Fietsmeisje

Ze had een honingbruin gezicht, hagelwit sclera, roze lippen en in haar oor groeiden dunne haartjes fijner dan wolfraam. Oplichtend in de zon. Geruisloos vielen de zeedruppels op de grond. Ze glimlachte. Ik kon haar gedachte niet raden. Haar algoritmes zijn mentaal nooit zichtbaar. Ik kon maar beter vertrekken.
Ga je weer, zei ze toen ik mij had omgedraaid om mijn verlegen afschuw niet te tonen.
Ja, we komen elkaar wel ergens tegen.
Het lukte mij nooit efficient contakt met haar te maken. Oen. En toch pestte ik mijzelf hiermee.
Hallo.
Hoi.
Gaatut.
Jijwel en dan een rij vraagtekens.
Ik draaide mij om op het moment dat zij voorover een stukje stof uit haar tas trok, niet groter dan een onderzetter.
Wolkenwitte billen waartussen als een kadetje haar maagdelijkheid bekneld zat. De zee zoog aan het strand sissend.
Alleen cactussen groeiden naar de hemel.