De navelstaarder

New Yorks café 1975 Vader en zoon Robert Kruzdlo pleisterplaats.

De navelstaarder

De Kolonel*: Een stille stem ergens ver weg in mijn hoofd, maar zo dichtbij en toch, onbereikbaar… Ik kan de stille stem onmogelijk zien, maar het vertelt mij wat ik moet doen. Het komt vanonder mijn schedel vandaan, uit grijze kronkelige hersenmassa, een klomp vet neuronen en via mijn bloedbanen, spieren, beweegt het mijn botten. De stille stem onder de schedel, het dak van het lichaam, zegt dingen niet uit mijn naam. Het geeft mij wel mogelijkheden om er iets mee te doen. Er liggen onder mijn schedel genoeg ongebruikte neuronen, duizenden, miljoenen, miljarden zonder dat ik weet wat ik ermee wil gaan doen. Vaak doe ik er iets mee: lezen bijvoorbeeld. Maar wat is lezen? De hoeren hier om de hoek lezen iets anders dan ik en ik weer iets anders dan anders. Ik mag de stille stem gebruiken, dat zegt mij de stille stem. Maar ik hoor haar niet. Ze trommelt niet tegen mijn trommelvliezen. Maar hoe doet ze het? Dat weet niemand. Ik heb het nergens gelezen hoe die stille stem te werk gaat. Jij?

Je kunt het niet lezen, zeg ik.

De Kolonel kijkt mij teleurgesteld aan. Hij opent een nieuwe fles whisky ‘The Macallan Sherry Oak 12 Years’ zucht en schenkt mij bij. Gaat met een plof op zijn zetel zitten.

Hoe vergroot ik mijn vrijheid, zoals de stille stem in mij? (Gekke zin die ik laat staan.) Dit zeg IK niet, dit zegt mijn stille stem. Ik hoor haaaar niet, wat is luisteren dan? We lezen allemaal, maar wat is lezen. Wat ik precies schrijf weet ik niet, en wat u leest weet ik ook niet. Als ik schrijf schrijf ik tegelijk met mijn stille stem, word ik verbeterd door de stille stem. Wat staat er dan eigenlijk? Je hebt er geen voorstelling van wat aan dit schrijven is voorafgegaan. Wat is schrijven? Door de stille stem aangespoord — de Kolonel laat een korte harde scheet — om dit allemaal op te schrijven lees jij, u, lezer, niet wat er staat? Of toch wel. Sir Eastvillage zegt dat het lichaam spreekt door die stille stem, een geest, dat talig is. Maar weet je, beste Só, ik geloof hierin omdat het een geloof is, is het net zo goed waar als alle andere beweringen: taal is de boodschapper van een niet bestaande wereld die ronddart als de…een werkelijkheid. Wat weten we van de werkelijkheid? Alleen de wetenschap kan ons daar uitsluitsel van geven. En als die een antwoord heeft is het géén vraag meer.

De Kolonel legt zijn hoofd op zijn armen. 

Ik zeg: ik ben net als u de onbevlekte ontvangenis van de biologische, fysische, neuro-art literatuur die ten koste van de vrijheid van de stille stem, als boodschapper, altijd slecht nieuws brengt: kijk maar om je heen. Het goede nieuws komt van de wetenschap. De rest is geloof. Schrijven, lezen en geest is het domein van geloof. 

De Kolonel schenkt bij. Ik moet oppassen niet dronken te worden.

Je bedoelt, zegt de Kolonel, eerst moet de stille stem spreken dan kom ik. Ik wordt aangespoord om te schrijven en te spreken over iets dat ik niet ken. De geest, neuronen waarvan ik miljarden heb, miljarden ongebruikte neuronen die ik mag gebruiken om een wil te hebben, — ik zeg het misschien niet goed — neuronen die ik, zonder te weten hoe, aan elkaar knoop en mij de idee van een vrije wil geeft. Zonder die (ver)knoping geen vrije wil van: doe eens wat. 

Wat ik doe weet ik niet, door te doen kom ik erachter, waarachter weet ik niet. Ik knoop dus een paar miljoen aan elkaar en begin, de verbindingen slagen. Ik schrijf, lees en componeer een verhaal — en u luistert en leest dit nu ook. Ik ben geslaagd als u het begrijpt zonder dat u begrijpt hoe het er in uw hoofd toegaat. Dit heet CONATUS. Filosofen hebben honderd jaren zich een gompus gedacht over CONATUS, maar nu leest u hoe simpel eigenlijk deze materie is want materie is het: het zijn de stille neuronen. Aan elkaar verbonden miljoenen strengen genie, elektriciteit en chemische stofjes. Door de stille stem word ik hierop gewezen. 

Ik onderbrak de Kolonel: Ik werd vanochtend wakker en ja, daar was een verhaal zonder dat ik er iets voor moest doen. Dit snapt iedereen wel. Een verhaal dat ik zweefde als een ster in het heelal. Misschien hebben we wel een planetair bewustzijn.

Kolonel: Maar nu aan het werk. Die filosofen hebben tevergeefs nagedacht. Ze hadden dit, wat ik je verteld heb, allang kunnen weten. Het is mogelijk te geloven dat we een goed leven leiden, maar in werkelijkheid in een kritieke staat van wanhoop verkeren? Wanhoopsfilosofie, Aziatische mystiek, Griekse cynici en noem maar op. Als je niet alles weet weet je niets, vandaar die stille stem. 

U, lezer knoopt gewoon neuronen aan elkaar. Onbewust, oké. U hoeft er niets voor te doen en wat u precies doet weet u ook niet. U moet de meest ongelukkige mens op aarde zijn, de aarde ook ,en, het hele heelal met u. Misschien hebben we allemaal, beste Só een James Webb telescoopgeest of bewustzijn die oneindig dichtbij is. Fijn? Gewoon de eindjes aan elkaar knopen. Stille stem, geest, verstand en de mens denkt. Maar geen van deze drie bent U. U bent HET. HET. Ja HET. Wie niet alles weet weet niets, zeg ik u nogmaals. Door mijn stille stem ben ik. Ik wie is dat dan?

De Kolonel buigt voorover, hij trekt zijn hemd uit zijn broek, kijkt naar…, dan in zijn navel, staart erin en hij ziet hoe groot de wond wordt waaruit hij geboren is.

Ik zie een plas urine onder de Kolonel zijn stoel. Mijn vader piste vroeger ook in zijn broek. Ik stond met hem in een café in New York en nadat hij geprobeerd had in een spuugbak te pissen, wat niet lukte, liet hij de urine de vrije loop. (1975)

.

Robert Kruzdlo, uit het boek De Kolonel.

*Kolonel Beckett, zijn voorouders waren lieutenant Walter R. Beckett, second lieutenant Thomas A. Beckett, Leeds Engeland ergens rond 1842