Scheve Kees, mag jij ook doen, Kees of Scheve Kees, maak mij niets uit. Maar kijk, zo vinden we de weg nooit.’

Hij draait zich om. Ik blijf door het zijraampje naar buiten kijken. 

‘Ik zie niets Kees, net als u,’ zeg ik haastig, ‘ik zie hetzelfde als u, zelfs als ik samen met u naar buiten kijk of op de wegenkaart.’

‘Slim, maar je hebt gelijk, samen komen we er ook niet uit, maar weet je iets van de oorlog? Bombardementen? Steden die zijn vernield, verwoest omdat de piloten door het slechte weer niet goed uit het vliegtuigraampje konden kijken, en zo de afgesproken vijandelijke doelen misten? Die bommen vielen op Nederlandse steden, dus zeg maar, op de verkeerde plekken. Niets aan te doen, maar we rijden door tot er een afslagbord opdoemt,’ bromt hij, ‘of totdat iemand, een boer of een fietser, stopt om ons de weg te wijzen. Klote weer.’ 

‘Ik zie niet eens koeien,’ zeg ik turend tussen de regendruppels door.

‘Dat hoeft ook niet, die zien jou ook niet, toch?’

Met een ruk draait hij zich om en met een vies gezicht geeft hij een knipoog. Mondhoeken naar beneden. 

Nu ik zijn gezicht goed heb gezien begint de schaamte opnieuw op te spelen: hoe kan moeder zo’n foeilelijke man, aardig vinden? 

Kees kijkt in de zijspiegel, dan in het dashboardspiegeltje waarachter een oude foto, een portret geschoven is en wrijft hoorbaar over zijn gezicht. Ongeschoren. Plotseling trapt hij op de rem. Midden op de weg staan we stil. Naar enkele haperingen slaat de motor brullend aan en gelukkig begint de brandweerauto langzaam op te trekken. De regen trommelt op het dak. 

‘God wat een geluk,’ juicht Kees met zijn handen van het stuur, ‘de eerste de beste blauwwit diagonaal gestreepte ANWB-paal, kijk daar. He-he- eindelijk tekst, nu ja, het bord zit vol roestige kogelgaten? Gelukkig het is nog net leesbaar zie je: … hem en …egen. Eindelijk, maar stap even uit wil je? Kun jij het ontcijferen? Nee laat maar, het verkeersbord wijst in ieder geval naar het oosten. Ja, dan rijen we die kant op, Arnhem of Nijmegen, dat moet het zijn. In ieder geval hier naar rechts,’ roept hij opgewekt en sluit het zijraampje: zijn haar en schouder zijn weer kletsnat. 

‘Veeg het condens eens van de vooruit, hier neem mijn zakdoek.’ 

Hij trekt uit zijn broekzak een vochtige verfrommelde prop tevoorschijn.

‘Doe ik niet,’ zeg ik en probeer met mijn mouw de beslagen voorruit droog te vegen. Het helpt nauwelijks.

‘Ik doe het wel,’ snauwt hij bot. 

De autoruit komt vol vette vegen te zitten. Kees, trekt zijn mouw van zijn jas over zijn hand en begint opnieuw. Het lukt aardig. Onderwijl besef ik, terwijl de kromgetrokken kaarten van de halfnaakte vrouwen mij toelachen, dat ik zijn opdrachten maar beter opvolgen kan. 

‘Je moet goed naar Scheve Kees luisteren hoor ik moeder zeggen.’

Omdat de stem van de scheve mond niet boven het lawaai van de motor uit kan komen, die ineens zorgelijke geluiden maakt, wijs hij met heftige gebaren tussen mijn benen. De auto komt glibberig langs de kant van de weg tot stilstand, krakend zwaait de autodeur open en hij verdwijnt in de regen.  Even later kruipt hij mompelend en kletsnat terug de auto in: ‘Moet jij niet pissen?’

Ik knik van nee, ja toch, en ik had geluk, de regen was even opgehouden. Voor mij een straaltje zonlicht dat tussen de wolken doorslipten. Ik sprong in het hoge natte gras, knoop mijn gulp open. Een uur geleden had ik hem niet willen vertellen dat ik hoge nood had. Zelfs nu had ik moeite om in zijn buurt te plassen. Een groepje wasemende koeien stoet op mij af en vlak voor mij houden ze stil. Ze kijken met lodderogen. In hun karkassen, zo mager zijn ze, bewegen de longen tegen de beschermende tralies. Soms likt hun tong langs hun neusgaten: die kunnen vast niet zeggen dat het vandaag klote weer is, dacht ik en pis met een grote boog hun kant op. Mijn gezicht tintelt. Langzaam en onafwendbare krijg ik een erectie. 

