Eisso S schiettent

Woensdagmiddagkermis

Het was druk, schooljeugd zonder ouders die tussen de kermisattracties in groepjes ophielden. Zonder iets uit te geven slenterde zij druk gebarend tussen de lawaaierige attracties door. Druk kletsende meisjes, gillend en schreeuwend, soms trekkend en sjorrend op een kluitje voor de schiettent. Alleen kinderen van rijke ouders konden het zich permitteren om uren in de botsauto’s rond te rijden. De anderen keken jaloers en lacherig toe hoe de vetkuiven zich vermaakten in de botsauto’s. De meisjes smoezend en schuins naar de jongens kijkend, de jongens, dwaas en verlegen terugkijkend en soms bruut commentaar gevend op het uiterlijk van de meisjes. De meisjes fluisterden en kozen de stomste, de domste jongen uit, het werd hun slachtoffer, wat gekunstelde lachjes opriep. Ingewikkeld gedoe, vond ik. 

Plotseling maakte een meisje zich los van de groep. Ze kwam met trage stappen op mij en de schiettent toelopen en zonder iets te zeggen legde ze een gulden neer.

“Dan mag je vier keer vijf schoten doen,” zei ik volleerd. 

Het was hetzelfde meisje dat gisteren een tijd voor de schiettent had rondgehangen.

“Hoe heet je,” vroeg ik rap, zonder haar aan te kijken.

“Wolk, Roos Wolk,” zei ze zacht en drukte de luchtbuks tegen haar schouder. Nogal onhandig. Ik hielp haar.

“En jij,” zei ze zacht.

Een verschrikkelijke opwinding joeg als een ellendige bloedstroom door me heen. Mijn wangen gloeiden en in een flits, minder dan een seconde welde het een gevoel van verliefdheid in mij op.

Ik noemde mijn naam en dorst haar niet in de ogen te kijken. Ze hield de luchtbuks aan haar schouder zonder te schieten. Haar nagels waren bloedrood gelakt. Ik keek naar haar oorschelp en naar het plukje haar dat over haar slaap en oor viel. Meer niet. Een seconde lang, misschien korter. Het wond mij nog meer op. Het bloed klotste in mijn keel, alsof ik het kon uitkotsen, en ik bleef slikken, maar dat hielp niet. Waarom weet ik niet. Zo’n detail, vreemd. Haar lange wimpers trilden in de zwoele lucht, haar wangen licht gepoederd. Haar gezicht kon toveren, en toen ik probeerde om haar te helpen, – er waren weer enkele secondes verstreken, gaf iemand een harde klap op de toonbank: “Sukkel, we willen schieten.”

Het was de jongen met lang zwart haar, scherpe neus en een dun snorretje, pukkels en vlammende groene ogen, de jongen die ik eerder bij de bakker had gezien, ook hetzelfde groepje. Ik laadde het geweer en ging een eindje van hen af staan. Het meisje keek toe hoe hij bij het eerste schot een foto schoot. De andere jongens joelden en zeiden dat Neus, ja zo heette hij, de beste schutter was van de stad was.

“Wedden, “ wierp een van hen mij vijandig toe.

“Kom maar op, “ zei Neus vurig. Zijn handen grepen naar een ander geladen luchtdrukgeweer. (Nu lijkt hij een wedstrijd met de ik-figuur te willen aangaan, maar dat wordt in de volgende regels overklast.) Een van de jongens griste het houten bakje met kogeltjes weg. Ik trok hard aan zijn trui terug, zo hard dat ik een pluk wol in mijn hand had. Een jongen wilde mij met zijn vuisten op mijn handen wegslaan en voor ik wist wat er gebeurde hadden ze allen luchtbuksen op mij gericht. Ik voelde me alsof ik voor een vuurpeloton stond.

“Hier, net als in de oorlog, we schieten op je domme kop, die zigeuner, jood,” riep een dikke knaap met varkensogen schel. 

“Zigeuner, we zullen je een lesje leren, blijf van onze meisjes af,” zei Neus ranzig, en uit zijn mond floot een spuugklodder op mijn gezicht. Woedend zei ik dat ik geen zigeuner en Jood was. Dat had ik niet moeten zeggen. Ik had mijn mond moeten houden. Er kwam een valse glimlach op mijn lippen. De woorden Jood en zigeuner klopte harder in mijn hoofd dan mijn hart. Ze spande de luchtdruk geweren en richten die op mijn hoofd. De klodder spuug liep in mijn mondhoek. Ik dorst die niet weg te vegen, had ik dat wel gedaan dan hadden zij dat als uitdaging gezien: langzaam met een grijns met mijn mouw afvegen, zo dacht ik in een flits. Niet doen, tegelijk.

“Stomme gans, mot je nie naar school, zigeuners, Joden hebben geen verstand hé. Pang, pang, pang gaan we doen.” 

