Het nu.

Pepe, in zijn kleine kamer met tafelverwarming.

Pepe, kijkt de hele dag en avond televisie tot hij naar bed gaat. De wanden van de woonkamer hangen vol met foto’s. Onder het glazen blad van de ‘gerokte tafel’ waarachter hij bankzit, liggen kleine vergrijsde nostalgische kiekjes. Soms ouder dan honderdjaar: verlovings- en trouwfoto’s, paardendressuur en zijn vrienden waarmee hij op stap is. Het verleden is overal in deze kleine kamer van drie bij driemeter. De toekomst is onkenbaar of ondenkbaar.

Het ‘nu’ is zichtbaar op de televisie. ‘Nee, naar de eindeloze herhalingen van de oorlog in Oekraïne kijkt hij niet. Het zou verboden moeten worden,’ zegt hij bijna onverstaanbaar Andalusiaans.

Onder de afgerokte tafel gloeit een elektrisch kachel. Het tafelkleed ligt als een warme deken over zijn schoot. De ramen zijn verduisterd door gordijnen, de deur altijd op een kier. De nooit duidelijk verstaanbare televisiestemmen echoën in de patio. Zes voordeuren komen uit op de patio die vol met planten en bloemen hangt. Een parkiet schettert dwars door alles heen. Soms staccato tsjirrup of tshirp maar ook legato, een verbonden langgerekt krassend geluid als de tram in de bocht van het Rokin te Amsterdam.

Pepe, 87 jaar heeft drie voortanden. Bruine pigmentvlekken, als eilandjes verspreidt over zijn gezicht. Pepe en de televisie. Samen leven ze in het nu. 

Soms herinnert hij het verleden als hij naar de foto’s tuurt, en als hij familiebezoek krijgt overleggen zij over zijn broze gezondheid en de onzekere toekomst. Dan maar liever het nu!

Hij luistert van af de bank naar de vervormen stemmen van de televisie, stemmen van het nu. Het Andalusiaans. Woorden soms half uitgesproken, ingeslikt en in verknipte zinnen samengebald. Het is een ongeschreven taal.

Zelfs de spreekstem van de schrijfster M. die aldoor ‘as’ zegt in plaats van ‘als’ of ‘leve’ slist in plaats van ‘leven’…, is een ongeschreven taal. Vaak niet te verstaan is. Toch wordt het krukkige spreken begrepen. (Ook ik ben vaak niet te verstaan.) Andalusiaans baragouins, kan ik niet verstaan. Pepe, kan alleen een Vejer-andalusiaans. Ik begrijp veel van wat hij zegt.       

Pepe’s leven, zo mijmer ik, is een voorbeeld van hoe een schrijver schrijft. In de literatuur die meer dan duizend jaar oud is, of langer, heeft schrijver twee mogelijkheden om over te schrijven: het verleden en de toekomst. Daartussen zit ingeklemd het ‘nu’.

Het nu, heeft altijd een tekort aan helderheid. Het verleden en toekomst, in het nu, is massief leeg. Een zelf ontbreekt. Het nu moet daarom talig worden. Gevuld worden met woorden. De schrijver volgt zijn hand die onzichtbaar bestuurt wordt…

Gevuld met psychologische valkuilen, een mijnenveld aan emoties. Het is eigenlijk onbegonnen werk om over het verleden en de toekomst te (be)schrijven. Toch doet de schrijver een aan regels gebonden poging. En dat maakt schrijven zo boeiend. Los van al die talen die nooit op schrift zijn gezet. Jammer eigenlijk.

Om de leegte te bestrijden, schrijft de schrijver over wat hem aantrekt. Waardoor hij wordt aangetrokken. Oncontroleerbare drift en lust. Aangetrokken door impulsen die hij niet beheerst. In een vlaag van verstandverduistering zoekt hij tussen de warrige gevoelens zijn verleden en toekomst. Met de rug tegen de muur. Hij weet dat hij niet zal slagen. Toch geeft hij niet op. De hersenen hebben een pauzeknop. Precies het nu.

Wat de schrijver bindt aan het papier is het ‘ikloos’ nu. Is dat zijn doel?

Als ik aan Pepe vertel dat ik dit bericht en foto via e-mail naar hem of een van zijn kleinkindere wil zenden zegt hij dat hij niet kan schijven.

.

En als ik mij iets herinner, dan komt dat door de klanken,

klanken van het ‘bindende nu’ naar het verleden toe,

het heden van toen. Begerig reikhalzend

naar het toekomstig verleden

dat taalloos

is.

*Rome 2021. Pepe, een koosnaam, afkomstig is van de initialen Pater Putativus (P.P.). 

**Gedicht Robert Kruzdlo 2021 Rome.