Alleen het verleden komt voorbij.

Mensen die niet schrijven, zeggen dat ze dat niet kunnen omdat ze niet zo wanhopig zijn en bezitten de wijsheid om hun eigen wanhoop niet te laten blijken.

Nicolaï Jerez. 

De villa was groot en had een hoge zolder met een klein zolderraam. Door een manshoge opening in een verwilderde ligusterhaag leidde een steile gemetselde trap naar een bloedrood bordes. De voordeur, dof koperen deurknop, -brievenbus en naamplaatje, was door het gekronkel van de blauwe regen bijna uit zicht. Achter de klep van de brievenbus zocht hij met zijn vingertoppen naar het touwtje. Met een ruk stond hij, in de hal. In de vestibule, op de grijze granieten vloer lag een versleten Perzisch tapijt, waarin de sporen van zeker vier generaties voetafdrukken in waren achtergebleven: tot op de vezel versleten, op de plek, waar de spiegel, met bladgouden lijst hing. Er stak een oud vergeeld kaartje van een museum tussen de lijst en de spiegel. Hij bestudeerde het aandachtig en een opborrelende emotie welde een glimlach om zijn lippen. In de zilver gefoeliede spiegel met-het-weer-erin waren zwarte bergen, wegen, eilandjes met palmbomen en mensen te zien; Bosch achtige mansfiguurtjes die zich schilferig verborgen hielden. (Niemand kijkt bewust in de spiegel, de werkelijkheid was elders, daarom vermeed hij de spiegel.) 

Vier generaties, ‘sinds de uitvinding van de gloeilamp’ keek de spiegel naar de passerende bezoeker, of die nu wel of niet even halthield, hij sloeg niemand over. Moeder, die zich onbespied waande, met wijd opengesperde ogen de wimpers bijwerkte, de ogen verfde, de wangen poederde en lipstick aanbracht; met de haarspelden in de mond een haarknot wurmde of het haar toupeerde, het in een model duwde en vluchtig haarlak aanbracht; was moeders bouffant, dat ze had afgekeken van de koningin, de mooiste van de stad. 

Mannen bleven minder stilstaan. Zwierig kamde zij, – met de tandenkam – hun Brylcreem haar, de onwillige haarlokken, glanzend als dikke spaghettislierten op de plaats te houden. De stropdas recht, de hoed nog even met de wandelstok aangetikt, stapte zij over de bloedrode tegels de trap af, de weg op naar de stad. Het éérste Nederlandse televisiejournaal nog korrelig op het netvlies. De hele wereld bestond vanaf dat moment uit televisie pixels. 

Als kind, heeft hij vanaf de gangtrap op de bovenste tree, tussen de spijlen door, hen vaak bespied.

Gut, luisterde met een vermoeid gezicht. Ze deed haar best. Haar geduld hinderde mij en toch wilde ik doorgaan met voorlezen, tot ik me onpasselijk zou gaan voelen.

‘Even pissen.’

Toen ze op de bank, met gesloten ogen languit ging liggen, viel haar ochtendjas open. Deed ze het erom?

De halspiegel heeft hem, vanaf mijn eerste levensjaar blèrend, vuurrood aangelopen gelaat, lachend en opgewonden van het buitenspelen, gezien. De laatste keer dat hij voor de spiegel stond, lukte het hem, – hij moest zijn hielen hoog oplichten, om zijn Elvis kapsel boven de lijst te laten uitkomen.

Ook had de spiegel meer dan een eeuw naar monologen, gekwetstheid, liefdes verdriet en dronkenmanspraat geluisterd. Gekke bekkentrekkenrij van kribbige passanten bekeken. Hij had een keer op een stoel, verkleed als Tom Poes, een dansje gemaakt en was daarbij tussen de kapstok en paraplubak gevallen. De kindercarnavalsoptocht kon hij vergeten. 

Gut, was in slaap gevallen.

‘Nee hoor, ik luister nog,’ reageerde ze toen ik ophield met voorlezen. ‘Wat denk je, dat als iemand slaapt niet luistert?’ 

Ik voelde me overbodig om door te gaan. Er viel een stilte. Gut, keek naar het plafond. Alleen het gezoem van mijn laptop was te horen. 

‘Ga door,’ klonk het schor.

Ik wachten tot ze weer in slaap was gevallen.

Zachtjes: Tegenover de spiegel hing een groot landschapsschilderij waarop een edelhert met gewei en een aantal reeën, die aan de kant van een snelstromende ondiepe beek stonden, waren afgebeeld. Allert hun oren gespitst. Diepbruine ogen – met een donkere fonkeling, die onverschrokken alle voorbijganger aankeken. 

Gut snurkte en haalde diep adem. Ze droomde. Waarover weet ik niet. 

Uit het boek: Gang, Robert Kruzdlo juni 2021

.

Geef een reactie

Gelieve met een van deze methodes in te loggen om je reactie te plaatsen:

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s