Twee zielen in een borst.

Twee hoofden heb je Manon Uphoff. Robert Kruzdlo 2022

Iedereen heeft een tweede hoofd.

Het is ergens opgeslagen in mijn lichaam, een tweede hoofd. Plotseling vindt mijn tweede hoofd het nodig om op de voorgrond te treden en eist de volle aandacht, dus laat ik hem begaan.

Ieder mens heeft twee hoofden. Je hoeft je niet meer af te vragen of dat zo is: iedereen heeft een tweede hoofd met ogen en oren. Vooral als je droomt.

!

Het eerste hoofd kijkt naar het tweede hoofd. Zo simpel zit dat in elkaar. 

Ik kijk lichaamloos naar wat mijn tweede hoofd, laat zien en wat ‘HET’ te vertellen heeft. Het is een geest. Een voorbeeld…

!!

De stad waar ik geregeld kom maakt mij moe, zuigt mij uit en gunt mij geen enkel plezier. Toch moet ik er zo af-en-toe heen. Het ergste zijn de toeristen. Deze toeristenkolonie, stadsverdelgers, schoonheidsverdelgers vernielen het oorspronkelijke beeld van de stad waarvoor ze komen. Alles gaat kapoeres en toch genieten ze, gek genoeg, van de fraaiheden die opduiken als ze van hun schermpje opkijken. Dat schoonheidsgenot is om de wanhoop te bedekken: de wanhoop van de stedelijke schoonheid die onder hun ogen verdwijnt. Zelfs, als ze door de nauwe steegjes van de stad lopen en aldoor op de telefoon moeten kijken of er berichtjes zijn, selfies maken bij paardenkoetsjes, onderwijl hardop praten – vooral Amerikanen die nog steeds denken dat ze Europa aan het bevrijden zijn van…? – eten en smikkelen aan een ijsje, zelfs… dan nemen ze gelukkig nog even de tijd om naar een bezienswaardigheid te gaan en uren in de rij te staan voor een kaartje, om vervolgens toch weer de dingen te doen die ze niet kunnen laten: op hun schermpje kijken. Nu, dit beeld maakt mij moe. Ik zet een dikke zonnebril op, steek de hoed diep over mijn voorhoofd en laat mij niet van mijn looprichting afbrengen: zij moeten van hun schermpje opkijken om niet met mij in botsing te komen. 

De stad waar ik weer een paar dagen was, put mij uit. Ik raak lichtelijk in paniek: Tourist-disorder. Extreem teleurgesteld, zelfs een shock, het tegenovergestelde van het Stendhalsyndroom – o…o…wat is alles mooi!. Maar ik wil dé stad zien…, en, helaas door de touristenkolonies, de mobieltjes, de selfies-clowns, – vrouwen maken er een modeshow van, het vreten, slikken en likken aan een ijsje, tafelen en door onbeschofte obers bedient worden, ja, ja, … allemaal seizoenstress, slinger ik me langs en door de terrassen, steegjes vol mensen, om een glimp op te vangen van de oude stad van weleer. Daarom wil ik er zijn¡

!

Mijn tweede hoofd bedenkt, als ik in mijn hotelkamer op bed lig, van alles. Ik val in slaap, word wakker en val weer in slaap. ‘HET’ mijn geestesoog of onbewuste opent een andere wereld, zijn wereld en droom:

Moeder slaapt met Johannes op zolder. Een kleine bedompte zolder. Johannes is een Duitser. Zij heeft hem maanden geleden ontmoet in een café ’t Hoekje Amsterdam Haarlemmerdijk.

Overgrootmoeder en oma zitten aan de huiskamertafel. Zij slapen in de alkoof, in een tweepersoonsbed. In de kleine voorkamer dat uitkijkt op de gracht, slapen mijn zus, boertje en ik. Ieder heeft een smalle hoge kast, waarin de schamele eigendommen in worden bewaard.

Er is een kleine keuken met een kraantje. Daar was iedereen zich. Een toilet naast het gasfornuis. Het raam van de kamer kijkt uit op een bemoste muur. Groen en zwart. De zon komt er nooit. Beneden ligt een berg huisvuil; matrassen, meubels, kleren en lege flessen.