.

Sevilla Spanje 2022 19 augustus Robert Kruzdlo

Zelf meegemaakt.

STILLE

WOORDEN

WOORDEN

KERMEN 

Het eeuwige leven volgens Bram Vermeulen

Begin van mijn boek KERMIS

Alleen ik kan over de jongen Fallibl, schrijven. Hij, geen kind meer en ook niet volwassen wilde op zijn twaalfde bioloog worden. Het had niets met dierenliefde of aaibeluste gedrevenheid te maken. Ook niet door een bananenschil in een glas melk te dopen om na een paar dagen de pirouettes van eencellige amoebe onder de kindermicroscoop te volgen. Ook had het niets uitstaande met het doormidden snijden van naaktslakken om de hersencellen te vinden; een wonder hoe zo’n diertje met twee neuronen alles kon doen, terwijl een mens er ontelbaar meer heeft. Alles van de mens, zo schreef hij in zijn schoolschrift, zal op een dag onder een microscoop te zien zijn.

Het geschiedde op de eerste dag van de zomerschoolvakantie 1963 razendsnel. Zijn moeder maakte hem voor zonsopgang wakker en zonder iets te zeggen gaf ze hem een briefje waarop stond welke dingen hij moest inpakken en zette een klein leren gerafelde koffertje naast zijn bed. 

‘Je gaat op vakantie,’ had ze op de gang gezegd. 

Uren later kwam ze terug. Ze had haar jas en een hoofddoek omgedaan. Haar lippen waren felrood gestift, ze rook bouquet naar manzanilla: ‘Kom we moeten gaan,’ zei ze in de deuropening en liep de trap af, de lange donkere gang door, naar de voordeur. Hij schoot in zijn kleren en propte het lerenkoffertje met een sticker van Bad Hotel Domburg erop, vol met wat op het lijstje stond. En meer. Het koffertje woog zwaar.

Robert Kruzdlo 2022

Twee zielen in een borst.

Twee hoofden heb je Manon Uphoff. Robert Kruzdlo 2022

Iedereen heeft een tweede hoofd.

Het is ergens opgeslagen in mijn lichaam, een tweede hoofd. Plotseling vindt mijn tweede hoofd het nodig om op de voorgrond te treden en eist de volle aandacht, dus laat ik hem begaan.

Ieder mens heeft twee hoofden. Je hoeft je niet meer af te vragen of dat zo is: iedereen heeft een tweede hoofd met ogen en oren. Vooral als je droomt.

!

Het eerste hoofd kijkt naar het tweede hoofd. Zo simpel zit dat in elkaar. 

Ik kijk lichaamloos naar wat mijn tweede hoofd, laat zien en wat ‘HET’ te vertellen heeft. Het is een geest. Een voorbeeld…

!!

De stad waar ik geregeld kom maakt mij moe, zuigt mij uit en gunt mij geen enkel plezier. Toch moet ik er zo af-en-toe heen. Het ergste zijn de toeristen. Deze toeristenkolonie, stadsverdelgers, schoonheidsverdelgers vernielen het oorspronkelijke beeld van de stad waarvoor ze komen. Alles gaat kapoeres en toch genieten ze, gek genoeg, van de fraaiheden die opduiken als ze van hun schermpje opkijken. Dat schoonheidsgenot is om de wanhoop te bedekken: de wanhoop van de stedelijke schoonheid die onder hun ogen verdwijnt. Zelfs, als ze door de nauwe steegjes van de stad lopen en aldoor op de telefoon moeten kijken of er berichtjes zijn, selfies maken bij paardenkoetsjes, onderwijl hardop praten – vooral Amerikanen die nog steeds denken dat ze Europa aan het bevrijden zijn van…? – eten en smikkelen aan een ijsje, zelfs… dan nemen ze gelukkig nog even de tijd om naar een bezienswaardigheid te gaan en uren in de rij te staan voor een kaartje, om vervolgens toch weer de dingen te doen die ze niet kunnen laten: op hun schermpje kijken. Nu, dit beeld maakt mij moe. Ik zet een dikke zonnebril op, steek de hoed diep over mijn voorhoofd en laat mij niet van mijn looprichting afbrengen: zij moeten van hun schermpje opkijken om niet met mij in botsing te komen. 