De dikke gaf met de kolf van de luchtbuks mij een harde klap tegen mijn buik. De luchtbuks viel kletterend op de grond. Toen ik hem van de grond wilde oppakken om mij te verdedigen, grepen de andere jongens mij stevig beet. Nu, ik kon geen kant meer op. Na een paar seconden trokken tientallen handen mij kop en kont over de toonbank. Ik verweerde me zo goed als maar kon, maar mijn hele lichaam begon pijn te doen. Ik hield mij slap om de stompen op te vangen. Ik trilde, mijn lichaam was volstrekt een vreemde geworden, een lijf die ik weggegeven had om te martelen. Er moest nu een wonder gebeuren, anders zou ik door de jongens vermorzeld worden en mijn lichaam niet meer terug krijgen. Ik zag bijna niets meer en toen ik in mijn broek begon te plassen van angst, zag ik dat het mooie meisje met het lokje haar over haar oren, de luchtbuks op het groepje jongens richtte. Ineens schoot Roos, die voor me was gaan staan, Neus precies op zijn voorhoofd. Het werd stil. Niemand deed meer iets. Roos huilde en liet de luchtbuks op de grond vallen. De jongens weifelde, terwijl Roos met haar zakdoek het bloed van mijn gezicht veegde. Flinke schaafwonden en een blauw oog, een ander lichaam waar mijn geest langzaam in terugkwam. 

Toen ik weer wat begon te zien, mijn ogen branden van de tranen alsof ik uien had staan schillen, stond een eindje verderop een politieagent bij het groepje jongens, die druk gebaarden en riepen dat ik begonnen was. Precies in het midden van Neus zijn voorhoofd liep een straaltje bloed over zijn kokkel. Hij grijnsde met een rij rotte tanden. Roos stapte huilend naar de agent en vertelde wat er gebeurd was. (Blijkbaar gelooft de agent haar meteen.) Toen de jongens zich van het kermisterrein moesten verwijderen riep een van hen naar Roos: “Trut, hoer dat je bent.”

Roos hielp met opruimen en toen ik met trillende stem zei dat ik me ging wassen en een ander hemd ging halen, paste Roos op de schiettent. Het geweld leek op een film die in m’n hoofd eindeloos werd herhaald. In een film speelde ik. Mijn hoofd maakte er een film van, een herinnering met beelden die ik niet echt zag, maar wel naar keek en de waarheid zo divers was dat ik gek werd. Ik rook het bloed en voelde een stekende pijn achter mijn oog. Mijn buik deed pijn en de urine in mijn broek stonk. 

Mijn kuiten trilden en ik voelde dat zich een enorme leegheid in mijn hoofd opende.

“Hier, draag deze zonnebril, “ had Roos gezegd en haalde uit haar rugzakje een zonnebril tevoorschijn die ze bij een andere attractie gewonnen had. Ik zette de bril op mijn gehavende neus en maakte een nerveus grapje. Ik verstond haar reactie niet. Roos aaide met haar slanke hand over mijn krullend haar en gaf spontaan een kus op mijn wang. Mijn hoofd leek groter dan de wereld, alles werd kleiner, kleiner dan het heelal zo groot. 

“Je haar knettert,” zei ze lachend, “lijkt elektrisch, ik weet niet hoe dat kan, komt het misschien door je boosheid?” 

Ik zag het. Ik hoorde het aan haar stem, die veranderd was, was ze echt op mij verliefd? Ik schrok bij de gedachte dat ze misschien verliefd op me was. Ik kon geen woord uitbrengen. Dronken van pijn en emoties keek ik in Roos ogen om te proberen, zonder woorden, iets duidelijk te maken, maar ik kon geen ‘blikwoord’ uitbrengen. Roos dacht misschien dat ik een afspraak wilde maken, misschien naar de film gaan of hand in hand wandelen. 

Nu wist zij niet dat ik eigenlijk helemaal niet de bioscoop in mocht, omdat ik te jong was, omdat de vrouw van de kassa niet van een kermiskind hield, alleen mocht ik als het licht van de filmzaal uit was snel naar binnen. Ik kon niets zeggen, mijn lichaam stond aan de grond, op drijfzand genageld, dat is het enige wat ik kon, vastgenageld staan op drijfzand. De aarde onder mijn voeten zonk weg. Roos wachtte tot ik zou zeggen dat we samen iets gingen afspreken. Roos zei: “Nu tot…” verder kwam ze niet. Ze wachtte af…, en op haar gezicht kwam een rode blos. Haar ogen werden groot en ze knipperde met haar ogen. Ze keek naar rechts, links, rechts en dan naar de grond.

Roos moeder, die haar ruw aan haar arm van de counter weg had getrokken kreeg een tik tegen haar oor en een duw in de rug, zodat ze bijna viel.

“Naar huis jij.”

Roos draaide zich naar mij om. Die blik op haar meisjesgezicht, die verschrikkelijke alles zeggende smartelijke blik: de mondhoeken naar beneden, zoals Maria opziet naar haar Zoon aan het kruis, haar rode oortjes door de petsen die ze had gekregen, en nog een keer met gebroken stem:

“Dag nu…ik…” verder kwam ze niet.

Zo heb ik het gezien van deze kant Robert Kruzdlo 1962

Robert Kruzdlo Girona Spanje 3 mei 2022