Op een dag hoor ik dat Johannes met een stoffer op zijn hand slaat. Ik kijk naar zijn hand die dikker en dikker wordt. Hij zegt dat hij met die hand naar de dokter gaat en de dokter moet dan een papiertje tekenen dat hij niet kan werken. Hij krijgt dan een arbeidsongeschiktheidsuitkering. Als hij de uitkering heeft haalt hij, achter het treintalud, oude auto’s uit elkaar. Hij doet dit met een bijl want gereedschap heeft hij niet.

Ik ben al een tijdje verliefd op mijn zus…

Het, houdt er plotseling mee op. Ik word wakker.

!

Ik ga achter mijn computer zitten en schrijf dit op. Nu ben ik hier aangeland. Hier, bij het woord ‘aangeland’.

Ik heb dus twee hoofden en in tegenstelling tot wat iemand als Uphoff verlangt: Had ik maar twee hoofden. Dit verlangen heb ik nu voor haar ingelost. Ik weet niet of zij dit leest.*

?

Wat stelt deze droom voor? Was zij zoals zij was, zoals ‘het’ het tweede hoofd aan mij wil tonen? Dat vraag ik mij af. Het is wat ik mij van de droom herinner. Maar er moet méér zijn. Ik heb het vermoeden dat er meer moet zijn dan ik mij nu kan herinneren. Omdat ik dat niet aannemelijk kan maken, ik mij bevind in een schemergebied – tussen het eerste en het tweede hoofd – blijft er te veel verborgen. Kan ik uitvoeriger zijn dan ik nu ben? De middelen heb ik niet om dit uit te zoeken. Dus fantaseer ik verder.

De droom van ‘het’, de stad en “een familie die rond 1955 in Amsterdam” samengepropt in een halve-woning leefde fantaseert het tweede hoofd dus. Ik vraag mij af of ik er omheen meer fantaseer dan het is? Dit noemt men ‘associaties’. Heeft dit echt met het leven te maken¿ Ja, zeg ik dan.

?!

Heeft deze droom meer met mijn leven te maken dan ik kan dromen? Een stad vol toeristenratten die de stad komen vervuilen? Hoe zit dit allemaal precies in elkaar, hoe doet mijn tweede hoofd dit allemaal? Hoe verzint HET het allemaal…? Daarover heb ik geen weet van.

!

Moeder neukt met Johannes. Ik hoor hun bed piepen, ondanks dat Johannes de spiralen met olijfolie heeft ingesmeerd. Overgrootmoeder slaapt en stinkt: ze heeft in haar broek gescheten. Oma is naar Hotel Victoria gegaan, om werk te zoeken. Mijn zus daagt mij uit en knijpt in mijn zij, dan grijpt ze naar mijn geslacht. Ze lacht vies. Een rij half afgebroken rotte tanden zijn te zien. Vrouwen zijn gevaarlijker dan mannen. Mijn broertje steelt tien cent uit de portemonnaie van overgrootmoeder. Moet ik verder met mijn droom?

Misschien heb ik nu de lezers ermee overtuigd dat ik fantaseer, dat dit kan, maar wat dan nog?

?

Wat is het ‘het’ zonder mij? Een werkelijkheid? Een werkelijke werkelijkheid? Kunst? Mijn curriculum vitae? Een onbewust zijn? Is het onbewust zijn een ‘HET’ te noemen? Een tweede hoofd. Ik val weer in slaap…

!!

Als ik wakker word, wordt er op de deur geklopt. Een vrouw die zich Ragusa uit Dalmatië noemt. Ze komt uit Herzegovina, zegt ze. Ik sla het laken van mij af… en ga op de pot zitten en weet dat ik droom.

!!!

Ik zoek het filmpje op: Trauma en slachtofferschap met Manon Uphoff. Als Tussenmens kun je alleen maar vaststellen dat je in een kloof zit, tussen je brein en de werkelijke werkelijkheid.

Ik sla mijn aantekening op. Dit was het voor het moment.

Robert Kruzdlo Cordoba 2022  

.

Taal en de werkelijke werkelijkheid. Een kloof waarin wij allemaal zitten.