De stad waar ik weer een paar dagen was, put mij uit. Ik raak lichtelijk in paniek: Tourist-disorder. Extreem teleurgesteld, zelfs een shock, het tegenovergestelde van het Stendhalsyndroom – o…o…wat is alles mooi!. Maar ik wil dé stad zien…, en, helaas door de touristenkolonies, de mobieltjes, de selfies-clowns, – vrouwen maken er een modeshow van, het vreten, slikken en likken aan een ijsje, tafelen en door onbeschofte obers bedient worden, ja, ja, … allemaal seizoenstress, slinger ik me langs en door de terrassen, steegjes vol mensen, om een glimp op te vangen van de oude stad van weleer. Daarom wil ik er zijn¡

!

Mijn tweede hoofd bedenkt, als ik in mijn hotelkamer op bed lig, van alles. Ik val in slaap, word wakker en val weer in slaap. ‘HET’ mijn geestesoog of onbewuste opent een andere wereld, zijn wereld en droom:

Moeder slaapt met Johannes op zolder. Een kleine bedompte zolder. Johannes is een Duitser. Zij heeft hem maanden geleden ontmoet in een café ’t Hoekje Amsterdam Haarlemmerdijk.

Overgrootmoeder en oma zitten aan de huiskamertafel. Zij slapen in de alkoof, in een tweepersoonsbed. In de kleine voorkamer dat uitkijkt op de gracht, slapen mijn zus, boertje en ik. Ieder heeft een smalle hoge kast, waarin de schamele eigendommen in worden bewaard.

Er is een kleine keuken met een kraantje. Daar was iedereen zich. Een toilet naast het gasfornuis. Het raam van de kamer kijkt uit op een bemoste muur. Groen en zwart. De zon komt er nooit. Beneden ligt een berg huisvuil; matrassen, meubels, kleren en lege flessen.

Op een dag hoor ik dat Johannes met een stoffer op zijn hand slaat. Ik kijk naar zijn hand die dikker en dikker wordt. Hij zegt dat hij met die hand naar de dokter gaat en de dokter moet dan een papiertje tekenen dat hij niet kan werken. Hij krijgt dan een arbeidsongeschiktheidsuitkering. Als hij de uitkering heeft haalt hij, achter het treintalud, oude auto’s uit elkaar. Hij doet dit met een bijl want gereedschap heeft hij niet.

Ik ben al een tijdje verliefd op mijn zus…

Het, houdt er plotseling mee op. Ik word wakker.

!

Ik ga achter mijn computer zitten en schrijf dit op. Nu ben ik hier aangeland. Hier, bij het woord ‘aangeland’.

Ik heb dus twee hoofden en in tegenstelling tot wat iemand als Uphoff verlangt: Had ik maar twee hoofden. Dit verlangen heb ik nu voor haar ingelost. Ik weet niet of zij dit leest.*

?

Wat stelt deze droom voor? Was zij zoals zij was, zoals ‘het’ het tweede hoofd aan mij wil tonen? Dat vraag ik mij af. Het is wat ik mij van de droom herinner. Maar er moet méér zijn. Ik heb het vermoeden dat er meer moet zijn dan ik mij nu kan herinneren. Omdat ik dat niet aannemelijk kan maken, ik mij bevind in een schemergebied – tussen het eerste en het tweede hoofd – blijft er te veel verborgen. Kan ik uitvoeriger zijn dan ik nu ben? De middelen heb ik niet om dit uit te zoeken. Dus fantaseer ik verder.

De droom van ‘het’, de stad en “een familie die rond 1955 in Amsterdam” samengepropt in een halve-woning leefde fantaseert het tweede hoofd dus. Ik vraag mij af of ik er omheen meer fantaseer dan het is? Dit noemt men ‘associaties’. Heeft dit echt met het leven te maken¿ Ja, zeg ik dan.

?!

Heeft deze droom meer met mijn leven te maken dan ik kan dromen? Een stad vol toeristenratten die de stad komen vervuilen? Hoe zit dit allemaal precies in elkaar, hoe doet mijn tweede hoofd dit allemaal? Hoe verzint HET het allemaal…? Daarover heb ik geen weet van.

