Een hele tour.

Haar schaduw schuift ritmisch over het warme asfalt als ze aan het laatste steile stuk van de Sint-Pieters berg begint, om haar lijf wappert en wuift als bladeren van een palmboom haar doorschijnende blauwe jurk, bijna naakt voortgeduwd door het zonlicht verplaatst ze tonnen lucht en komen er tranen omdat zij meter voor meter zich van mij verwijderd, mij verlaat, achterlaat met liefdesangst. Ik sta midden op de weg om niets te missen en wil niet van haar beroofd worden. Ze mag niet verdwijnen. Dat hoofd van mij bewijst mij grote diensten door het allemaal in het brein op te slaan, voor altijd, maar wat precies en hoe ontgaat mij en waarom op deze manier, weet niemand waarom ik er onder lijd. 

Als ze de top heeft bereikt, dreigt ze voor goed achter de berg te verdwijnen en als ik van het terras opspring en begin te rennen, langs de bosschage waar het zoemt van bijen, met dé wil haar in te halen, roep ik onder het strompelen zo hard ik kan, – eerst komt er geen geluid uit mijn keel, dan eindelijk een schreeuw die mijn droge strot verlaat: het word je dood, kom terug, stijg af, draai om, het word je dood, … ja dat schreeuwde ik en dat, dat van de dood mag niet gebeuren, jij palmbladblauw moet in het heden blijven en géén verleden worden, voor eeuwig als een lange surplace en dus ren ik achter haar aan de steile berg op naar de top en hap als een stervende naar adem. 

Dit lieve Clarice, dit is geen keukenmeiden verhaal, het zal altijd een onbeschreven werkelijkheid blijven en nu ik het jou weer vertel, als ik het zou kunnen opschrijven wordt het kitsch, mooie kitsch misschien, want Clarice, ik wil dat je er van doordrongen wordt dat deze jonge vrouw, vrouwmeisje, nimfijntje of wat dan ook achter de top van de berg verdwijnt, en, …en wat haar geen enkele moeite kost word ik verlamd door trillende vermoeidheid, alcohol en besef ik dat ik haar nooit meer zal inhalen en bereiken, de afstand blijft oneindig groot en mijn hart in mijn droge strot stikt, en, …en mijn hele lijf dreigt te verkrampen, ik na enkele meters als een steen, catatonisch in het droge krakende gras val. Nu daar, op dat moment komt opnieuw de oogverblindende schoonheid terug, keer op keer worden pulserend in mijn hoofd de beelden afgespeeld en ik met gesloten ogen het nog een keer uitschreeuw, een ijzerkreet die in een lange lange O overgaat en hoor ik…, de O harder en harder in de ijle blauwe lucht uitdijen en langzaam verdwijnen, en, …plotseling dichtbij komt zij, alsof zij zich over mij heen buigt: de dood?

De rest weet je.

@robert kruzdlo uit het boek korte verhalen 2021