!

Moeder neukt met Johannes. Ik hoor hun bed piepen, ondanks dat Johannes de spiralen met olijfolie heeft ingesmeerd. Overgrootmoeder slaapt en stinkt: ze heeft in haar broek gescheten. Oma is naar Hotel Victoria gegaan, om werk te zoeken. Mijn zus daagt mij uit en knijpt in mijn zij, dan grijpt ze naar mijn geslacht. Ze lacht vies. Een rij half afgebroken rotte tanden zijn te zien. Vrouwen zijn gevaarlijker dan mannen. Mijn broertje steelt tien cent uit de portemonnaie van overgrootmoeder. Moet ik verder met mijn droom?

Misschien heb ik nu de lezers ermee overtuigd dat ik fantaseer, dat dit kan, maar wat dan nog?

?

Wat is het ‘het’ zonder mij? Een werkelijkheid? Een werkelijke werkelijkheid? Kunst? Mijn curriculum vitae? Een onbewust zijn? Is het onbewust zijn een ‘HET’ te noemen? Een tweede hoofd. Ik val weer in slaap…

!!

Als ik wakker word, wordt er op de deur geklopt. Een vrouw die zich Ragusa uit Dalmatië noemt. Ze komt uit Herzegovina, zegt ze. Ik sla het laken van mij af… en ga op de pot zitten en weet dat ik droom.

!!!

Ik zoek het filmpje op: Trauma en slachtofferschap met Manon Uphoff. Als Tussenmens kun je alleen maar vaststellen dat je in een kloof zit, tussen je brein en de werkelijke werkelijkheid.

Ik sla mijn aantekening op. Dit was het voor het moment.

Robert Kruzdlo Cordoba 2022  

.

Taal en de werkelijke werkelijkheid. Een kloof waarin wij allemaal zitten.

Wie of wat is iemand echt?

Schilderij Robert Kruzdlo Neuroart 1987

‘Wie is iemand echt? Hoeveel lagen moet je van iemand afpellen totdat je bij de kern terecht komt? (Terechtkomt. rk) Zijn wij als matroesjka’s, met een kleinste poppetje in ons hart, of als uien, met alleen maar steeds weer nieuwe rokken? Of, zijn we, (…) alleen maar buitenkant, gemaakt door de omstandigheden, de verlangens en de projecties van anderen?’

(Zie Neerlandistiek.)

Antwoord:

‘Wat is iemand echt? Bij het uienpellen moet ik huilen. Bij matroesjka’s poppetjes denk ik aan de inhoud van het kleinste poppetje: lucht. Of zit er een demiurg mannetje in ons hoofd die vanuit ongeordende materie, uit miljarden neurodraden alles regelt? Of zijn we materie: cellen die kunnen nadenken, neuronen die stilletjes alles regelen, organen, spieren met daaromheen een huid?

Wat doet die huid?

De literaire zegeningen verdwijnen als de schrijver-kunstenaar geen antwoord heeft op wat we zijn. Alles raakt verloren. De tijd verstrijkt en de persen blijven maar draaien; nog weten we niet wie of wat we echt zijn.

Je krijgt er de vinger niet achter.

Wat een mens is blijft onbeantwoord. De mens blijft een anoniem wezen zonder een ik, en, mag hij dromen dat hij een ik heeft? Het geloof is zo krachtig, vooral in de literatuur dat zonder die ik geen literatuur bestaat. De literatuur bevat geen waarheden alleen opvattingen die de meeste in de praktijk moeiteloos hanteren.

Wie is iemand echt: Weten dat je nooit precies weet waar mee je aan het werk bent.

Wat is iemand echt: Een lichaam vol zelfdenkende cellen, -neuronen en -organen waarmee je iemands leven mag verpesten. Of is er nog hoop? 

Robert Kruzdlo Cádiz 2022

Wat, als iets kunst kan zijn?

Terugverlangen naar de moederbuik.

Het lichaam als ding een noumenon?

In het beginnen waren we man en vrouw, ‘vrouwman,. Dat zie je aan de balzak van de man die een vrouwelijk begin heeft gemaakt. Op het moment dat de zelfdenkende cellen, neuronen beslissen om er een manelijk geslacht van te maken, groeien de schaamlippen aan elkaar en vormen een scrotum: dat is te zien door een vleselijke lasnaad, een omhoogstaand, in de lengte lopende huidlijn.

Ik droom vaak over het moment dat ik nog geen scrotum had. Vreemd maar waar. Ik loop, in mijn droom zonder geslacht rond en, op een gegeven moment plak ik het mannelijk geslacht terug op de plaats waar het heeft gezeten.

Ik loop altijd achter mijn testikels aan, haal ze nooit in en als ik ergens kom, is eerst mijn slurfje binnen voor ik mijn hand uitsteek om iemand te begroeten. Een paar slagaderen zorgen ervoor dat het slurfje ergens naar binnen wordt getrokken. Wat een verstand!

De schepper kan veel bedoeld hebben, maar de voortplantingscellen hebben waarschijnlijk meer verstand dan HIJ en gelukkig zijn de haploïde cellen zo verstandig het erfelijk materieel te gebruiken om het soort voort te laten leven.

In Slo Mo-films van Bruce Nauman: Black Balls, Bouncing Balls, Pulling Mouth en Gauze, is goed te zien hoe een man naar zijn ballen wil kijken, zonder te weten wat zich daar precies afspeelt en geen enkel begrip heeft van de zelfdenkende cellen, neuronen, bloedvaten. (Wat is kunst? Een inconsequente manier van kijken?)

Manon Uphoff’s beschrijvingen van de scrotum — mannelijk geslacht — zijn wel erg summier. Het mannelijk geslacht wordt van de buitenkant bekeken. Zij beschrijft het als een ding en niet als een zelfdenkende organisme, los van het individu, de man. (Het lichaam.)

Een vrouw zit op haar geslacht, daar kan het heel warm worden, een broeikast zelfs; lekkende vochtige opening. Opnieuw een summiere beschrijving. Is hiermee ook het verschil van het ding en het zelfdenkende ding beschreven?

De natuur wikt en weegt, wij kunnen alleen haar dragen met het weinige verstand dat we hebben.

Een schrijver schreef: Hij nam mij mee naar de behandelend uroloog (…) om naar mijn ‘zwangere’ scrotum te kijken (…) misschien een opspelend gezwel…

Zie hier de man met zijn biologische erfenis. Literatuur kent alleen onkenbare dingen. Troost is de enige hoop op leven.

Robert Kruzdlo 2022

KIRAC 3

Hongaarse fotograaf denkt gevloerd na.

De grootste vrijheid die je als kunstenaar kunt krijgen is door je aan niemand te storen dan,… alleen aan jezelf. Onafhankelijk en je door niemand te laten piepelen. Het paradoxale is wel, dat de kunstenaar-schrijver uit voorbeelden die zij/hij heeft, haar eigen ruïne creëert. 

Dat vrijheid de “kunst van het falen” is.

Vroeg in je leven falen, maakt van iemand een groot kunstenaar. Falen is altijd afhankelijk van de hoeveelheid krenkingen…

Durven te falen — KIRAC woke-denken — durven een offer te brengen betekent dat je met héél je offer ten onder gaat. Schrijven dus! (Niet schrijven als je het niet kan.)

Als ik ooit iets was geweest, denk ik nu, was het nooit wat geworden. Wat kan worden weet ik niet en wat ik niet weet, kan nog altijd komen. Dus, blijven schrijven.

Ik ben er nog niet, ben er niet, nog niet, niet?

Baby Sweet

Sandwich with

warm meat.

I’m looking for knowledge

wiht heaps of onions

to grow old together.

Exit no objection.

Dit ging allemaal door mijn kop toen ik een stukje Atlantische tonijn wilde kopen. Mijn buurman een Hongaarse fotograaf betrapte mij — verdorie ik vergeet steeds zijn naam — en zijn naar een oud café a La Feria gegaan. Ik schonk hem mijn boek (…) en natuurlijk moest hij er iets inschrijven. Plots zei hij dat hij moest nadenken en ging op de vloer liggen. (Hij had dit natuurlijk van mij. Zie Digitaal Museum.) Hij stond erop dat ik hem moest fotograferen.

En zo ging er weer een stroperige dag voorbij. Ik vergat de tonijn en viel, nadat ik een versje had geschreven — zie boven — in slaap.

Hongaarse fotograaf met boek van Robert Kruzdlo TUSSENMENS